,generieke kennisbasis onderwijskunde leerjaar 1 alle leerdoelen oefentoets
, generieke kennisbasis onderwijskunde leerjaar 1 alle leerdoelen oefentoets
De 35 leerdoelen van onderwijskunde – nieuwe versie 2025
1. De student kan de vijf rollen van de leraar benoemen en van iedere rol
een voorbeeld uit de praktijk geven.
Gastheer: Je ontvang de leerlingen bij de deur en heet ze welkom. Dit is de 1e en belangrijke
stap in het creëren van een relatie met je leerlingen.
Presentator: Je vangt de aandacht van de leerlingen en houdt deze vast. Je vertelt wat het
doel van de les is (lesdoelen).
Pedagoog: Je spreekt kinderen aan op hun gedrag. Zowel positief als negatief. Op deze
manier creëer je een veilige omgeving in de klas.
Didacticus: Je onderwijst de leerlingen met je vakkennis. Om ze tot een hoger niveau te
brengen
Afsluiter: Je sluit de les af en controleert of de lesdoelen zijn behaald.
2. De student kan het concept leren beschrijven en toelichten.
Mentaal proces waarbij als gevolg van leeractiviteiten een relatief stabiele
gedragsverandering tot stand komt (de woordkeuze in deze definitie is niet willekeurig).
Mentaal proces: Intern proces waarbij nieuwe kennis, vaardigheden, houdingen, motieven
of zelfs het vermogen om beter te kunnen worden gevormd.
Gevolg: Er is sprake van een oorzakelijke relatie. De gedragsverandering komt niet uit de lucht
vallen, maar is het resultaat van leeractiviteiten.
Leeractiviteiten: Verwijst naar een activiteit van de leerling waardoor leren optreedt. Kan
op verschillende manieren worden vormgegeven(dadaïsme, directe ervaring, sociale
interactie, nadenken over het verwerken van de theorie)
Relatief stabiele gedragsverandering: Gevolg van innerlijke leerresultaten die je in het
gedrag vaak kan terugzien. Leerresultaten kunnen betrekking hebben op nieuwe
kennis, vaardigheden, houdingen, motieven of zelfs op het vermogen beter te kunnen
leren.
3. De student kan een schematische weergave van de werking van het
geheugen maken en dit toelichten.
Zintuigelijk geheugen (poortwachterfunctie): Informatie komt in eerste instantie via je
zintuigen binnen. Zien, horen, ruiken, proeven of voelen. Dit gebeurt in de meest ruwe en
onbewerkte vorm en duurt maar erg kort (milliseconden tot een paar seconden).
Belangrijkste taak van het zintuigelijk geheugen is het kort vasthouden van de ruwe
informatie, met het doel deze te vergelijken met al aanwezige informatie. Alleen de
informatie die wordt herkend en dus betekenis heeft gaat door naar het
kortetermijngeheugen. De overige informatie verdwijnt weer.
Niet alle zintuigelijke informatie kunnen we opnemen en verwerken. We nemen dus
selectief waar en alleen de dingen waar aandacht aan wordt besteed(filtering). Dit gebeurt
1
, generieke kennisbasis onderwijskunde leerjaar 1 alle leerdoelen oefentoets
op een onbewust niveau. Met andere woorden, je hebt niet in de gaten dat op ditzelfde
ogenblik je zintuigelijk geheugen werkt.
Omdat het zintuigelijk geheugen op een onbewust niveau opereert, maakt het niet een
minder belangrijk onderdeel van onze informatieverwerking. Het is zelfs essentieel,
aangezien het veel informatie vasthoudt. Voor de docent betekent dit dat hij ervoor moet
zorgen dat de informatie die hij aanbiedt niet meteen als ‘betekenisloos’ wordt gezien door
de poortwachter.
Kortetermijngeheugen: ook wel werkgeheugen genoemd(nieuwe informatie wordt in
contact gebracht met al bestaande informatie uit het langetermijngeheugen). Hier komt de
informatie terecht die door het zintuigelijk geheugen is doorgelaten.
Kortetermijngeheugen heeft een beperkte capaciteit, zeven informatie-eenheden voor korte
tijd onder de aandacht gehouden kunnen worden voor 30 seconden. Informatie die hier
terecht komt, maar niet wordt opgenomen in het langetermijngeheugen gaat verloren. Dit
wil je niet altijd. Je kan ervoor zorgen dat kortetermijngeheugen naar het
langetermijngeheugen gaat door herhaling. Er worden twee soorten herhalingen
onderscheden:
- Onderhoudsherhaling helpt je om informatie langer vast te houden. Door deze
methode wordt de informatie nog niet vastgelegd in het
langetermijngeheugen. Daarvoor moet je uitgewerkte herhalingen hanteren.
- Uitgewerkte herhalingen zijn herhalingen waarbij niet alleen gerepeteerd
wordt, maar waarbij de nieuwe informatie ook gekoppeld wordt al aan
bestaande informatie.
Mnemonische technieken worden vaak gebruikt bij uitgewerkte herhalingen, dit zijn
ezelsbruggetjes, of taxi-kofschip. Een andere mnemonische techniek is mindmapping.
Langetermijngeheugen
Het langetermijngeheugen geeft geen objectieve feiten weer, maar werkt volgens bepaalde
principes die de herinnering kleuren:
- Egocentrisch tintje: Eigen verleden herinneren we met onszelf in de hoofdrol.
- Sleutelbegrip: Herinneringen aan het verleden worden opgeroepen/geactiveerd
door een sleutelgrip/bepaald woord. Een sleutelbegrip kan een hele reeks van
herinneringen terugbrengen.
- Persoonlijke lens: Herinneringen zijn gekleurd door de persoonlijke lens waar
de verteller door kijkt.
4. De student kan verschillende leertheorieën uiteenzetten en vergelijken.
1. De student kan verschillende leertheorieën uiteenzetten en vergelijken(vier stuks).
1. De behavioristische theorie(Pavlov, Thorndikke en Skinner als exponenten van
het behaviorisme).
In het behaviorisme proberen ze objectieve onderzoeken te doen, voornamelijk op
dieren(die kunnen namelijk niet hun motieven voor het getoonde gedrag vertellen)
Behavioristen hebben een groot geloof in de maakbaarheid van mens en dier. J.B Watson zei
dat een willekeurige baby kan opgroeien tot kunstenaar, zakenman of bedelaar(de omgeving
waarin hij werd grootgebracht)
2