VD herkansing samenvatting Blok 2 Esmée du Pont
Samenvatting VD: Fitheid en motorische
eigenschap
blok 2, week 1
Fitheid
Fitheid = de eigenschap om alle dagelijkse dingen te kunne uitvoeren zonder dat
vermoeidheid optreedt.
2 aspecten van fitheid:
Prestatie gerelateerde fitheid Gezondheid gerelateerde fitheid
- Spierkracht - Lichaamsbouw en samenstelling
- Spiervermogen - Spier skeletstelsel
- Uithoudingsvermogen - Cardio-respiratior
- Lenigheid - Metabool
- Coördinatie
Motorische vaardigheid = niveau van een vaardigheid voor heel specifieke
motorische taak
Motorische eigenschap = meer algemene/basiseigenschap die bij meerdere
motorische taken van pas kan komen.
Bewegingsvaardigheid
CLUKS -> Coördinatie, Lenigheid, Uithoudingsvermogen, Kracht, Snelheid:
vroeger dachten we dat dit dan zo genoemd ‘conditie’ was
Fundameltele beweginsvaardigheden (FMS):
- Locomotorische vaardigheden
o Verplaatsen vh lichaam
- Stabiliteitsvaardigheden
o Balanceren vh lichaam: statisch + dynamisch
- Manipulatieve vaardigheden
o Objectcontrole met lichaam of voorwerp
Coördinatieve vermogens
Cruciale periode tussen 6e jaar en groeispurt (met als cruciale periode 10-13
jaar).
Laat bloeiers: kunnen later profiteren van verlengde periode waarin coördinatieve
vermogens relatief goed ontwikkeld kunnen worden.
Kids in de groeispurt:
- Verstoorde coördinatie door verandering van lichaamsverhouding
- Moeite met balans en bewegingsprecisie
- Training aanpassen om overbelasting te voorkomen
1
, VD herkansing samenvatting Blok 2 Esmée du Pont
Coördinatieve vermogens:
1. Aanpassingsvermogen
2. Evenwichtsvermogen
3. Koppelingsvermogen
4. Kinetisch differentiatievermogen
5. Ruimtelijke oriëntatie vermogen
6. Complex reactievermogen
7. Ritmisch vermogen
1. Aanpassingsvermogen
Het beste kunnen aanpassen aan de situatie.
Reageren op wat de tegenstander doet.
2. Evenwichtsvermogen
Het vermogen om het lichaam stabiel te houden, ongeacht de omgeving
(statisch of dynamisch).
Bijvoorbeeld balanceren met een medicijnbal boven je hoofd.
Belangrijk voor evenwichtsvermogen: proprioceptie = het vermogen om de
positie van het eigen lichaam/lichaamsdelen waar te nemen.
Visus, gehoor en het vestibulaire systeem zijn hierbij belangrijk.
3. Koppelingsvermogen
Het vermogen om verschillende lichaamsdelen en bewegingen efficiënt
aan elkaar te koppelen in een vloeiende beweging.
Bijvoorbeeld bij het gooien van een bal: de beweging van schouder,
elleboog, pols en hand werken nauw samen.
Nauw verbonden met kinetisch differentiatievermogen.
4. Kinetisch differentiatievermogen
Het vermogen om bewegingen te variëren en af te stemmen op gebieden
zoals afstand, kracht, timing, snelheid en vorm.
Bijvoorbeeld: het inschatten van een bal, de nauwkeurigheid van een pass,
een bal goed kunnen gooien.
Proprioceptie speelt hierbij een grote rol.
5. Ruimtelijk oriëntatievermogen
Het vermogen om constant je positie te bepalen ten opzichte van
teamgenoten, tegenstanders en materialen waarmee je werkt.
Bijvoorbeeld bij trefbal, hockey, basketbal.
Tijd speelt een belangrijke rol.
Split-vision: meer zien dan alleen waar je naar kijkt.
6. Complex reactievermogen
Het vermogen om snel en doelmatig te beslissen en te handelen op basis
van zicht, gehoor en gevoel.
Deliberate play (bewust spelenderwijs leren).
Bijvoorbeeld bij volleybal.
7. Ritmisch vermogen
Het vermogen om timing binnen een beweging correct te uiten.
Bijvoorbeeld bij dans, tennis (tik-tak), of ritmische bewegingen in andere
sporten.
2
Samenvatting VD: Fitheid en motorische
eigenschap
blok 2, week 1
Fitheid
Fitheid = de eigenschap om alle dagelijkse dingen te kunne uitvoeren zonder dat
vermoeidheid optreedt.
2 aspecten van fitheid:
Prestatie gerelateerde fitheid Gezondheid gerelateerde fitheid
- Spierkracht - Lichaamsbouw en samenstelling
- Spiervermogen - Spier skeletstelsel
- Uithoudingsvermogen - Cardio-respiratior
- Lenigheid - Metabool
- Coördinatie
Motorische vaardigheid = niveau van een vaardigheid voor heel specifieke
motorische taak
Motorische eigenschap = meer algemene/basiseigenschap die bij meerdere
motorische taken van pas kan komen.
Bewegingsvaardigheid
CLUKS -> Coördinatie, Lenigheid, Uithoudingsvermogen, Kracht, Snelheid:
vroeger dachten we dat dit dan zo genoemd ‘conditie’ was
Fundameltele beweginsvaardigheden (FMS):
- Locomotorische vaardigheden
o Verplaatsen vh lichaam
- Stabiliteitsvaardigheden
o Balanceren vh lichaam: statisch + dynamisch
- Manipulatieve vaardigheden
o Objectcontrole met lichaam of voorwerp
Coördinatieve vermogens
Cruciale periode tussen 6e jaar en groeispurt (met als cruciale periode 10-13
jaar).
Laat bloeiers: kunnen later profiteren van verlengde periode waarin coördinatieve
vermogens relatief goed ontwikkeld kunnen worden.
Kids in de groeispurt:
- Verstoorde coördinatie door verandering van lichaamsverhouding
- Moeite met balans en bewegingsprecisie
- Training aanpassen om overbelasting te voorkomen
1
, VD herkansing samenvatting Blok 2 Esmée du Pont
Coördinatieve vermogens:
1. Aanpassingsvermogen
2. Evenwichtsvermogen
3. Koppelingsvermogen
4. Kinetisch differentiatievermogen
5. Ruimtelijke oriëntatie vermogen
6. Complex reactievermogen
7. Ritmisch vermogen
1. Aanpassingsvermogen
Het beste kunnen aanpassen aan de situatie.
Reageren op wat de tegenstander doet.
2. Evenwichtsvermogen
Het vermogen om het lichaam stabiel te houden, ongeacht de omgeving
(statisch of dynamisch).
Bijvoorbeeld balanceren met een medicijnbal boven je hoofd.
Belangrijk voor evenwichtsvermogen: proprioceptie = het vermogen om de
positie van het eigen lichaam/lichaamsdelen waar te nemen.
Visus, gehoor en het vestibulaire systeem zijn hierbij belangrijk.
3. Koppelingsvermogen
Het vermogen om verschillende lichaamsdelen en bewegingen efficiënt
aan elkaar te koppelen in een vloeiende beweging.
Bijvoorbeeld bij het gooien van een bal: de beweging van schouder,
elleboog, pols en hand werken nauw samen.
Nauw verbonden met kinetisch differentiatievermogen.
4. Kinetisch differentiatievermogen
Het vermogen om bewegingen te variëren en af te stemmen op gebieden
zoals afstand, kracht, timing, snelheid en vorm.
Bijvoorbeeld: het inschatten van een bal, de nauwkeurigheid van een pass,
een bal goed kunnen gooien.
Proprioceptie speelt hierbij een grote rol.
5. Ruimtelijk oriëntatievermogen
Het vermogen om constant je positie te bepalen ten opzichte van
teamgenoten, tegenstanders en materialen waarmee je werkt.
Bijvoorbeeld bij trefbal, hockey, basketbal.
Tijd speelt een belangrijke rol.
Split-vision: meer zien dan alleen waar je naar kijkt.
6. Complex reactievermogen
Het vermogen om snel en doelmatig te beslissen en te handelen op basis
van zicht, gehoor en gevoel.
Deliberate play (bewust spelenderwijs leren).
Bijvoorbeeld bij volleybal.
7. Ritmisch vermogen
Het vermogen om timing binnen een beweging correct te uiten.
Bijvoorbeeld bij dans, tennis (tik-tak), of ritmische bewegingen in andere
sporten.
2