Universiteit
Inhoudsopgave
HC1: Introductiecollege ........................................................................................................................... 2
HC2: Cognitieve veroudering ................................................................................................................... 4
HC3: Sociale veroudering ........................................................................................................................ 9
HC4: Geriatrische syndromen, delier en geriatrisch onderzoek............................................................ 14
HC5: Functionele veroudering ............................................................................................................... 19
HC6: Demografie van de veroudering ................................................................................................... 23
HC7: De biologie van veroudering ......................................................................................................... 31
HC8: Ouderen, mantelzorg en langdurige zorg ..................................................................................... 35
HC9: Diversiteit – Sociaal economische gezondheidsveschillen............................................................ 40
HC10: Emotionele veroudering ............................................................................................................. 43
HC11: Diversiteit – Gender .................................................................................................................... 51
HC12: Leefstijl ........................................................................................................................................ 56
HC13: Mulimorbiditeit en polyfarmacie ................................................................................................ 70
HC14: Levenseinde zorg en ouderen ..................................................................................................... 75
Literatuur: .............................................................................................................................................. 81
1
,HC1: Introductiecollege
Geriatrie vs. Veroudering
• Geriatrie: Medische discipline die zich richt op de pathologie van veroudering, waaronder
verouderingsziekten en complexe gezondheidsproblemen bij ouderen.
• Gerontologie (veroudering): Wetenschappelijke studie van het normale proces van
veroudering, inclusief de lichamelijke, psychische en sociale veranderingen die hiermee
gepaard gaan.
Centrale vragen in de cursus:
De nationale wetenschapsagenda:
• Hoe kunnen zelfredzaamheid en participatie in de samenleving gestimuleerd worden?
• Hoe kunnen we nieuwe geneesmiddelen en -wijzen ontwikkelen om zo vitaal en gezond
mogelijk te blijven?
• Wat is de ultieme levensstijl om zo oud mogelijk te worden?
2
,De waardering voor ouderen kan zowel positief als negatief zijn en wordt vaak bepaald door twee
dimensies: warmte en competentie.
• Warmte verwijst naar eigenschappen zoals
vriendelijkheid, betrouwbaarheid en
zorgzaamheid.
• Competentie heeft betrekking op intelligentie,
kracht en vaardigheden.
Ageism: Negatieve benadering van ouderen en ouder
worden
Waar komt de negatieve beeldvorming van ouderen vandaan? Drie verschillende theorieën:
1. Terror Management Theory (TMT):
De confrontatie met de sterfelijkheid en de angst voor de dood kunnen leiden tot negatieve
beeldvorming over ouderen. Ouderen herinneren ons aan de eindigheid van het leven, wat
angst kan oproepen en negatieve stereotypen versterkt.
2. Social Identity Theory:
Mensen beoordelen hun eigen groep positiever dan andere groepen. Jongeren nemen vaak
afstand van ouderen omdat ze zich willen onderscheiden van de oudere generatie, wat kan
leiden tot negatieve beelden van ouderen.
3. Social Role Theory:
De sociale rol van een persoon beïnvloedt hoe zij worden beoordeeld. Als ouderen
bijvoorbeeld stoppen met werken, kan dit leiden tot het stereotype van "inactief" of "minder
waardevol", wat negatieve beeldvorming over ouderen versterkt.
De beeldvorming over ouderen kan worden veranderd door interventies die aansluiten bij de Social
Identity Theory en Social Role Theory. Effectieve strategieën hierbij zijn:
• Contacthypothese: Bevorderen van langdurig, direct en persoonlijk intergenerationeel
contact.
• Zelfbeeld versterken: Gespreksgroepen en coaching voor ouderen om hun zelfbeeld te
verbeteren en kennis over ouder worden te vergroten.
• Maatschappelijke rolverandering: Ouderen actiever betrekken in nieuwe sociale en
professionele rollen.
• Publiekscampagnes: Landelijke campagnes om stereotype beeldvorming te doorbreken en
positieve representatie van ouderen te stimuleren.
Het veranderen van de beeldvorming over ouderen is een langzaam proces dat diverse maatregelen
vereist, met aandacht voor diversiteit. Het doel is een genuanceerder en positiever beeld van
ouderen en het ouder worden te bevorderen.
3
, HC2: Cognitieve veroudering
1. Leerdoelen:
• Verschil tussen normale cognitieve achteruitgang en dementie.
• Kenmerken, oorzaken en gevolgen van dementie.
• Gedragsproblemen bij dementie en hun impact op de omgeving.
2. Wat is cognitie?
Cognitie omvat de mentale processen die betrokken zijn bij het waarnemen, verwerken en opslaan
van informatie, leren, redeneren en problemen oplossen. Verschillende cognitieve domeinen spelen
hierbij een rol:
• Aandacht: vermogen om informatie te selecteren en vast te houden.
• Geheugen: korte- en langetermijnopslag van informatie.
• Executieve functies: plannen, organiseren, impulsbeheersing en flexibiliteit in denken.
• Taal: begrijpen en produceren van gesproken en geschreven taal.
• Visuo-constructie: ruimtelijk inzicht en vermogen om objecten en vormen te herkennen en te
manipuleren.
• Sociale cognitie: herkennen en interpreteren van emoties, intenties en sociale signalen.
3. Normale cognitieve achteruitgang vs. dementie
• Normale cognitieve achteruitgang:
o Sommige functies verbeteren (zoals vocabulaire).
o Andere functies nemen af (verwerkingssnelheid, geheugen, werkgeheugen).
o Individuele verschillen beïnvloed door opleiding en levensstijl.
• Dementie:
o Meervoudige stoornissen in cognitie en/of gedrag die het dagelijks functioneren
belemmeren.
o Mild Cognitive Impairment (MCI): milde cognitieve stoornissen zonder dagelijkse
beperkingen; 50% ontwikkelt dementie binnen 3 jaar.
4