Samenvatting
1. De objectieve zijde van een strafbaar feit
Tekstboek De Hullu, hoofdstuk 3 par 1.1 -1.3, 2, 3 en 4.
1.0 Inleiding
DE OBJECTIEVE ZIJDE VAN HET STRAFBARE FEIT
De objectieve zijde van een strafbaar feit betreft de uitwendige, waarneembare
kenmerken van het delict, zoals:
de delictsgedraging (handelen of nalaten),
daderschap (wie heeft het feit gepleegd?),
causaliteit (is het gevolg toe te rekenen aan de gedraging?),
wederrechtelijkheid (is het gedrag in strijd met het recht?),
tijd en plaats van het feit.
Deze elementen staan tegenover de subjectieve zijde (zoals opzet en schuld),
maar de scheiding is niet absoluut: objectieve kenmerken hebben vaak een
normatieve dimensie en subjectieve elementen kunnen objectief worden ingevuld
(zoals bij culpa of voorwaardelijk opzet).
DE DELICTSGEDRAGING
Geen straf zonder gedraging
Het Nederlandse strafrecht kent het daadstrafrechtbeginsel: strafbaarheid
vereist een waarneembare gedraging. Gedachten of het enkel ‘zijn’ zijn
onvoldoende.
Pompe: gedraging moet uiterlijk waarneembaar zijn.
Buruma: er moet een verandering in de buitenwereld zijn bewerkstelligd.
Straf op innerlijke gezindheid (Gesinnungsstrafrecht) wordt afgewezen.
Typen gedragingen
Handelen: bijv. slaan, stelen (art. 310 Sr).
Nalaten: bijv. geen hulp bieden bij een wettelijke plicht (art. 307 Sr).
Combinatie: handelen en nalaten samen, vooral bij functioneel of
rechtspersoonlijk daderschap.
De gedraging kan concreet of juist vaag zijn (bijv. ‘mishandeling’ in art.
300 Sr).
Omissiedelicten en zorgplichten
Sommige delictsomschrijvingen vereisen niet handelen, maar juist het
nalaten van handelen (bijv. art. 307 Sr).
1
, In zorgplichtbepalingen is de gedraging vaak complexer of minder precies
omschreven.
Verbodentoestanden
Bij zogeheten verbodentoestand-delicten bestaat de strafbaarheid in het laten
voortbestaan van een onrechtmatige toestand.
Art. 10 Opiumwet (‘aanwezig hebben’ van drugs).
Art. 26 WWM (wapenbezit).
Relevante arresten:
HR Vier schepen (1916): verbod richt zich op het laten ontstaan of
voortbestaan van een toestand.
HR Drie fietsers (1964): ook voortzetten van verboden toestand kan
strafbaar zijn.
Gedraging en wil
Gedragingen vereisen enig bewustzijn of wil, maar dit is niet gelijk aan opzet of
schuld.
Reflexen of onbewuste gedragingen zijn niet strafrechtelijk relevant.
HR Azewijnse paard (1946): gedraging strekt zich via touw uit over de
grens en kan aan dader worden toegerekend.
DADERSCHAP
Gewoon daderschap
Een dader is degene aan wie een strafbare gedraging kan worden toegerekend.
In Nederland wordt dit benaderd vanuit de sociale handelingsleer:
gedragingen worden beoordeeld in hun maatschappelijke context.
Voor daderschap is vereist:
een strafbare gedraging,
die aan de dader kan worden toegerekend,
en die wederrechtelijk is.
FUNCTIONEEL DADERSCHAP
Definitie en criteria
Een persoon die niet zelf de gedraging uitvoerde, kan toch als dader gelden
indien:
1. hij beschikkingsmacht had over de gedraging,
2. en deze gedraging aanvaardde (of placht te aanvaarden).
Deze twee voorwaarden zijn bekend als de IJzerdraadcriteria.
HR IJzerdraad (1954): eigenaar van een eenmanszaak werd
verantwoordelijk gehouden voor gedragingen van zijn personeel.
Verruiming van het aanvaardingscriterium
2
, HR Drijfmest (2003): aanvaarding kan ook bestaan uit onvoldoende zorg
betrachten ter voorkoming van de gedraging. Functioneel daderschap kan
dus ook bij nalaten bestaan.
Toepassing
Functioneel daderschap wordt met name aangenomen bij:
Economische en milieudelicten,
Bedrijfsmatig of organisatorisch handelen,
Klassieke delicten, zoals in het Abortusarrest (1983).
Reikwijdte
Functioneel daderschap is mogelijk bij elk type delict, mits:
de delictsomschrijving toerekening toelaat,
er een hiërarchische of organisatorische relatie bestaat,
de gedraging voldoende aan de functionele dader kan worden
toegeschreven.
DADERSCHAP VAN DE RECHTSPERSOON
Wettelijk kader
Art. 51 lid 1 Sr: een rechtspersoon kan strafbare feiten plegen.
Art. 51 lid 2 Sr: feitelijk leidinggevenden of opdrachtgevers kunnen mede
aansprakelijk zijn.
Kan een rechtspersoon elk delict plegen?
In beginsel wel. Rechtspersonen kunnen in theorie elk strafbaar feit plegen, zelfs
commune delicten zoals verkrachting of doodslag, mits toerekening mogelijk is.
Vooral bij deelneming is hun aansprakelijkheid vrijwel onbetwist.
Redelijke toerekening als maatstaf
De centrale vraag is: kan de gedraging, gelet op de omstandigheden, in
redelijkheid aan de rechtspersoon worden toegerekend?
HR DRIJFMEST (2003): TOETSINGSKADER
De Hoge Raad formuleerde vier omstandigheden voor toerekening aan de
rechtspersoon:
1. Werkzaamheid: gedraging is verricht door iemand werkzaam voor de
rechtspersoon.
2. Normale bedrijfsvoering of taakuitoefening: gedraging past binnen
de activiteiten van de rechtspersoon.
3. Dienstigheid: gedraging kwam de rechtspersoon ten goede.
4. Aanvaarding of onvoldoende zorg: gedraging is aanvaard of
onvoldoende voorkomen.
→ Dit sluit aan bij het verruimde aanvaardingscriterium uit het IJzerdraad-
arrest.
Nuances
3
, De vier omstandigheden zijn niet limitatief en kennen geen rangorde.
Combinaties versterken redelijke toerekening.
Er moet een reëel verband bestaan tussen gedraging en rechtspersoon.
AANVULLENDE JURISPRUDENTIE
HR Furazolidon (1993): gedraging werd aan de rechtspersoon
toegerekend zonder concrete dader, omdat het paste in de normale
bedrijfsvoering.
HR V&D (1948): dienstigheid is relevant, maar niet doorslaggevend.
Abortusarrest (1983): impliciete toepassing van functioneel daderschap.
OVERWEGINGEN UIT DE LITERATUUR
Rechtsplichtschending: schending van een zorgplicht kan een basis
vormen voor toerekening.
Type rechtspersoon: mate van decentralisatie, interne structuur en
zelfstandigheid van bedrijfsonderdelen zijn van invloed.
Geen vaste rangorde: omstandigheden uit Drijfmest moeten altijd in hun
samenhang worden beoordeeld.
1.1 Causaliteit
WAT IS CAUSALITEIT IN HET STRAFRECHT?
Causaliteit betreft de vraag of een strafrechtelijk relevant gevolg (zoals letsel of
dood) in causaal verband staat met een gedraging van de verdachte. Het is dus
een verbinding tussen handeling (of nalaten) en gevolg. In het strafrecht is dit
met name van belang bij materiele delicten zoals:
Art. 300 Sr – Mishandeling
Art. 307 Sr – Dood door schuld
Hoewel causaliteit niet als zelfstandig leerstuk in het Algemeen Deel van het
Wetboek van Strafrecht voorkomt, speelt het in veel delictsomschrijvingen een
centrale rol. Volgens Mulder moet elke strafrechtelijk relevante gedraging een
'storende ingreep' zijn in het juridische belangenevenwicht.
WANNEER SPEELT CAUSALITEIT EEN ROL?
Bij gedragingen met gevolgvereisten (bijv. dood, letsel)
Bij nalaten (niet-handelen)
Bij ketens van oorzaken (bijv. medische complicaties na mishandeling)
Bij cumulatieve oorzaken (meerdere gedragingen leiden samen tot het
gevolg)
Bij alternatieve scenario's (meerdere gedragingen hadden mogelijk het
gevolg kunnen veroorzaken)
De vraag is dan: kan het gevolg juridisch aan de gedraging worden toegerekend?
4