Opzet (hoofdstuk 6)
1. Geef een beschrijving van de inhoud van het begrip ‘opzet’.
Opzet is subjectief, er wordt gekeken naar wat de dader wist en wilde = willen en weten.
2. Noem een aantal voorbeelden van de wijze waarop de wetgever het opzet in de verschillende
delictsomschrijvingen heeft omschreven.
Weten, wist, mishandeling (altijd opzettelijk, tenzij rechtvaardigingsgrond), geweld, met het oogmerk
om
3. Is het voor de inhoud van het opzet van betekenis welke bewoordingen de wetgever
gebruikt?
Nee, alleen bij ‘oogmerk’ volstaat voorwaardelijk opzet niet.
4. Wat wordt bedoeld met ‘kleurloos opzet’?
Kleurloos opzet is een term uit het strafrecht. Deze staat tegenover het boos opzet. Bij kleurloos opzet
wordt bij het plegen van een strafbaar feit opzet op de wederrechtelijkheid van de gedraging
verondersteld aanwezig te zijn (en hoeft dit dus niet te worden bewezen). Het kleurloos opzet valt in
de wettekst te lezen als: "(...) Opzettelijk en wederrechtelijk (...)". Bij kleurloos opzet alleen opzet op
wat er in de delictsomschrijving was uitgedrukt. Terwijl bij boos opzet de en verdwijnt, zodat het
opzet ook op de wederrechtelijkheid ziet. Bij boos opzet moet de dader het opzet hebben gehad om de
strafwet te overtreden. "(...) Opzettelijk wederrechtelijk (...)"
5. Stelling: ten aanzien van doleuze delicten geldt dat het voldoende is dat sprake is van
kleurloos opzet; boos opzet hoeft niet te worden vastgesteld. Is deze stelling juist of onjuist?
Doleuze delicten gaat het om opzet. Is een strafbaar feit te wijten is aan iemands schuld, zonder dat de
dader het opzettelijk heeft begaan is het een culpoos delict. De stelling is juist.
6. Wat wordt bedoeld met ‘opzet als stilzwijgend bestanddeel’?
Voor alle misdrijven is opzet vereist, daarom moet opzet worden ingelezen als dit niet in de
delictsomschrijving staat.
7. Welke opzetvorm grenst aan het bestanddeel schuld?
Voorwaardelijk opzet.
8. Welke inhoud heeft deze vorm?
,Er moet sprake zijn van een aanmerkelijke kans, de dader dient zich bewust te zijn van deze
aanmerkelijke kans en de aanmerkelijke kans moet zijn aanvaard door de dader.
9. Welke formule wordt in de praktijk door de Hoge Raad veel al gehanteerd om deze
opzetvorm aan te geven?
- (Objectief:) bestaan van aanmerkelijke kans dat … (algemene ervaringsregels) -> niet afleiden
uit gevolg.
- (Subjectief/weten:) bewustheid van die aanmerkelijke kans dat … (verklaringen
verdachte/getuige, normaliteitssllogisme: ieder normaal mens weet…).
- (Subjectief/willen:) bewust aanvaarden van die kans dat … (uiterlijke verschijningsvorm).
Volgens de Hoge Raad kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden
aangeduid als zodanig gericht op een bepaald gevolg dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders
kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
10. Geef in eigen woorden weer wat het verschil is tussen voorwaardelijk opzet en bewuste
schuld.
Bij voorwaardelijke opzet interesseert de dader zich niet voor de uiteindelijke afloop, deze neemt hij
voor lief (onverschilligheid of bijna cynische houding) -> je ‘wist’ het. Bij (bewuste) schuld rekent de
dader, te naïef, erop dat zijn handeling goed zal aflopen (te optimistisch, onvoorzichtig en onoplettend)
-> je ‘had moeten weten’.
11. Stelling: ‘het verschil tussen enerzijds opzet als waarschijnlijkheidsbewustzijn en anderzijds
opzet als mogelijkheidsbewustzijn is, dat bij eerste vorm niet en bij de tweede vorm wel het
wilselement onderdeel is van het opzet.’ Is deze stelling juist?
Onjuist, het wilselement is bij alle opzetvormen een onderdeel, bij de ene alleen meer dan bij de
andere.
12. Is opzet hetzelfde als het bewust nemen van grote risico’s?
Door het bewust nemen van grote risico’s is er sprake van voorwaardelijk opzet.
13. Dient bij voorwaardelijk opzet sprake te zijn van een aanmerkelijke kans in objectieve zin?
Ja.
14. Stelling: de grootte van de aanmerkelijke kans varieert volgens de Hoge Raad van delict tot
delict. Bij een ernstig delict zoals doodslag volstaat een veel kleinere kansgrootte dan bij een
minder delict als vernieling.
Nee, de kans mag niet afhankelijk worden gesteld van de aard van het gevolg.
15. Voor het bewijs van opzet maakt de rechter nogal eens gebruik van ervaringsregels. Hoe
gaat de rechter dan te werk?
De rechter kijkt naar wat een normaal mens doet/zal weten in deze situatie. De verdachte is ook een
normaal mens.
16. Wat is het gevaar van deze werkwijze?
Dat het onduidelijk is wat en normaal is en denkt of iemand kan heel naïef zijn en het toch niet weten.
17. Stelling: ‘Opzettelijk handelen en een geestesstoornis gaan niet goed samen.’
Onjuist, dit gaat vaak samen, tenzij Tolbert-arrest, maar dat wordt weinig aangenomen. Dan moet bij
de dader blijken van een zodanige ernstige geestelijke afwijking, dat aangenomen moet worden dat hij
van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedraging en de mogelijke gevolgen daarvan is verstoken.
18. Omvat het bestanddeel ‘wetende dat’ alle gradaties van opzet? En het bestanddeel
‘oogmerk’?
, Wetende dat wel, maar oogmerk niet, voorwaardelijk opzet is volgens de HR onvoldoende om
oogmerk aan te nemen.
19. Welk criterium gebruikt de Hoge Raad tegenwoordig om voorbedachte raad te omlijnen?
De verdachte moet daadwerkelijk hebben nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn
voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap hebben gegeven. De verdachte moet de mogelijkheid
hebben gehad om zich te kunnen beraden.
20. Mag de rechter bij het bewijzen van voorbedachte raad gebruik maken van
bewijsvermoedens?
De rechter mag werken met bewijsvermoedens, omdat het lastig is om te bepalen wat er in de
verdachte is omgegaan. Als de verdachte de gelegenheid heeft gehad om zich te beraden, is het
volgens de HR redelijk om aan te nemen dat die gelegenheid door hem is benut.
Strafuitsluitingsgronden algemeen (paragraaf 8.1)
21. Stelling: de strafuitsluitingsgronden komen aan bod bij de kwalificatievraag. Klopt deze
stelling?
1e vraag: ten laste gelegde feit bewezen?
2e bewezenverklaarde feit een strafbaar feit? = kwalificatiebeslissing = voorwaarden: 1. gedraging, 2.
die aan bestanddelen van delictsomschrijving beantwoordt
3e is dader strafbaar? = voorwaarden:3. wederrechtelijk is (geen rechtvaardigingsgrond) 4. aan schuld
te wijten (geen schulduitsluitingsgrond)
4e sanctie?
22. Gelden strafuitsluitingsgronden ook voor delicten die niet zijn opgenomen in het Wetboek
van Strafrecht?
Ja, want deze staan in het algemene deel van het Wetboek van Strafrecht en gelden ook daarbuiten (art.
91 Sr).
23. Wat wordt bedoeld met de stelling dat ongeschreven strafuitsluitingsgronden als een soort
vangnet onder de wettelijke regeling fungeren?
Bijvoorbeeld overmacht en noodweerexces. Zij brengen straffeloosheid in de gevallen waarin de wet
tekortschiet.
Ontoerekeningsvatbaarheid (paragraaf 8.3)
24. Wat is het bezwaar van de term ontoerekeningsvatbaarheid?
Het gaat er niet om of de dader toerekeningsvatbaar is, maar of het gepleegde feit hem kan worden
toegerekend.
25. Stelling: ‘een kind van 11 jaar dat een strafbaar feit begaat, is niet strafbaar wegens een
strafuitsluitingsgrond.’ Is deze stelling juist?
Nee, het loopt al stuk bij de formele vragen (art. 486 Sv).
26. Welke einduitspraak volgt er in het algemeen indien de rechter concludeert dat het strafbare
feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend? Welke einduitspraak kan er volgen
indien een opzetmisdrijf aan de verdachte is tenlastegelegd?
OVAR, wegens niet strafbaarheid van de dader -> 3 e materiele vraag
(schulduitsluitingsgronden/rechtvaardigingsgronden).
Vrijspraak, door een stoornis/gebrekkige ontwikkeling kan het zijn dat de verdachte niet aan de opzet
heeft voldaan, dan kan de rechter de verdachte vrijspreken (Tolbert-arrest) -> 1e materiele vraag (opzet
kan niet worden bewezen).