Week 1
Landkaartje:
Dit gaat over de verschillende soorten vragen die je kunt stellen. Deze zijn
verspreid over een schaal tussen descriptief en normatief. De volgende soorten
van elkaar onderscheiden (van descriptief naar normatief):
Empirisch
Conceptueel
Interpretatief: wordt bij rechten veel gebruikt
Normatief
Empirisch en normatief lijken erg ver uit elkaar te liggen, maar kunnen toch met
elkaar verbonden worden. Je moet namelijk vaak empirisch vast kunnen stellen
hoe de werkelijkheid werkt, voordat je de normatieve (gewenste) werkelijkheid
kunt beargumenteren (waarom moet het anders?).
Er staan in dit vak 3 filosofieën over de ethiek centraal, met nog een extra
filosofie die minder belangrijk is (existentialisme).
De vraag die bij deze filosofieën allemaal centraal staat is; wanneer is een
handeling goed?
Utilisme/consequentalisme (Bentham): de gevolgen van een handeling bepalen of de
handeling goed was. De handeling is goed wanneer deze leidt tot het meeste geluk voor de
grootste groep mensen. Rekensom.
o Zwakte punt: dit houdt geen rekening met de autonome menselijkheid van de
mensen die worden opgeofferd voor het grotere geluk
Deontologie/plichtenleer (Kant): de handeling is goed wanneer deze in overeenstemming is
met de categorisch imperatief. De categorisch imperatief is de onvoorwaardelijke plicht en
deze is op 2 manieren te formuleren:
o Objectiveren: een rationeel autonoom wezen wordt gemaakt tot middel voor het
doel van de handeling (die een ander verricht)
o Kan je van een regel een universele regel kan maken? Kan mijn handeling een
universele regel gebruikt worden?
Als een van deze vragen negatief wordt beantwoord, is de handeling onmenselijk.
Deze filosofie vindt dat de mens niet geobjectiveerd mag worden. De mens mag niet het
object worden van de handeling van een ander. Dit tast namelijk de autonomie van dat mens
aan. Is er bij deze handeling een persoon die ik tot middel maak om mijn doel te bereiken.
Zou die persoon met mijn handeling goedkeuren? Als je hiertegen in gaat, maak een persoon
een object en dit is niet goed.
o Zwakte punt: deze manier van handelen behartigt vaak niet het algemeen belang
Het utilitarisme en de deontologie zijn elkaars tegenpolen.
Deugdethiek (Aristoteles): een handeling is goed wanneer deze wordt verricht door een
deugdzaam mens.
De deugd is een houding van karakter die het juiste midden weet te houden tussen een te
veel en een te weinig, met betrekking tot een bepaalde emotie.
, Volgens Aristoteles is het doel van de mens om zijn deugden te volmaken. -> voortreffelijke
mens (belichaamt alle deugden). Er is altijd maar 1 juiste beslissing (1 conceptie van het
goede en deze geldt voor iedereen) en een goed mens weet wat dit is en durft deze ook te
nemen. Daarom is een universele aanpak eigenlijk nooit deugdzaam. Er moet altijd ruimte
worden gelaten voor een casuïstisch aanpak, zodat een de deugden van de handelende
persoon de kans krijgt de juiste keuze te maken.
Deugden zijn bijvoorbeeld:
o Rechtvaardigheid
o Praktisch wijsheid
o Moed
o Gematigdheid
o Geloof, hoop, liefde (christelijk)
Deze theorie verschilt van het utilitarisme en deontologie, omdat deze theorie zich
bezighoudt met de persoon die de handeling verricht. Bij die andere theorieën, heeft de
persoon meer objectief en niet echt relevant (de handeling staat centraal in plaats van de
handelende persoon).
o Zwakte punt: het is lastig om te bepalen wie een deugdzaam persoon is. Te abstract.
Wanneer is iemand deugdzaam en hoe weten we dat? -> problematisch. Het is ook
onduidelijk wat de deugden zijn. Is het nog wel mogelijk om universeel toepasbare
deugden vast te stellen?
Existentiefilosofie: een goede handeling is goed wanneer deze berust op jouw keuze,
waarvoor jijzelf verantwoordelijkheid draagt. Hierdoor is er dus niet meer 1 essentie van het
goede (zoals bij de deugdethiek).
De handeling is goed wanneer de handelende persoon hiervoor de verantwoordelijkheid
draagt. Elke regel heeft een uitzondering -> iemand kan hier de verantwoordelijkheid voor
dragen. (Deze theorie staat niet erg centraal in dit vak).
Deze filosofie erkent dat er algemene regels zijn, maar er is wel altijd een mogelijkheid om
van die algemene regel af te wijken. Mensen mogen zich niet verschuilen achter de
algemene regel.
o Zwakte punt: het is geen theorie. Geeft geen antwoord op alle vragen die dit
opwerpt.
Week 2
In deze week staat het utilitarisme (en een beetje rechtseconomie) centraal.
Jeremy Bentham (1747-1832)
Jeremy Bentham trekt zich niets aan van de bestaande christelijke waarden, maar
beschrijft een filosofie op basis van dingen die niet van die normen en waarden
afhankelijk zijn en die de moderniteit begint.
Als er streng wetenschappelijk naar de wereld wordt gekeken, moet je geloof
loslaten. Ieder wezen leeft volgens de regel zijn pijn te minimaliseren en zijn
plezier te maximaliseren.
Deze filosofie probeert nietsontziend eerlijk naar de wereld te kijken.
Dus je moet zo leven dat je pijn vermindert en plezier opzoekt en maximaliseert.
, De wetgever moet het algemeen belang behartigen en dus moet deze een
enorme rekensom maken en proberen te streven naar het meeste plezier/nut
voor de meeste mensen. Dit is nutsmaximalisatie of utilitaristische calculus.
Benthem bedacht allemaal dingen die heel efficiënt zijn -> streven naar nut.
Het utilitarisme is onderdeel van het consequentialisme, wat inhoudt dat de juiste
handeling wordt gebaseerd op de gevolgen van die handeling (niet de intentie).
Voor mensenrechten is dus geen plaats, want nutsmaximalisatie is belangrijker.
John Stuart Mill (1806-1873)
John Stuart Mill is ook een utilitarist, maar hij heeft op bepaalde dingen toch
andere ideeën dan Bentham.
John Stuart vindt namelijk, in tegenstelling tot Bentham, dat mensenrechten wel
goed kunnen zijn voor het algemene nut. Hij vindt dat de waarborg van
mensenrechten uiteindelijk (op de lange termijn) wel leidt tot meer geluk.
Soorten utilitarisme:
Er is een onderscheid te maken tussen 2 verschillende soorten utilitarisme:
Daadutilitarisme (Bentham): er moet gekeken worden naar de handeling.
Zodra deze het geluk van de grootste groep mensen maximaliseert, is de
handeling juist. Het doel heiligt de middelen en een mensenrecht
schending maakt dan niet uit.
Regelutilitarisme (Mill): wat zijn de regels die we als samenleving moeten
accepteren, zodat we allemaal gelukkiger worden? Hierin zit dus het geloof
dat de waarborg van mensenrechten uiteindelijk zorgt voor meer geluk.
Voorbeeld:
Bv. orgaantransplantatie; als jij al jouw organen afstaat, kunnen veel betere
mensen gered worden (betere wetenschappers, acteurs, ect.) ->
Regelutilarisme is oneens (als je zeker weet dat als je naar de dokter gaat,
dat je niet vermoord wordt, gaan er meer mensen naar de dokter, leven
mensen langer en beter -> meer geluk)
Daadutilitarisme zou hiervoor moeten zijn, maar op lange termijn is het
gevolg dat mensen niet meer naar de dokter gaan en dus sneller
doodgaan (omdat men niet weet dat ziek zijn) & onrust in samenleving &
slechte reputatie artsen -> minder geluk
o Lange termijneffecten
Bedenk bij dit voorbeeld dat bij het utilitarisme over het algemeen het geluk in
de toekomst minder waard is dan het geluk nu (geluk in toekomst is 0,5 waard
ten opzichte van geluk nu (1 waard) -> rekensom). Maar het is dus niet
onbelangrijk bij de rekeningsom van wat het meeste geluk oplevert.
Soorten geluk:
Mill denkt ook anders over wat geluk/plezier echt is.
Volgens Bentham is dit heel makkelijke te berekenen, zodra handeling leidt tot
meer geluk, is het goed. Hij is van mening dat al het geluk kwantitatief meetbaar
is (en dus valt er mee te rekenen). Bentham maakt geen onderscheid tussen
verschillende soorten geluk.