Hoofdstuk 5
Klassieke test theorie: de geobserveerde scores bestaat deels uit de echte score (= true
score) en deels uit meetfouten (= error).
- Observed score: X o
- True score: X t
- Error: X E
X o=X t + X E
Bij betrouwbaarheid wordt er gekeken hoe klein de error is. Hoe kleiner de error, hoe
betrouwbaarder de test. Bij een kleine error zal de observed score ook constanter zijn.
Validiteit kijkt naar of je meet wat je wil meten. Is de true score echt hetgeen wat willen
meten.
Betrouwbaarheid:
De mate waarin de scores overeenkomen wanneer je een persoon meerdere keren test
onder dezelfde omstandigheden.
Er zijn hierbij een paar problemen:
- Mensen kunnen de vragen onthouden, hierdoor zijn de testen niet helemaal
vergelijkbaar.
- Wat zijn gestandaardiseerde omstandigheden? Zijn de omstandigheden echt altijd
gelijk?
We gaan ervan uit dat de verschillen in de observed score worden veroorzaakt door error.
Mensen kunnen geluk hebben en hierdoor hoger scoren, of andersom.
X o=X t + X E
Test score = systematische invloeden + toevallige invloeden
- Systematische invloeden wordt niet gezien als hetzelfde als true score. Er zijn
meetfouten die elke keer terugkomen in de test, deze meetfouten vallen onder
systematische invloeden (True score).
Betrouwbaarheid kijkt dus eigenlijk vooral naar de toevallige vertekeningen in de
scores.
Hoe splits je observed score op?
Om de observed score op te splitsen in true scores en errors is het van belang om meerdere
metingen uit te voeren.
Wanneer je meerdere metingen hebt uitgevoerd, kan je door middel van het gemiddelde de
true score bereken. Men gaat ervan uit dat je pech en geluk tegen elkaar kan wegstrepen.
Wanneer je de observerd score weet en het gemiddelde van de observed scores hebt