I
Jupiters berg
1
In de vroege ochtend ziet de verteller twee vermoeide mensen een dorp naderen (de vrouw is
zwanger). Ze lijken op de vlucht, waarschijnlijk door verschillende landschappen gelopen. De verteller
overweegt hen gastvrijheid aan te bieden en maakt zich zorgen over hun veiligheid. De scène wordt
in levendig detail beschreven, waarbij de schoonheid van de omgeving wordt benadrukt.
De verteller gaat uiteindelijk verder met zijn eigen dag, maar hij voelt nog steeds een gevoel van
bezorgdheid voor het stel. (Er is een overlapping van het vertelperspectief: de verteller is de schrijver,
alsof hij werkelijk daar in die tijd is, maar het wordt later gezegd dat de ogen van de rabbijn zijn die
het stel zien in 1091. Lees de verhaalanalyse hierover.)
De auteur gaat verder met een historische reconstructie van het dorp, die werd ooit de berg van
Jupiter genoemd. Het heeft een lange geschiedenis, met zijn eerste stenen bouwwerken die voor het
begin van de christelijke jaartelling werden gebouwd. Het dorp heeft door de eeuwen heen overleefd
met reparaties en versterkingen, daardoor heeft nog veel oude huizen en een oude kapel met
Latijnse inscripties. Het is een toevluchtsoord geweest voor verschillende groepen, waaronder Joden
en Hugenoten.
Het dorp is grotendeels onveranderd gebleven, met herders die nog steeds passeren en zijn oude
kerk waar nog steeds de zondagsmis wordt gehouden. De winters zijn streng met zware sneeuwval,
terwijl de zomers heet en droog zijn. Het dorp is nu bereikbaar over de weg, maar vroeger was het
moeilijk te bereiken. Tijdens de middeleeuwen lagen de huizen verspreid over moeilijk begaanbaar
terrein en hadden ze last van watervervuiling.
2
Het is het jaar 1091 toen de twee benoemde vluchtelingen arriveerde in het dorp op zoek naar
bescherming. De dorpsrabbijn, Joshua Obadiah, maakt zich zorgen over hun welzijn, niet alleen
vanwege hun gemengde huwelijk maar vooral omdat een van hen, Hamoutal, zwanger en gewond is.
De vluchtelingen zijn uit Narbonne gevlucht om aan vervolging te ontsnappen. De vrouw van de
rabbijn verzorgt Hamoutal's verwondingen terwijl de rabbijn de situatie bespreekt met David Todros,
Hamoutal's echtgenoot. Het verhaal speelt zich af in een tijd van politieke instabiliteit en religieuze
spanningen, waarin feodale heren aan de macht komen en Joodse gemeenschappen worden
aangevallen. De vader van David, ook rabbijn, zoals Obadiah, stuurt zijn zoon en schoondochter voor
hun veiligheid naar een afgelegen dorp in de Vaucluse, waar zijn oude vriend, Obadiah, hen onderdak
zal bieden. De beslissing om ze deze kant op te sturen is strategisch, omdat het ver buiten het bereik
ligt van degenen die hen kwaad willen doen.
De auteur (nu aan het woord, in het heden) verkent de middeleeuwse ruïnes van een wijk in het
dorp, wijk dat nu "Le Jardin de Saint-André" heet, en denkt na over de huidige pogingen om de oude
muren te herstellen en te reconstrueren. Het dorp was ooit dichtbevolkt en bruiste van activiteit,
,maar nu lijkt het een vredige tuin. De schrijver denkt na over hoe belangrijk de plek vroeger was en
weet waarschijnlijk waar de synagoge en het huis van David Todros vroeger stonden. Als hij terug
gaat naar zijn huis in de nieuwere gedeelte van het dorp, haalt hij een wetenschappelijk artikel over
het dorp dat aan hem werd gegeven door een oudere buurman. Het artikel, getiteld "Monieux," gaat
in op de oude Hebreeuwse geschiedenis van het dorp.
3
De jonge vrouw (Hamoutal) met een verstuikte voet zit in een bad met lavendelolie en haar man
realiseert zich hoe uitgeput ze is. Haar voet geneest niet goed en ze heeft blauwe plekken van een
bloedprop. De baby beweegt krachtig in haar buik en de rabbi is bezorgd dat ze binnenkort zal
bevallen. Ze wordt te rusten gelegd op een kleine bed en er wordt een vuur gemaakt om haar warm
te houden. Ze valt snel in slaap. De scène verschuift naar een rustige dag met een buizerd die boven
een steile klif hangt. De rabbi vraagt zich af hoe hij aan de achterdochtige priester moet uitleggen dat
de blonde vrouw met blauwe ogen een Sefardische Jood is. Als de zon ondergaat, wordt de jonge
vrouw wakker in een donkere kamer, gedesoriënteerd en met pijn. Een oude vrouw komt binnen
met water en doeken en gaat zwijgend naast haar zitten. Na pijnlijke weeën valt ze weer in slaap. Ze
wordt midden in de nacht wakker, moet plassen en gaat naar buiten. Ze begint onbewust te bevallen
tussen de rotsen, waarbij ze zichzelf verwondt. Er komt hulp en de baby wordt gered. Het verhaal
eindigt met de vermelding van een wegglijdende slang (let op: symbool).
Na de geboorte van hun kind begint het echtpaar in het afgelegen dorp zich veiliger te voelen voor
de dreiging waarmee ze ooit werden geconfronteerd. Ze zijn nog steeds bang als ze terugdenken aan
de duistere figuren van de groep ruiters, destijds in het smalle straatje van Toulouse. Op de achtste
dag wordt hun zoon besneden en krijgt hij de naam Ja'akov.
De traditie om de eerstgeboren zoon vrij te kopen wordt nageleefd: de aanwezige mannen eten
knoflook om kwade geesten weg te houden, en Obadiah, die de rol van Cohen (joden priest) vervult,
wordt door David een symbolisch bedrag betaald.
Ondertussen trekt een groep ridders, onder leiding van Raymond van Toulouse, door het dorp;
Raymond is op de hoogte van de hoge beloning die tegenover het vinden van de twee vluchtelingen
staat, maar het komt bij hem niet op dat ze hier zouden kunnen verschuilen.
David merkt wel hun aanwezigheid en wordt ongerust. Zijn vrouw, Hamoutal, wordt biddend
aangetroffen en David herinnert haar dat ze niet christelijke gebeden meer zou moeten zeggen. Ze
gaat weer liggen herinnerend zich de geur van wierook in een kerk aan zee.
4
De jonge moeder heeft moeite om zich aan te passen aan het eenvoudige, harde dorpsleven. Het valt
haar op de vele slakken en padden die ze tegenkomt op een regenachtige avond, en moet met afkeer
denken aan de gewoonte van de dorpelingen om die slakken te koken en op te eten. Ze vraagt zich af
wat het doel is van dit ruwe leven die ze niet kende in haar oude leven in Normandië. Soms snapt ze
ook niet het verschil tussen de Joodse religie en haar eigen. Door het afzweren van het geloof van
haar ouders, is ze in een vacuüm terecht gekomen.
Ze kan haar twijfels met niemand bespreken: “christenen zouden haar onmiddellijk brandmerken als
een heks en op de brandstapel willen, Joden zouden haar erop wijzen dat ze als proseliet onwaardig is
wanneer ze twijfelt en nooit in de Joodse gemeenschap kan worden opgenomen”. Ondanks haar
pogingen om erbij te horen, wordt ze toch door de dorpelingen onverschillig behandeld of met een
veelzeggende stilte in haar aanwezigheid.
,“Op een dag gooien enkele kinderen keitjes naar haar en zingen een liedje: Mouri Jusiou, mouri –
sterf Jood, sterf.” Uiteindelijk accepteert ze haar rol als buitenstaander.
5
De winter is streng, het dorp is bedekt met sneeuw en er waait een ijskoude mistralwind. De
dorpelingen vechten om te overleven, eten het weinige voedsel dat ze nog hebben en nemen zelfs
hun toevlucht tot het koken van honden. De kou en de honger eisen hun tol, kinderen worden mager
en de kelders worden geteisterd door ratten. Het verhaal speelt zich af in het Joodse jaar 4852 en het
Christelijke jaar 1091. Het dorp staat op de rand van een ramp wanneer een enorme rots losraakt
van de berg, die op wonderbaarlijke wijze, vlak boven de synagoge, tot stilstand komt.
6
Jaren later is er niet veel veranderd in hun leven, behalve hun verweerde uiterlijk. Ja'akov speelt
alleen op straat terwijl Hamoutal worstelt om de lokale taal te begrijpen. Ze zwerft door de vallei met
andere Joodse vrouwen en probeert rust te vinden in het midden van de politieke spanningen en
chaos in de wereld. Angst en achterdocht jegens Joden groeit in de steden en dorpen. Hamoutal
denkt na over haar beslissing om haar vorige leven achter te laten voor haar man en maakt zich
zorgen over haar ouders in Rouen en ze denkt aan het feit dat ze een tweede kind draagt.
II
Rouen
1
Hamoutal was eigenlijk als Vigdis Adelaïs geboren in het jaar 1070 in de Normandische stad Rouen,
met “blonde haren en lichtjes loensende blauwe ogen”. Ze is de dochter van een afstammeling van de
Vikingen die zich in de regio vestigden. Na verloop van tijd raken de Vikingen geïntegreerd in de
lokale samenleving en nemen ze een vreedzamere levensstijl aan. Vigdis groeit op in een welvarende
gezin. De al rijke en actieve stad, dankzij de handel en zijn positie aan de Seine, kent een groei in
landbouw, wat leidt tot nog betere leefomstandigheden en een langere levensverwachting. Vigdis
weet echter niet dat de eeuw zal eindigen met catastrofale gebeurtenissen.
Vigdis Adelaïs krijgt vanaf haar zesde thuisonderwijs. Onderwijs was vooral een statussymbool voor
patriciërs (rijk en hoog positie in stad) van die dagen. Haar vrijheid wordt beperkt als ze 10 jaar oud
wordt en ze wordt geleerd elegant en welgemanierd te zijn om hooggeplaatste vrijers aan te trekken.
Op een avond toen ze een kleine meisje was, hoort ze haar ouders ruziën over de kerk en de
corruptie van bisschoppen. Haar vader bekritiseert het groeiende antisemitisme en haar moeder
verdedigt de kerk.
“Hij fulmineert tegen de kerkleiders en veroordeelt in scherpe bewoordingen de corruptie van
sommige bisschoppen, die systematisch hun eigen verwanten op machtsposities benoemen.
Haar moeder verheft haar stem en verdedigt de kerk en de priesters met een heftigheid die Vigdis
bang maakt. Ze verwijt haar man dat hij er ketterse ideeën op na houdt.
Haar vader snuift, plant zijn mes in het tafelblad en zegt dat de groeiende Jodenhaat van het
gepeupel door de priesters wordt aangewakkerd en dat hem dat niet aanstaat omdat het voor
onveiligheid en vechtpartijen zorgt in de stad.
, Haar moeder bekruist zich en sist dat de Joden tenslotte de Heiland aan het kruis hebben genageld en
dat haar man als afstammeling van een van de Noormannen anders ook wel weet wat geweld is, met
al die vechtjassen van ooms en neven van hem, of niet soms?
De vader bijt haar toe dat de Joden net als de Noormannen in vrede willen leven, maar dat priesters
en zeloten vaak de geheime aanstokers van relletjes zijn.
Haar moeder mompelt verongelijkt dat de Joden in elk geval de schuld dragen van de vernietiging van
de Heilige Grafkerk in Jeruzalem, omdat ze de moslims binnen hebben gelaten in de stad.
Haar vader zegt scherp dat al die stemmingmakerij over voettochten naar Jeruzalem en
vergeldingsacties in het Oosten hem de keel uithangen.
Haar moeder bijt terug dat Jeruzalem toch bevrijd zal moeten worden van die duivelse Saracenen, en
dat de verwoesting van de Heilige Grafkerk door die demon van een Al-Hakim, zeventig jaar eerder,
een schande voor de hele christenwereld is.
Waarna haar vader geërgerd zucht dat de Heilige Wulfram Normandië het land heeft genoemd waar
verschillende naties aan elkaar zullen worden gesmeed.”
Ondanks dat ze het gesprek niet helemaal begrijpt, veel later, als volwassen, zal Vigdis alles
herinneren, woord bij woord heel levendig en zal hun een plaatsje kunnen geven.
2
Later, toen Vigdis 15 jaar was, is ze er getuige van dat een jongen wordt achtervolgd en geslagen
door een koopman omdat hij een tas heeft gestolen. Een ridder grijpt in en slaat de jongen, die valt
en verder aangevallen wordt op een zeer gruwelijk wijze door toeschouwers.
Vigdis is diep getroffen door het geweld, krijgt een huilbui en beeft.
3
De opperrabbijn van Narbonne stuurt, 2 jaren na de shocking ervaring van Vigdis, zijn zoon David
naar Rouen om te studeren. David studeerde in deze tijd in de yeshiva van Rodom, zoals Rouen toen
heette. Deze rabbijnenschool was gerenommeerd van heinde en verre. De Joodse gemeenschap in
Rouen was aanzienlijk, met 5.000 Joodse inwoners; samen Narbonne de grootste joden
gemeenschap. Het verhaal volgt Davids ervaringen in Rouen, waar hij te maken krijgt met spanningen
tussen christenen en joden. Zijn vader waarschuwt hem voor de gevaren, maar David wordt
blootgesteld aan de geschiedenis van de Joodse vervolging in de regio.
4
In de lente van 1088 wordt de westerse wereld geconfronteerd met onrust en chaos. Valse profeten
en andersdenkenden zaaien verwarring en zetten de bevolking aan tegen de priesters. “Hier en daar
wordt een kerel gelyncht, een boer afgeranseld, een hoeve in de fik gestoken, een rekening met botte
messen of een bijl vereffend.” De heersende klasse, vooral de Normandiërs, handhaven de orde door
middel van geweld en controle over de boeren. Vigdis Adelaïs, (hier volgt een gedetailleerd
beschrijving van haar), op een dag kruist de ogen van een Joden Jonen (David) terwijl ze met haar
begeleidster naar haar kerk, in de buurt van de rabbijnenschool, wandelt. Ze gaat dan meerdere
keren de komende dagen langs die weg om hem weer te zien. Op een bepaald moment is het
duidelijk dat ze verliefd op hem is geraakt. Haar gouvernante raadt haar af om dit verboden
verlangen, maatschappelijke taboe, na te streven.
5
In het jaar 1088, wanneer ontvouwt zich de verboden liefde tussen de christelijk Vigdis Adelaïs en de
joodse David, bevinden we in een maatschappij waar gearrangeerde huwelijken de norm zijn. Hun
liefde wordt gezien als onverantwoordelijk en tegen de maatschappelijke verwachtingen in. Ondanks