Elliot Aronson, Timothy D. Wilson, Samuel R. Sommers
Daphne van Loon, Niels Jacobs, Janneke Jolij, Lotte Pierik & Willem Vos
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1, inleiding tot de sociale psychologie ........................................................................... 2
Hoofdstuk 2, methodologie ........................................................................................................... 4
Hoofdstuk 3, sociale cognitie ........................................................................................................ 7
Hoofdstuk 4, sociale perceptie ...................................................................................................... 9
Hoofdstuk 5, het zelf ....................................................................................................................13
Hoofdstuk 6, cognitieve dissonantie & beschermen van zelfbeeld .................................................18
Hoofdstuk 7, attitudes en attitudeverandering ..............................................................................22
Hoofdstuk 8, conformisme en gehoorzaamheid ............................................................................27
Hoofdstuk 9, groepsprocessen .....................................................................................................31
Hoofdstuk 10, aantrekkingskracht en relaties ...............................................................................37
Hoofdstuk 11, prosociaal gedrag ..................................................................................................42
Hoofdstuk 12, agressie en agressief gedrag ...................................................................................46
Hoofdstuk 13, vooroordelen .........................................................................................................50
Hoofdstuk 1 t/m 3 bestaan alleen uit begrippen en ondersteunende plaatjes uit het boek.
Hoofdstuk 4 t/m 13 bestaan uit volledige samenvattingen van de hele tekst van dat
hoofdstuk uit het boek.
,Hoofdstuk 1, inleiding tot de sociale psychologie
1.1
Psychologie: De wetenschappelijke studie naar het gedrag en het innerlijke leven (gedachten
en gevoelens) van mensen.
Sociale psychologie: De wetenschappelijke studie naar de manier waarop de werkelijke of
denkbeeldige aanwezigheid van mensen de gedachten, gevoelens en gedragingen van
andere mensen beïnvloedt.
Sociale invloed: Het effect dat de woorden, daden of alleen al de aanwezigheid van andere
mensen hebben op onze gedachten, houdingen en/of gedrag.
Empirische methode: Op waarneming en/of onderzoek gebaseerde methode voor het
toetsen van hypothesen.
Hypothese: Een als voorlopige waarheid aangenomen, maar nog te bewijzen onderstelling
Determinant: Bepalende factor in een ontwikkeling of toestand.
Evolutionaire psychologie: Wetenschappelijke discipline die sociaal gedrag probeert te
verklaren op basis van erfelijke factoren die zich door de tijd heen hebben ontwikkeld volgens
de principes van natuurlijke selectie.
Natuurlijke selectie: Het verschijnsel dat in de evolutie sommige organismen uit een
bepaalde populatie beter in hun omgeving passen en zo meer kans hebben om te zorgen voor
overlevende nakomelingen dan minder goed aangepaste organismen.
Individuele verschillen: Die aspecten van de persoonlijkheid die mensen onderscheiden van
anderen.
Sociologie: De studie naar algemene wetten en theorieën over groepen en samenlevingen, in
plaats van individuen. Houdt zich bezig met constructen.
Construct: De manier waarop mensen de sociale wereld waarnemen, begrijpen en
interpreteren.
,1.2
Fundamentele attributiefout: Neiging om de mate waarin iemands gedrag wordt
veroorzaakt door de rol van persoonlijke eigenschappen en andere interne factoren te
overschatten en de rol van externe, situationele factoren te onderschatten (ook wel
correspondentievertekening genoemd).
→ Belangrijk: Macht van de situatie
Attributie: Het toeschrijven van oorzaken aan het eigen of aan andermans gedrag en het
daarmee voorzien van verklaringen.
Self-serving bias: De oorzaak van succes ligt in de eigen competenties en inspanningen, de
oorzaak van fouten ligt bij externe factoren.
1.3
Behaviorisme: Psychologische stroming die ervan uitgaat dat je om menselijk gedrag te
kunnen begrijpen slechts hoef te kijken naar de bekrachtigende of straffende eigenschappen
van de omgeving.
Gestaltpsychologie: Psychologische stroming die het belang benadrukt van het bestuderen
van de persoonlijke (subjectieve) manier waarop een object wordt waargenomen (het gestalt
of geheel), in plaats van het bestuderen van de manier waarop de objectieve, fysieke
eigenschappen zich combineren tot het object.
Fenomenologie: Filosofische stroming die probeert door de geestelijk-intuïtieve beschouwing
(door de directe ervaring) van de dingen, niet door rationele kennis, de wereld en het wezen
der dingen te beschrijven.
De macht van sociale interpretatie:
4 basisprincipes:
1) We zoeken naar samenhang (gestaltpsychologie)
2) Behoefte aan een positief zelfbeeld (eigen gedrag rechtvaardigen)
3) We creëren een accuraat beeld van de wereld en maken keuzes op basis van
aanwezige kennis
4) Onbewuste en automatische reacties (onbewuste beïnvloeding, self-fulfilling
prophecy)
Naïef realisme: De overtuiging dat we dingen waarnemen zoals ze echt zijn, daarbij
onderschattend hoeveel we dat wat we zien, interpreteren of zelfs verdraaien.
1.4
Zelfwaardering: De beoordeling van mensen van wat ze zelf waard zijn; dat wil zeggen: de
mate waarin ze zichzelf als goed, competent en fatsoenlijk zien.
Positieve zelfwaardering: Een positieve waardering van zichzelf, dat wil zeggen: zichzelf
beschouwen als bijvoorbeeld goed, competent en beschaafd.
Zelfverheffingsmodel: De voorkeur die mensen hebben voor informatie die hen in een positief
daglicht stelt, ofwel voor informatie die hun zelfwaardering doet stijgen.
, Sociale cognitie: Hoe mensen denken over zichzelf en de sociale wereld; het selecteren,
interpreteren, herinneren en gebruiken van sociale informatie om oordelen te vormen en
beslissingen te nemen.
Accuraatheidsmotief: De behoefte van mensen om een beeld te creëren dat zo veel mogelijk
met de werkelijkheid overeenkomt.
Hoofdstuk 2, methodologie
2.1
Hindsight bias: De neiging van mensen om hun vermogen om een uitkomst te voorspellen te
overdrijven nadat ze te weten zijn gekomen hoe die uitkomst eruitziet.
Bystander effect: Het fenomeen dat hoe meer mensen bij elkaar zijn, hoe minder ze geneigd
zijn om een persoon in nood te helpen, omdat de verantwoordelijkheid om in te grijpen
verdeeld wordt over het aantal aanwezigen.
Overzicht onderzoeksmethoden (2.2/2.3/2.4)
Methode Focus Beantwoorde vraag
Observationeel Beschrijven Wat is de aard van het
fenomeen?
Correlationeel Voorspellen Als we X kennen, kunnen we
Y dan voorspellen?
Experimenteel Causaliteit Is variabele X de oorzaak van
variabele Y?
2.2
Observationele methode: Techniek waarbij een onderzoeker mensen observeert en metingen
of indrukken over hun gedrag systematisch vastlegt.
Etnografie: Methode waarbij een onderzoeker probeert een groep of cultuur te begrijpen
door die van binnenuit te observeren, zonder de groep zijn eigen normen en waarden op te
leggen.
Operationaliseren: Het meetbaar maken van een abstract concept door observeerbare
fenomenen te selecteren die het abstracte concept representeren, waardoor het abstracte
concept als meetbare variabele te gebruiken is in onderzoek.
Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid: De mate van overeenkomst tussen de resultaten van
twee of meer mensen die onafhankelijk van elkaar een(zelfde) dataset observeren en
coderen.
Archiefanalyse: Vorm van de observationele methode waarbij de onderzoeker de verzamelde
documentatie, oftewel de archieven, van een cultuur onderzoekt (bijvoorbeeld dagboeken,
romans, tijdschriften en kranten).
2.3
Correlationele methode: Techniek waarbij twee of meer variabelen systematisch worden
gemeten en waarmee wordt vastgesteld wat de relatie is tussen die variabelen.