Pontmeyer
3.4.3 Deze klacht faalt. Het hof heeft met zijn hiervoor in 3.4.1
samengevatte overwegingen tot uitdrukking gebracht dat voor het
antwoord op de vraag welke zin partijen in de gegeven
omstandigheden over en weer redelijkerwijze mochten toekennen
aan de omstreden woorden in art. 8 onder b, SPA en wat zij te dien
aanzien redelijkerwijze van elkaar mochten verwachten, in de door
het hof in rov. 8.1 genoemde omstandigheden, waaronder de aard van de
transactie, de omvang en gedetailleerdheid van het contract, de wijze van
totstandkoming ervan en in het bijzonder de hierboven onder 3.3.3 (d)
geciteerde "entire agreement clause" van art. 17.5 SPA, als uitgangspunt
beslissend gewicht dient te worden toegekend aan de meest voor de hand
liggende taalkundige betekenis van die woorden, gelezen in het licht
van de overige, voor de uitleg relevante bepalingen van de SPA.
Een en ander geeft niet blijk van een onjuiste opvatting aangaande de
wijze waarop in een zaak als deze de Haviltex-maatstaf dient te worden
toegepast. Het stond het hof in dat verband vrij, gelijk het kennelijk heeft
gedaan, vooralsnog zonder een inhoudelijke beoordeling van de door
Meyer Europe aangevoerde, hiervoor onder 3.4.2 (ii) en (iii) samengevatte,
stellingen, te komen tot een - voor, zoals hierna zal blijken, tegenbewijs
door Meyer Europe vatbaar - oordeel aangaande de uitleg van art. 8 onder
b en die stellingen, gelijk het blijkens rov. 9 heeft gedaan, te beoordelen in
het kader van het door Meyer Europe te leveren tegenbewijs.
Lundiform
3.4.2 In rov. 3.6 heeft het hof zijn oordeel dat aan de taalkundige
betekenis van de gekozen bewoordingen van de overeenkomst grote
betekenis toekomt, gebaseerd op het uitgangspunt dat het om een
commerciële overeenkomst gaat, gesloten tussen professioneel
opererende partijen die over de inhoud van de overeenkomst hebben
onderhandeld, terwijl de overeenkomst ertoe strekt de wederzijdse rechten
en verplichtingen nauwkeurig vast te leggen.
De toepasselijkheid van dit uitgangspunt in het gegeven geval wordt op
goede gronden bestreden door onderdeel 2.2. Die toepasselijkheid is
onvoldoende gemotiveerd in het licht van de door Lundiform aangevoerde
stellingen, te weten: (i) dat partijen niet over de schriftelijke overeenkomst
hebben onderhandeld, in het bijzonder niet over de tekst van art. 3, (ii) dat
Lundiform bij de totstandkoming van de overeenkomst niet werd
bijgestaan door een jurist, en (iii) dat het modelcontract was opgesteld
door het "legal department" van Mexx. Indien deze stellingen juist zijn,
,vervalt daarmee de door het hof genoemde reden om bij de uitleg van de
overeenkomst groot gewicht toe te kennen aan de taalkundige betekenis
van de gekozen bewoordingen.
.4.3 In rov. 3.7-3.13 heeft het hof art. 3 van de overeenkomst uitgelegd.
In het kader van de door haar voorgestane uitleg van art. 3 van de
overeenkomst heeft Lundiform betoogd dat partijen aan art. 3.3 en 3.4 van
de overeenkomst en aan Attachment II bij de overeenkomst redelijkerwijze
een andere betekenis hebben moeten toekennen dan uit de enkele tekst
daarvan volgt. Ter onderbouwing van haar betoog heeft Lundiform zich
onder meer beroepen op:
(i) de schriftelijke verklaring van Nibbelink (de inkoopmanager van Mexx
die destijds bij het opstellen van de overeenkomst was betrokken),
inhoudende - kort gezegd - dat toen de overeenkomst werd opgesteld het
de bedoeling van Mexx was dat 36 winkels zeker zouden worden
afgenomen en dat deze winkels vielen buiten art. 3.3 van de
overeenkomst;
(ii) de handelwijze van partijen in de periode voorafgaand aan het sluiten
van de overeenkomst, waaruit blijkt dat partijen destijds nimmer een
procedure als voorzien in art. 3.3 van de overeenkomst hebben gevolgd;
en
(iii) de aannemelijkheid van de door Lundiform voorgestane uitleg van de
overeenkomst.
De klachten onder 2.3-2.9 van onderdeel 1 voeren terecht aan dat de rov.
3.7-3.13 geen blijk ervan geven dat het hof dit betoog van Lundiform en
de daaraan ten grondslag liggende stellingen, in zijn oordeelsvorming
heeft betrokken. Mocht het hof hebben geoordeeld dat deze stellingen
onvoldoende relevant zijn omdat in het onderhavige geval, ongeacht de
juistheid van dit betoog, aan de taalkundige betekenis van de gekozen
bewoordingen doorslaggevende betekenis toekomt, dan geeft dat blijk van
een onjuiste rechtsopvatting. Ook indien bij de uitleg van een
overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige
betekenis van de gekozen bewoordingen, kunnen de overige
omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere (dan
de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de
overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin
die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs
aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien
redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Indien het hof dat niet heeft
miskend, heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd door stilzwijgend
aan genoemde stellingen van Lundiform voorbij te gaan.
, 3.4.4 De klacht onder 2.10 van onderdeel 1, die zich keert tegen de
beslissing van het hof in rov. 3.18 om Lundiforms bewijsaanbod te
passeren, slaagt eveneens.
De in 3.4.2 genoemde vrijheid om als uitgangspunt groot gewicht toe te
kennen aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de
omstreden woorden van de overeenkomst, stelt de rechter in staat om,
vooralsnog zonder een inhoudelijke beoordeling van de stellingen van
partijen, te komen tot een voorshands gegeven oordeel aangaande de
uitleg van de overeenkomst. Vervolgens zal de rechter evenwel dienen te
beoordelen of de partij die een andere uitleg van de overeenkomst
verdedigt, voldoende heeft gesteld om tot bewijs dan wel
tegenbewijs te worden toegelaten. Indien dit laatste het geval is, is de
rechter gehouden deze partij in de gelegenheid te stellen dit
(tegen)bewijs te leveren (vgl. HR 19 januari 2007 2007/576).
Uit hetgeen hiervoor in 3.4.3 is overwogen, volgt dat Lundiform feiten en
omstandigheden heeft gesteld die, indien bewezen, de door haar
verdedigde uitleg van de overeenkomst kunnen dragen. Voorts heeft het
hof in rov. 3.18 vastgesteld dat Lundiform bewijs van haar stellingen heeft
aangeboden. Op grond van een en ander had het hof Lundiform dan ook
tot bewijs van de door haar verdedigde uitleg van de overeenkomst
moeten toelaten.
3.5.3 Opmerking verdient dat een "entire agreement clause" een
relevante omstandigheid kan zijn bij de uitleg van een overeenkomst
waarvan deze clausule deel uitmaakt (vgl. HR 19 januari 2007, LJN
AZ3178, NJ 2007/575). Welke betekenis aan een dergelijke clausule
toekomt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder
de bewoordingen van de clausule, de aard, de inhoud, de strekking en de
mate van gedetailleerdheid van de overeenkomst waarvan de clausule
deel uitmaakt, en de wijze waarop de clausule tijdens de
onderhandelingen ter sprake is gekomen en onderdeel van de
overeenkomst is geworden.
Daarbij zij aangetekend dat een "entire agreement clause" op
zichzelf geen uitlegbepaling is. De clausule heeft een specifieke
herkomst en functie in de Anglo-Amerikaanse rechtssfeer, en heeft naar
Nederlands recht niet zonder meer een bijzondere betekenis.
Zij beoogt veelal te bewerkstelligen dat partijen niet zijn gebonden aan
eerdere op de overeenkomst betrekking hebbende afspraken die daarmee
in strijd zijn, indien die afspraken niet in de overeenkomst zijn opgenomen
en de overeenkomst evenmin daarnaar verwijst. De clausule staat
evenwel niet zonder meer eraan in de weg dat voor de uitleg van
de in de overeenkomst vervatte bepalingen betekenis wordt
3.4.3 Deze klacht faalt. Het hof heeft met zijn hiervoor in 3.4.1
samengevatte overwegingen tot uitdrukking gebracht dat voor het
antwoord op de vraag welke zin partijen in de gegeven
omstandigheden over en weer redelijkerwijze mochten toekennen
aan de omstreden woorden in art. 8 onder b, SPA en wat zij te dien
aanzien redelijkerwijze van elkaar mochten verwachten, in de door
het hof in rov. 8.1 genoemde omstandigheden, waaronder de aard van de
transactie, de omvang en gedetailleerdheid van het contract, de wijze van
totstandkoming ervan en in het bijzonder de hierboven onder 3.3.3 (d)
geciteerde "entire agreement clause" van art. 17.5 SPA, als uitgangspunt
beslissend gewicht dient te worden toegekend aan de meest voor de hand
liggende taalkundige betekenis van die woorden, gelezen in het licht
van de overige, voor de uitleg relevante bepalingen van de SPA.
Een en ander geeft niet blijk van een onjuiste opvatting aangaande de
wijze waarop in een zaak als deze de Haviltex-maatstaf dient te worden
toegepast. Het stond het hof in dat verband vrij, gelijk het kennelijk heeft
gedaan, vooralsnog zonder een inhoudelijke beoordeling van de door
Meyer Europe aangevoerde, hiervoor onder 3.4.2 (ii) en (iii) samengevatte,
stellingen, te komen tot een - voor, zoals hierna zal blijken, tegenbewijs
door Meyer Europe vatbaar - oordeel aangaande de uitleg van art. 8 onder
b en die stellingen, gelijk het blijkens rov. 9 heeft gedaan, te beoordelen in
het kader van het door Meyer Europe te leveren tegenbewijs.
Lundiform
3.4.2 In rov. 3.6 heeft het hof zijn oordeel dat aan de taalkundige
betekenis van de gekozen bewoordingen van de overeenkomst grote
betekenis toekomt, gebaseerd op het uitgangspunt dat het om een
commerciële overeenkomst gaat, gesloten tussen professioneel
opererende partijen die over de inhoud van de overeenkomst hebben
onderhandeld, terwijl de overeenkomst ertoe strekt de wederzijdse rechten
en verplichtingen nauwkeurig vast te leggen.
De toepasselijkheid van dit uitgangspunt in het gegeven geval wordt op
goede gronden bestreden door onderdeel 2.2. Die toepasselijkheid is
onvoldoende gemotiveerd in het licht van de door Lundiform aangevoerde
stellingen, te weten: (i) dat partijen niet over de schriftelijke overeenkomst
hebben onderhandeld, in het bijzonder niet over de tekst van art. 3, (ii) dat
Lundiform bij de totstandkoming van de overeenkomst niet werd
bijgestaan door een jurist, en (iii) dat het modelcontract was opgesteld
door het "legal department" van Mexx. Indien deze stellingen juist zijn,
,vervalt daarmee de door het hof genoemde reden om bij de uitleg van de
overeenkomst groot gewicht toe te kennen aan de taalkundige betekenis
van de gekozen bewoordingen.
.4.3 In rov. 3.7-3.13 heeft het hof art. 3 van de overeenkomst uitgelegd.
In het kader van de door haar voorgestane uitleg van art. 3 van de
overeenkomst heeft Lundiform betoogd dat partijen aan art. 3.3 en 3.4 van
de overeenkomst en aan Attachment II bij de overeenkomst redelijkerwijze
een andere betekenis hebben moeten toekennen dan uit de enkele tekst
daarvan volgt. Ter onderbouwing van haar betoog heeft Lundiform zich
onder meer beroepen op:
(i) de schriftelijke verklaring van Nibbelink (de inkoopmanager van Mexx
die destijds bij het opstellen van de overeenkomst was betrokken),
inhoudende - kort gezegd - dat toen de overeenkomst werd opgesteld het
de bedoeling van Mexx was dat 36 winkels zeker zouden worden
afgenomen en dat deze winkels vielen buiten art. 3.3 van de
overeenkomst;
(ii) de handelwijze van partijen in de periode voorafgaand aan het sluiten
van de overeenkomst, waaruit blijkt dat partijen destijds nimmer een
procedure als voorzien in art. 3.3 van de overeenkomst hebben gevolgd;
en
(iii) de aannemelijkheid van de door Lundiform voorgestane uitleg van de
overeenkomst.
De klachten onder 2.3-2.9 van onderdeel 1 voeren terecht aan dat de rov.
3.7-3.13 geen blijk ervan geven dat het hof dit betoog van Lundiform en
de daaraan ten grondslag liggende stellingen, in zijn oordeelsvorming
heeft betrokken. Mocht het hof hebben geoordeeld dat deze stellingen
onvoldoende relevant zijn omdat in het onderhavige geval, ongeacht de
juistheid van dit betoog, aan de taalkundige betekenis van de gekozen
bewoordingen doorslaggevende betekenis toekomt, dan geeft dat blijk van
een onjuiste rechtsopvatting. Ook indien bij de uitleg van een
overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige
betekenis van de gekozen bewoordingen, kunnen de overige
omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere (dan
de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de
overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin
die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs
aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien
redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Indien het hof dat niet heeft
miskend, heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd door stilzwijgend
aan genoemde stellingen van Lundiform voorbij te gaan.
, 3.4.4 De klacht onder 2.10 van onderdeel 1, die zich keert tegen de
beslissing van het hof in rov. 3.18 om Lundiforms bewijsaanbod te
passeren, slaagt eveneens.
De in 3.4.2 genoemde vrijheid om als uitgangspunt groot gewicht toe te
kennen aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de
omstreden woorden van de overeenkomst, stelt de rechter in staat om,
vooralsnog zonder een inhoudelijke beoordeling van de stellingen van
partijen, te komen tot een voorshands gegeven oordeel aangaande de
uitleg van de overeenkomst. Vervolgens zal de rechter evenwel dienen te
beoordelen of de partij die een andere uitleg van de overeenkomst
verdedigt, voldoende heeft gesteld om tot bewijs dan wel
tegenbewijs te worden toegelaten. Indien dit laatste het geval is, is de
rechter gehouden deze partij in de gelegenheid te stellen dit
(tegen)bewijs te leveren (vgl. HR 19 januari 2007 2007/576).
Uit hetgeen hiervoor in 3.4.3 is overwogen, volgt dat Lundiform feiten en
omstandigheden heeft gesteld die, indien bewezen, de door haar
verdedigde uitleg van de overeenkomst kunnen dragen. Voorts heeft het
hof in rov. 3.18 vastgesteld dat Lundiform bewijs van haar stellingen heeft
aangeboden. Op grond van een en ander had het hof Lundiform dan ook
tot bewijs van de door haar verdedigde uitleg van de overeenkomst
moeten toelaten.
3.5.3 Opmerking verdient dat een "entire agreement clause" een
relevante omstandigheid kan zijn bij de uitleg van een overeenkomst
waarvan deze clausule deel uitmaakt (vgl. HR 19 januari 2007, LJN
AZ3178, NJ 2007/575). Welke betekenis aan een dergelijke clausule
toekomt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder
de bewoordingen van de clausule, de aard, de inhoud, de strekking en de
mate van gedetailleerdheid van de overeenkomst waarvan de clausule
deel uitmaakt, en de wijze waarop de clausule tijdens de
onderhandelingen ter sprake is gekomen en onderdeel van de
overeenkomst is geworden.
Daarbij zij aangetekend dat een "entire agreement clause" op
zichzelf geen uitlegbepaling is. De clausule heeft een specifieke
herkomst en functie in de Anglo-Amerikaanse rechtssfeer, en heeft naar
Nederlands recht niet zonder meer een bijzondere betekenis.
Zij beoogt veelal te bewerkstelligen dat partijen niet zijn gebonden aan
eerdere op de overeenkomst betrekking hebbende afspraken die daarmee
in strijd zijn, indien die afspraken niet in de overeenkomst zijn opgenomen
en de overeenkomst evenmin daarnaar verwijst. De clausule staat
evenwel niet zonder meer eraan in de weg dat voor de uitleg van
de in de overeenkomst vervatte bepalingen betekenis wordt