Hoofdstuk 1 : 1.8
Hoofdstuk 2 Hoe onze hersenen werken en zich ontwikkelen
Hoofdstuk 3 : Processen die een rol spelen bij het tot stand
komen van waarneming: 3.4 t/m 3.5
Hoofdstuk 4 Hoe wil leren door direct ervaring en door
nadoen
Hoofdstuk 5 Hoe wij denken en leren
Hoofdstuk 6 Hoe wij onthouden en vergeten
Hoofdstuk 7 Wat wij willen, motivatie.
Hoofdstuk 8 Wat wij voelen: Emoties
Hoofdstuk 9 Hoe wij op elkaar lijken en van elkaar
verschillen: persoonlijkheden
Hoofdstuk 10 Hoe wij met elkaar communiceren
Hoofdstuk 11 Hoe wij met elkaar omgaan
,1 HOE DACHT MEN VROEGER EN HOE DENK MEN NU OVER DE RELATIE TUSSEN ERFELIJKE AANLEG EN
ONGEVINGSINVLOEDEN
12. Jordi Cruijff is een voormalige profvoetballer die speelde voor onder andere FC Barcelona en
Manchester United. Hij is de zoon van Johan Cruijff. Jordi heeft dus net als zijn vader op hoog niveau
gevoetbald. Het voetballen werd hem bij wijze van spreken thuis met de paplepel ingegoten.
Welke visie op de relatie tussen aanleg en omgeving is van toepassing op het gedrag van Jordi?
= Een passief gen-omgevingsverband
HOE KONT ONZE ERFELIJKE AANLEG TOT STAND?
Chromosomen is een drager van een deel van het erfelijk materiaal (ADN)va een organisme.( een persoon
heeft 23 paren chromosomen.
DNA DNA is de afkorting voor desoxyribonucleïnezuur. Het bevat alle erfelijke informatie van het
organisme en wordt ook wel het genetisch materiaal genoemd. DNA is de afkorting voor
desoxyribonucleïnezuur.
Genen ( recessief. Dominant) zijn stukjes DNA die een erfelijke code bevatten, Zij zijn onderdeel van
chromosomen
Dominante genen bepalen de zichtbare eigenschap
Recessief genen l is een gen dat alleen tot uiting komt wanneer er geen dominant allel aanwezig is
Genotype
Fenotype
Hoe dacht men vroeger en hoe denkt men nu over de relatie tussen erfelijke aanleg (nature) en
omgevingsinvloeden (nature) op het ontstaan van menselijke eigenschappen?
- Gen-omgevingscorrelatie (passief, evocatief en actief verband)
- Gen omgevingsinteractie
- Erfelijk voorbereid gedrag
1.8.1 het debat waar gaat het om?
In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw lag het accent sterk op de invloed van de
omgeving.
In de jaren negentig van de vorige eeuw sloeg de balans in het debat door naar de nature-kant. Ze
dachten dat genen ons gedrag zouden bepalen.
In 2003 kwam het nature-denken tot een hoogtepunt, toen voor het eerst de hele volgorde van een
menselijk DNA werd gepubliceerd
Genotype: de verzameling erfelijke eigenschappen van een persoon die hij heeft 'gekregen' van zijn
biologische ouders. Het is over het algemeen niet zichtbaar aan een persoon.
,Fenotype: het (vaak zichtbare) resultaat van de interactie tussen het genotype en de
omgeving. Voorbeelden zijn lichamelijke kenmerken zoals lengte, gewicht, kleur van de
ogen, maar ook psychische kenmerken zoals intelligentie, verlegenheid of psychische
stoornissen. Fenotype wordt beïnvloed door zowel erfelijke aanleg (het genotype) als
door de omgevingen waarbinnen we opgroeien en waarbinnen we nu functioneren. Vb.
lengte is afhankelijk van de genen die je mee krijgt en van je omgeving zoals kwaliteit
van voedsel en slaap.
1.8.2 nieuwe visies op de relatie tussen nature en nurture
Tegenwoordig weten we dat beide factoren, aanleg en omgeving een rol spelen bij het ontstaan van
gedrag en dat de een zelfs niet zonder de ander kan. De combinatie ervan wordt genomgevingscorrelatie
genoemd.
Correlatie betekent samenhang. Er zijn 3 types hiervan:
Gen-omgevingscorrelatie
Gen-omgevingscorrelatie: de genen selecteren de omgeving die bij de persoon past.
Iemand met genetische aanleg voor denksporten zal meer gericht zijn op bijvoorbeeld
het verkrijgen van schaaklessen. En als het gebeurt zal hij laten merken dat hij het leuk
vindt en het vaker wil doen.
Drie typen gen-omgevingscorrelaties die op verschillende leeftijden actief zijn: PASSIE VERBAND.
EVOCATIE VERBAND. ACTIEF VERBAND ( POWER P)
EIGENSCHAPPEN ZIJN ALTIJD EEN GEVOLD VAN DE INTERACTIE TUSSEN OMGEVINGS FACTOREN EN
ERFELIIJKE FACTOREN
Interactie tussen omgeving en aanleg
- Eigenschappen zijn altijd een gevolg van de interactie tussen omgevingsfactoren en erfelijke
aanleg.
3 vormen VAN CORRELATIE:
1) Passief gen-omgevingsverband - Genetische aanleg van kind komt overeen met genetische aanleg van
de ouders.
Bijv. beide hebben aanleg voor muzikaliteit. Kans is dan groot dat het in aanleg muzikale kind
opgroeit in een muzikale omgeving. Daardoor wordt de aanleg uitvergroot.
: Dit vindt plaats omdat biologische ouders, die genetisch verwant zijn aan het kind, zonder er erg bij na te
denken een opvoedingsomgeving aan het kind bieden die bij zijn aanleg past.
, 2) Evocatief gen-omgevingsverband
- Genetisch bepaalde eigenschappen van het kind lokken specifieke reactie sluit bij de omgeving. Deze
reacties versterken de al aanwezige aanleg.
Bijv. het vrolijke kind dat enthousiaste reacties oproept bij opvoeders of het ongehoorzame kind dat
gestraft wordt.
3) Actief gen-omgevingsverband
- Kind of volwassene kiest zelf de omgeving uit die bij zijn aanleg past. Hiermee wordt de al
aanwezige aanleg nog verder vergroot (v.a. ouder kind).
Bijv. het kind met een sportieve aanleg die een omgeving zoekt die bij deze aanleg past.
Treedt op bij kinderen die al wat ouder zijn en bij volwassenen. De persoon is dan in staat om zelf de
omgevingen te kiezen die bij zijn aanleg past.
Dus genen en omgeving zijn geen losstaande factoren maar ze beïnvloeden elkaar.
Genen kunnen aan en uitgezet worden door omgevingsinvloeden
Anderson invloed van de omgeving verschilt naar geland de erfelijke aanleg van een persoon
Gen-omgevingsinteractie: effect van genen veranderd in een bepaalde omgeving.
- Genen kunnen aan- of uitgezet worden door omgevingsinvloeden.
- Invloed van omgeving verschilt na gelang de erfelijke aanleg van een persoon.
Gen-omgevingsinteractie: (wisselwerking)
Het wordt ook wel aangeduid als G × O
Erfelijk voorbereid gedrag: de werking van iemands DNA is afhankelijk van een omgeving
met bepaalde kenmerken. Aanhangers van deze visie noemen dit erfelijk voorbereid
gedrag.
Conclusie: genen en omgeving zijn geen losstaande factoren, maar beïnvloeden elkaar en hebben elkaar
nodig.
OEFENING
De mate waarin iemand zelf bepalen functies oefent is van invloed op de specialisaties van zijn
hersenen.
Oefening is van invloed. Werk maakt sterker, oefening baart kunst, gebruiken maken van vaardigheden
en deze oefenen blijft levenslang van belang .use it of lose it
1.8.3
Gen-omgevingsinteractie: het effect van de genen wordt veranderd door een bepaald soort omgeving en