Hoofdstuk 1: Wat is syntaxis?
Syntaxis = zinsopbouw, de organisatie van taal.
Mensen hebben een aangeboren taalvermogen (= kennis van taalstructuur), dat samenhangt
met taalomgeving.
- Natuurlijk proces.
- Laat variatie tussen sprekers toe.
Een taal is een realisatie van het (universele) taalvermogen.
Taal heeft niks met logica te maken.
Taalfouten zijn niet natuurlijk gegroeid, maar cultureel bepaald.
Belangrijke verandering van taal voor het Nederlands:
- Middel Nederlands -> 3 geslachten (mannelijk + vrouwelijk + onzijdig)
- Huidig Nederlands -> 2 geslachten (mannelijk / vrouwelijk + onzijdig)
Er is geen onderscheid meer tussen mannelijk en vrouwelijk geslacht.
Geslacht herkennen door:
- Lidwoorden: de (m / v), het (onzijdig).
- Adjectieven bij indefiniete naamwoordgroepen: wel [-e] (m / v), geen [-e] (onzijdig).
- Relatiefpronomina: die (m / v), dat (onzijdig).
- Anaforische pronomina: zijn (mannelijk / onzijdig), haar (vrouwelijk). Het laat niet het
grammaticale geslacht zien, maar het biologische geslacht.
Glosse = letterlijke vertaling van een taal.
Glosse stappenplan:
1. Affixen scheiden met een streepje.
2. Hoofdwoorden / betekenisvolle delen glossen / vertalen (lexicale elementen).
3. Affixen glossen / benoemen (functionele elementen).
4. De rest.
Glosse Betekenis Nederlandse pronomen
1SG 1e persoon enkelvoud Ik
2SG 2e persoon enkelvoud Jij
3SG 3e persoon enkelvoud Hij/zij/het
1PL 1e persoon meervoud Wij
2PL 2e persoon meervoud Jullie
3PL 3e persoon meervoud Zij
Neutrale volgorde van een zin = subject + werkwoord + object / rest van de zin.
Deze neutrale volgorde is ongemarkeerd. Gemarkeerd: vraagzin en bijzin.
[ – e ] bij een adjectief kan geglosst worden als AGR (agreement).
, Hoofdstuk 2: Woordklassen
Woordklassen kun je onderscheiden door betekenis:
Naamwoord (N) Entiteit, persoon, plaats, ding
Werkwoord (V) Gebeurtenis, handeling, proces, toestand
Adjectief (A) Kwaliteit
Voorzetsel (P) Relatie
Maar een woord zoals ‘’kus’’ kan een N en een V zijn. Er zijn dus hardere tests nodig. Hiervoor
kun je distributie (= de omgeving waarin het woord kan voorkomen) en vorm (= de
veranderingen die de vorm van het woord kan ondergaan) tests uitvoeren.
● Soorten vormverandering:
- Inflectie: drukt grammaticale kenmerken uit. boek-en, kus-t, mooi-er
- Derivatie: leidt een nieuw woord af. modern-isme, ziel-ig, ont-smet-ten
Lexicaal (functioneel) staat tegenover niet-lexicaal (grammaticaal).
De belangrijkste niet-lexicale woordklassen zijn:
- C = complementizer = voegwoord (als, of, dat, om).
- D = determiner = lidwoord (de, het, een).
- Conjuncties.
- Pronomina.
De niet-lexicale woordklassen zijn niet productief: er kunnen niet nieuwe woorden bijgemaakt
worden. Een productieve woordklasse noemen we een open klasse, een niet-productieve
woordklasse noemen we een gesloten klasse.
Nieuwe woorden ontstaan door:
- Nieuwvorming (zoals ‘’pinnen’’)
- Derivatie (zoals ‘’bijpinnen’’)
- Ontlening (zoals ‘’e-mail’’)
Lexicaal = referentieel, verwijzend naar iets in de werkelijkheid.
Functioneel = niet-referentieel, met een functie binnen de grammatica.
De uitdrukking van functionele kenmerken:
- Via inflectie. big-ger
- Via aparte woordjes (partikels). more intelligent
Inherent: drukt een kenmerk van het woord zelf uit.
- Voorbeeld: boek-en.
Het drukt het kenmerk getal uit met als waarde meervoud. Boeken verwijst daardoor
naar meerdere elementen in de werkelijkheid.
, Niet-inherent: drukt de relatie van het woord met andere elementen uit.
- Voorbeeld: wij lez-en.
Het drukt het kenmerk meervoud uit, maar dat is geen kenmerk van lezen, maar van wij.
En dus drukt het getal hier uit dat lezen in relatie staat met wij (agreement).
Woordklasse Inherente grammaticale Niet-inherente grammaticale
categorieën categorieën
Naamwoord (N) Geslacht Naamval
Getal
Definietheid
Werkwoord (V) Tijd Agreement
Aspect Actief / passief
Modus
Adjectief (A) Graad Agreement
Voorzetsel (P) – –
Een argument = een participant.
Een predikaat = een gebeurtenis / handeling / toestand.
Type werkwoord Aantal argumenten
Intransitief 1
Transitief 2
Ditransitief 3
Semantische rollen
Agens = doener. Levend wezen.
Theme = ondergaander / ontvanger van acties van doener. Niet verantwoordelijk voor de
gebeurtenis.
Indirect object = het meewerkende voorwerp met een functie GOAL.
Experiencer = ervaarder van emoties.
Instrument = doener. Niet levend wezen.
Recipient (goal) = ontvanger.
Extra
Bepaald lidwoord = de, het. (DEF)
Onbepaald lidwoord = een. (INDEF)
Demonstratief voornaamwoord = die, dat, deze. (DEM)
Copula = koppelwerkwoord, zoals ‘zijn’ en ‘worden’.
Onzijdig = het, een (NTR).
Zijdig = de (NONNTR)
Syntaxis = zinsopbouw, de organisatie van taal.
Mensen hebben een aangeboren taalvermogen (= kennis van taalstructuur), dat samenhangt
met taalomgeving.
- Natuurlijk proces.
- Laat variatie tussen sprekers toe.
Een taal is een realisatie van het (universele) taalvermogen.
Taal heeft niks met logica te maken.
Taalfouten zijn niet natuurlijk gegroeid, maar cultureel bepaald.
Belangrijke verandering van taal voor het Nederlands:
- Middel Nederlands -> 3 geslachten (mannelijk + vrouwelijk + onzijdig)
- Huidig Nederlands -> 2 geslachten (mannelijk / vrouwelijk + onzijdig)
Er is geen onderscheid meer tussen mannelijk en vrouwelijk geslacht.
Geslacht herkennen door:
- Lidwoorden: de (m / v), het (onzijdig).
- Adjectieven bij indefiniete naamwoordgroepen: wel [-e] (m / v), geen [-e] (onzijdig).
- Relatiefpronomina: die (m / v), dat (onzijdig).
- Anaforische pronomina: zijn (mannelijk / onzijdig), haar (vrouwelijk). Het laat niet het
grammaticale geslacht zien, maar het biologische geslacht.
Glosse = letterlijke vertaling van een taal.
Glosse stappenplan:
1. Affixen scheiden met een streepje.
2. Hoofdwoorden / betekenisvolle delen glossen / vertalen (lexicale elementen).
3. Affixen glossen / benoemen (functionele elementen).
4. De rest.
Glosse Betekenis Nederlandse pronomen
1SG 1e persoon enkelvoud Ik
2SG 2e persoon enkelvoud Jij
3SG 3e persoon enkelvoud Hij/zij/het
1PL 1e persoon meervoud Wij
2PL 2e persoon meervoud Jullie
3PL 3e persoon meervoud Zij
Neutrale volgorde van een zin = subject + werkwoord + object / rest van de zin.
Deze neutrale volgorde is ongemarkeerd. Gemarkeerd: vraagzin en bijzin.
[ – e ] bij een adjectief kan geglosst worden als AGR (agreement).
, Hoofdstuk 2: Woordklassen
Woordklassen kun je onderscheiden door betekenis:
Naamwoord (N) Entiteit, persoon, plaats, ding
Werkwoord (V) Gebeurtenis, handeling, proces, toestand
Adjectief (A) Kwaliteit
Voorzetsel (P) Relatie
Maar een woord zoals ‘’kus’’ kan een N en een V zijn. Er zijn dus hardere tests nodig. Hiervoor
kun je distributie (= de omgeving waarin het woord kan voorkomen) en vorm (= de
veranderingen die de vorm van het woord kan ondergaan) tests uitvoeren.
● Soorten vormverandering:
- Inflectie: drukt grammaticale kenmerken uit. boek-en, kus-t, mooi-er
- Derivatie: leidt een nieuw woord af. modern-isme, ziel-ig, ont-smet-ten
Lexicaal (functioneel) staat tegenover niet-lexicaal (grammaticaal).
De belangrijkste niet-lexicale woordklassen zijn:
- C = complementizer = voegwoord (als, of, dat, om).
- D = determiner = lidwoord (de, het, een).
- Conjuncties.
- Pronomina.
De niet-lexicale woordklassen zijn niet productief: er kunnen niet nieuwe woorden bijgemaakt
worden. Een productieve woordklasse noemen we een open klasse, een niet-productieve
woordklasse noemen we een gesloten klasse.
Nieuwe woorden ontstaan door:
- Nieuwvorming (zoals ‘’pinnen’’)
- Derivatie (zoals ‘’bijpinnen’’)
- Ontlening (zoals ‘’e-mail’’)
Lexicaal = referentieel, verwijzend naar iets in de werkelijkheid.
Functioneel = niet-referentieel, met een functie binnen de grammatica.
De uitdrukking van functionele kenmerken:
- Via inflectie. big-ger
- Via aparte woordjes (partikels). more intelligent
Inherent: drukt een kenmerk van het woord zelf uit.
- Voorbeeld: boek-en.
Het drukt het kenmerk getal uit met als waarde meervoud. Boeken verwijst daardoor
naar meerdere elementen in de werkelijkheid.
, Niet-inherent: drukt de relatie van het woord met andere elementen uit.
- Voorbeeld: wij lez-en.
Het drukt het kenmerk meervoud uit, maar dat is geen kenmerk van lezen, maar van wij.
En dus drukt het getal hier uit dat lezen in relatie staat met wij (agreement).
Woordklasse Inherente grammaticale Niet-inherente grammaticale
categorieën categorieën
Naamwoord (N) Geslacht Naamval
Getal
Definietheid
Werkwoord (V) Tijd Agreement
Aspect Actief / passief
Modus
Adjectief (A) Graad Agreement
Voorzetsel (P) – –
Een argument = een participant.
Een predikaat = een gebeurtenis / handeling / toestand.
Type werkwoord Aantal argumenten
Intransitief 1
Transitief 2
Ditransitief 3
Semantische rollen
Agens = doener. Levend wezen.
Theme = ondergaander / ontvanger van acties van doener. Niet verantwoordelijk voor de
gebeurtenis.
Indirect object = het meewerkende voorwerp met een functie GOAL.
Experiencer = ervaarder van emoties.
Instrument = doener. Niet levend wezen.
Recipient (goal) = ontvanger.
Extra
Bepaald lidwoord = de, het. (DEF)
Onbepaald lidwoord = een. (INDEF)
Demonstratief voornaamwoord = die, dat, deze. (DEM)
Copula = koppelwerkwoord, zoals ‘zijn’ en ‘worden’.
Onzijdig = het, een (NTR).
Zijdig = de (NONNTR)