schrijven
Ontwikkelingspsychologie
1. Begrijpen
Hoe en waarom mensen veranderen in verschillende levensfasen
Omvat cognitieve, emotionele, sociale en fysieke ontwikkeling vanaf
geboorte tot de ouderdom
2. Voorspellen
Door patronen in ontwikkeling te bestuderen, kunnen we voorspellen
welke ontwikkelingen waarschijnlijk zijn in bepaalde levensfase
Helpt bijvoorbeeld inschatten van schoolprestaties, sociale vaardigheden
of risico’s op mentale gezondheidsproblemen
3. Voorkomen van problemen
Inzicht in ontwikkelingsprocessen stelt ons in staat problemen vroeg te
signaleren en in te grijpen
Kan door opvoedingsadvies, onderwijsstrategieën of psychologische
interventies
Belangrijkste principes ontwikkelings/lifespan psychologie
1. Plasticiteit Dingen zijn veranderbaar
2. Hele levensloop
3. Multidimensionaal Verschillende domeinen beïnvloeden elkaar
(biologisch, cognitief, sociaal-emotioneel)
4. Multidirectioneel Niet alleen ‘groei’, ook ‘afname’
5. Contextueel Omgevingsafhankelijk
6. (Multidisciplinair) Gebruik maken van inzichten uit verschillende
wetenschappelijke disciplines
Ontwikkelingsfasen
1. Prenatale development - Alles voor geboorte
2. Infancy - Geboorte tot 12 maanden
3. Toddlerhood - 12 – 30 maanden
4. Early childhood - 30 maanden - 6 jaar
5. Middle/late childhood - 6 jaar – begin puberteit
6. Adolescence - Begin puberteit – 20 jaar
7. Early adulthood - 20 – 30 jaar
8. Established adulthood - 30 – 45 jaar
9. Middle adulthood - 45 – 65 jaar
10.Late adulthood - 65 – overlijden
Belangrijkste thema’s
1. Nature vs Nurture
2. Continue vs discontinue ontwikkeling Geleidelijk vs abrupts (stages
3. Tegenwoordig:
Veel continue, met hier en daar een ‘groeispurt’
Soms een threshold (drempel) Verwijst naar een punt waarop een
geleidelijke psychologische ontwikkeling opeens leidt tot een kwalitatieve
sprong of nieuwe vaardigheid.
Methoden in de ontwikkelingspsychologie
Observatie
,1. Naturalistisch
Alledaagse omgeving
Pro: Hoge ecologische validiteit
2. Gestructureerd
In gecontroleerde omgeving
Pro: Betere controle over variabelen en vergelijkbaarheid tussen
proefpersonen
Con: Minder ecologische validiteit (Gedrag kan beïnvloed worden door
setting
Voordelen observatie
Ecologische valideit (naturalistische observatie
Kan bij verschillende diersoorten
Rijke, gedetailleerde date, vooral bij gebruik van videoopnames
Nadelen observatie
Experimenter/observer bias De onderzoeker kan (onbewust) bepaalde
gedragingen over- of onderschatten.
Oplossing: blinde beoordelaars of software-analyse
‘snapshot’-probleem: Observaties geven een momentopname. Hoe stabiel is
het gedrag over tijd?
Oplossing: Longitudinale studies (herhaalde observaties)
Rapportages
Zelfrapportage
+ Meet interne ervaringen die niet direct observeerbaar zijn
+ Geschikt voor grote groepen (efficiënt)
- Niet geschikt voor jonge kinderen (beperkte taalvaardigheid,
zelfbewustzijn)
- Sociale wenselijkheid mensen kunnen antwoorden die beter overkomen
- Beperkte inzicht in eigen psychologie Mensen begrijpen eigen emoties
of gedrag niet altijd goed
Ouders
+ Geschikt voor jonge kinderen die zichzelf niet kunnen rapporteren
+ Ouders observeren hun kinderen langdurig in verschillende situaties
- Subjectieve bias Ouders kunnen het gedrag van hun kind over- of
onderschatten
- Vertekend geheugen Vooral bij retrospectieve vragen
Leerkrachten
+ Ervaren in het beoordelen van kinderen in vergelijkbare leeftijdsgroepen
+ Kunnen gedrag in sociale contexten observeren
- Beperkt tot schoolomgeving
- Mogelijke vooroordelen
Leeftijdsgenoten (peers)
+ Biedt unieke sociale informatie
+ Kinderen gedragen zich soms anders onder leeftijdsgenoten dan
volwassenen
- Sociale bias (groepsdruk, vriendjespolitiek)
- Ethische gevoeligheid
Voordeel: Subjectieve variabelen meten
Fysiologie
Fysiologische metingen worden gebruikt om objectieve informatie te verzamelen
over de biologische processen die ten grondslag liggen aan gedrag en emotie.
1. Hersen(activiteit) metingen
, + Objectieve metingen
- Duur en gevoelig voor beweging (vooral bij kinderen lastig)
2. Hormoonmetingen
+ Geschikt voor alle leeftijden
- Interpretatie kan complex zijn Hormonale niveaus worden beïnvloed
door vele factoren (tijdstip, voeding, stress)
3. Spier- en warmte metingen
+ Directe fysiologische reactie op emotie en stress
- Moeilijk te vertalen naar specifieke processen
4. Hart- en huidmetingen
+ snelle en betrouwbare metingen van fysiologische arousal
- Geen directe link met specifieke emoties (stress kan angst of opwinding
zijn)
5. Oogmetingen
+ Objectief en niet-invasief, zelfs bij baby’s en dieren
- Sommige interpretaties zijn nog in ontwikkeling
Voordelen en nadelen van fysiologische methoden
+ Objectief, minder gevoelig voor sociale wenselijkheid
+ Geschikt voor verschillende leeftijden en diersoorten
- De duur (lengte van tijd)
- Data-analyse complex (gaat sneller met AI)
- Moeilijke interpretatie
Onderzoeksdesigns
1. Cross-sectioneel onderzoek
Onderzoekt meerdere leeftijdsgroepen tegelijk op één moment in de tijd
+ Snel en efficiënt
+ Kostenbesparend vergeleken met longitudinaal
+ Geschikt voor ontwikkelingstrends tussen leeftijdsgroepen
- Cohort-effect Verschillen tussen leeftijdsgroepen kunnen komen door
historische of culturele factoren i.p.v. leeftijd
- Geen inzicht in individuele ontwikkeling over tijd
2. Longitudinaal onderzoek
Bestudeert dezelfde groep mensen over een langere periode
+ Geeft inzicht in individuele veranderingen en ontwikkeling over tijd
+ Vermijdt cohort effecten, omdat dezelfde mensen worden gevolgd
+ Oorzaak-gevolg relaties beter te benaderen dan bij cross-sectioneel
- Tijdrovend en duur
- Uitval Sommige deelnemers haken af, wat de resultaten kan vertekenen
- Test-hertest effect Deelnemers kunnen veranderen door herhaalde
metingen i.p.v. natuurlijke ontwikkeling
Cross-sectioneel Goed voor snelle ontwikkelingstrends tussen
leeftijdsgroepen
Lonitudinaal Nodig als je individuele verandering over tijd wilt begrijpen
Wetenschappelijke kennis
Positivistische model
Benadering die nadruk legt op het gebruiken van objectieve meetbare gegevens
om kennis te verkrijgen. Het positivisme is gebaseerd op het idee dat waarheid of
kennis alleen kan worden verkregen door empirisch bewijs en wetenschappelijke
waarneming
Kenmerken model:
, 1. Objectiviteit: Onderzoekers moeten zo objectief mogelijk zijn en hun
persoonlijke voorkeuren of aannames buiten beschouwing laten
2. Empirisch bewijs: Kennis wordt verkregen door observatie, metingen en
experimenten, die herhaalbaar en verifieerbaar zijn
3. Kwantitatieve gegevens: Het model maakt vaak gebruik van cijfers en
statistische analyses om hypotheses te testen en algemene wetmatigheden
vast te stellen
4. Onafhankelijkheid van de waarnemer: Het positivisme veronderstelt dat
de waarnemer niet invloed uitoefent op de objecten die bestudeerd worden
Gap in de literature
Wanneer wetenschappers beginnen aan een nieuw onderzoek, moeten ze eerst
bestaande literatuur raadplegen om te begrijpen wat er al bekend is over het
onderwerp. Het vinden van een gap betekent dat er een onbeantwoord vraagstuk
of onderbelicht onderwerp is waar we nog niet veel over weten, of waar
tegenstrijdige bevindingen zijn die verder onderzocht moeten worden
Waarom is een gap belangrijk?
1. Nieuw onderzoek mogelijk maken
2. Verrijking van kennis Kan helpen om ontbrekende kennis in te vullen
3. Innovatie Kan leiden tot nieuwe theorieën of methoden
Wat hebben academische lezers nodig?
1. Weinig tijd en veel aan hun hoofd
Efficiëntie is key
Duidelijk structuur
2. Geef ze een reden om te blijven lezen
Aantrekkelijke opening (Relevantie & belang)
Heldere en beknopte boodschap
Verwachte bijdrage
3. Beantwoord hun vragen voordat ze deze stellen
Logische opbouw
Conclusie en implicaties
Structuur van de inleiding (bij onderzoeksverslag)
Probleemschets
‘Theoretisch kader’
Probleemstelling
o Onderzoeksvraag + Hypothese
1. Wat is het onderwerp en waarom moet ik dit lezen?
Hoe: Je introduceert het onderwerp van je onderzoek en beschrijft het belang
ervan
Onderdeel: Dit doe je in de titel, het begin van de abstract en de introductie,
waar je de context van het probleem schetst
2. Waarom moet ik jou geloven over dit onderwerp?
Hoe: Je laat zien dat je bekend bent met de bestaande literatuur en het
theoretisch kader
Onderdeel: Gebeurt in de eerste helft van de introductie, waar je de
bestaande kennis samenvat en aantoont dat je de vraagstukken in je
vakgebied begrijpt
3. Wat maakt jouw onderzoek zo belangrijk of anders dan al het
andere?