Ethiek hoofdstuk 2,3 & 9
Hoofdstuk 2 normatieve theorieën
Normatieve theorieën zijn bedoeld om een antwoord te geven op de vraag
hoe mensen in het algemeen moreel juist zouden moeten handelen.
2.1 deugden ethiek
In de deugden ethiek wordt gekeken naar welke handeling moreel juist is
door naar de persoonlijkheid van de actor te kijken. Het gaat om de morele
kwaliteiten van een persoon.
Deugden zijn goede eigenschappen van individuen, zoals moed,
zorgzaamheid en rechtvaardigheid. Volgens Aristoteles is een goed leven
alleen mogelijk als mensen deugden ontwikkelen. Deugden kunnen van
binnenuit zijn, maar worden ook aangeleerd. Doordat mensen constant
reflecteren op hun handelen kunnen ze hun deugden ontwikkelen en door
het ‘’goed’’ te doen zelf eigen maken.
Een deugd gaat niet over de algemene rechten en plichten die voor
iedereen gelden maar over eigenschappen van concrete personen. Een
deugd kun je pas herkennen als iemand zich ‘’goed’’ gedraagt, en is
volgens Aristoteles een evenwicht tussen twee uitersten. Als een deugd
uitschiet kan hij een ondeugd worden, maar dit kan ook gebeuren als
iemand een deugd onvoldoende in de praktijk brengt.
Door verhalen en verschillende helden kunnen mensen zien wat een
deugdzaam leven is en zo die deugden ook in te zetten bij zichzelf.
Deugden zijn innerlijke richtlijnen voor goed handelen en zijn altijd
gekoppeld aan een situatie.
2.1.1
Als sociaal werker moet je goed en professioneel handelen maar dat is niet
alleen het toepassen van de juiste methodiek, het gaat ook om het stukje
houding waarmee de sociaal werker handelt vanuit professionele deugden.
Zeven centrale deugden van Banks en Gallagher:
Professionele wijsheid in complexe situaties
Zorg, respect en betrouwbaarheid in het contact met cliënten
Moed, integriteit en rechtvaardigheid waar er wordt samengewerkt
met anderen
2.1.2
In verschillende contexten kunnen deugden verschillende deugden nodig
en gewenst zijn, het is dus de vraag of er universele deugden zijn. Een
kritiekpunt over deugden is dat, ook als we het eens zijn over deugden er
nog steeds niet duidelijk is hoe moeten gedragen in een concrete situatie
op basis van die deugd. Ook is er de vraag of handelingen die we als
deugdzaam beoordelen, voortkomen uit het karakter van de actor of uit de
omstandigheden. In een bepaalde situatie kan namelijk in alle mensen het
beste of slechtste naar boven halen.
2.1.3
,Tolerantie is in onze samenleving een belangrijke deugd. Tolerantie is een
deugd die een stap kan zijn op weg naar verbondenheid ->
‘’verdraagzaamheid jegens andersdenkenden’’. Hier werd oorspronkelijk
mee bedoeld dat een machthebber de religieuze overtuigingen toeliet
ondanks dat het niet pasten binnen de officiële leer. Als burgers tolerant
zijn tegenover elkaar, kunnen ze vreedzaam naast elkaar leven. Tolerantie
betekent niet dat je alles goed vindt, het gaat er eigenlijk om dat je
geconfronteerd wordt met opvattingen of gedrag waar jij je aan stoort,
maar de ander niet dwingt om te veranderen. Hard optreden tegen
andersdenkenden kan namelijk botsen met de fundamentele rechten.
Tolerantie is gekoppeld aan respect voor de ander, soms is respect iets war
je geeft of wat je verdient en soms iets wat je kunt afdwingen. Je kan
respect hebben voor anderen opvattingen of voor de rechten van een
ander, maar ook van zijn bezit. Als sociaal werker is respect hebben voor
je client essentieel. Je laat de client altijd in zijn waarden.
Respect kan ook de vorm hebben als we respecteren iemand zijn bepaalde
kwaliteiten, zoals een oprechte sociaal werker of een goede voetbaltrainer.
In Nederland zien we dat steeds meer mensen minder respect voor elkaar
hebben en respectloos met elkaar omgaan.
In een gezin, familie of politieke partijen is tolerantie gericht op respect
voor de gemeenschappen, ook als die andere waarden en normen hebben,
dien je daar respect voor te hebben. Tolerantie kan een probleem worden
als mensen gedrag op een verschillende manier waarderen.
Als sociaal werker is het belangrijk dat je je professionele deugden eigen
maakt, dat die jou helpen om te bepalen wat moreel juist handelen is en
dat je de professionele moed hebt om die keuzes te realiseren. Ook moet
je je realiseren wat de gevolgen kunnen zijn.
2.2 gevolgenethiek
In de gevolgen ethiek wordt beoordeeld welke handeling moreel juist is
door naar het doel of de gevolgen van die handeling te kijken.
2.2.1
Het utilisme is een belangrijke teleologische normatieve theorie. In deze
theorie wordt beschreven hoe mensen moreel zouden moeten handelen,
waarbij een afweging wordt gemaakt op basis van de positieve en
negatieve gevolgen van hun handeling. Filosoof Hume is hier de
grondlegger van en stelt dat de belangrijkste drijfveer voor mensen is om
zoveel mogelijk genot te zoeken en pijn te vermijden.
Bentham werkte dit uit en ging opzoek naar een redelijk beginsel waarmee
morele beslissingen gerechtvaardigd kunnen worden. Volgens hem moet je
kijken of handelingen juist zijn, door te kijken in hoeverre ze bijdragen aan
het geluk. Bentham en Mill zien de handelingen als moreel juist als die het
grootste geluk voor het grootste aantal mensen opleveren.
, Mill maakt onderscheidt tussen hogere en lagere vormen van genot.
Spiritueel genot is volgens hem meer waard dan lichamelijk genot, ook
hecht hij veel waarde aan de mogelijkheid tot zelfontplooiing. Hij was de
grondlegger van het liberalisme, voor hem was de vrijheid van het individu
het uitgangspunt. Dit koppelde hij weer aan het schadebeginsel -> de
vrijheid wordt begrensd zodra er fysieke schade voor anderen uit
voortvloeit.
2.2.2
Twee vormen utilisme:
Handelingsutilisme: Bij iedere handeling vraag je af wat de gevolgen
zijn voor de direct betrokken. Je weegt dus in de gegeven context de
gevolgen tegen elkaar af en beoordeelt of de handeling bijdraagt
aan het realiseren van de waarden die je nastreeft.
Regelutilisme: door regels te bedenken die in het algemeen nuttig
zijn om een goede situatie te bereiken voor het grootste aantal
mensen hoef je in een specifieke situatie alleen maar die regel toe te
passen. Hier staat de regel, de norm centraal.
2.2.3
Filosoof Williams stelt dat er geen ruimte meer overblijft voor persoonlijke
relaties, projecten of overtuigingen waaraan mensen zich verbonden
hebben. Als iemand al zijn tijd en geld besteedt aan het verbeteren van de
wereld en het bevorderen van geluk van de hele mensheid, kan dit ten
koste gaan van de mensen waar je een persoonlijke band mee hebt.
Als het utilisme betekent dat we ons niet meer kunnen verbinden aan
mensen en overtuigingen die ons leven betekenis geven moeten we
volgens William het utilisme opzijzetten.
Als iemand utilistisch redeneert, kijkt hij niet uitsluitend naar zijn eigen
belang, maar naar voor- en nadelen voor alle betrokkenen. Het utilisme
gaat er dus vanuit dat mensen maximaal genot voor iedereen zoeken. Als
iemand vanuit zijn eigen belang genot krijgt noemen we dit eigenbelang,
dit wordt afgekeurd door het utilisme.
Volgens Nozick stelt dat het goede leven niet alleen draait om geluk en
genot. Stel je zou in een geluksmachine stappen en alleen maar gelukkige
ervaringen hebben, maar wel uit je echte leven moeten stappen? Volgens
Nozick zouden we dan liever in de echte werkelijkheid blijven.
2.3 beginselethiek
In de beginselethiek wordt beoordeeld welke handelingen moreel juist is
door te kijken of de handeling zelf juist is, ongeacht de feitelijke gevolgen.
-> deontologische ethiek. De beginselethiek is het juist om het handelen
te baseren op bepaalde beginselen. Het is gebaseerd op beginselen,
stellen dat morele regels onafhankelijk van doelen moeten zijn.
Plichten hangen vaak samen met rechten van anderen, daarom is er
binnen een deontologische benadering ook ruimte voor verschillende
morele relaties. Deontologen houden rekening met het verleden. Een
Hoofdstuk 2 normatieve theorieën
Normatieve theorieën zijn bedoeld om een antwoord te geven op de vraag
hoe mensen in het algemeen moreel juist zouden moeten handelen.
2.1 deugden ethiek
In de deugden ethiek wordt gekeken naar welke handeling moreel juist is
door naar de persoonlijkheid van de actor te kijken. Het gaat om de morele
kwaliteiten van een persoon.
Deugden zijn goede eigenschappen van individuen, zoals moed,
zorgzaamheid en rechtvaardigheid. Volgens Aristoteles is een goed leven
alleen mogelijk als mensen deugden ontwikkelen. Deugden kunnen van
binnenuit zijn, maar worden ook aangeleerd. Doordat mensen constant
reflecteren op hun handelen kunnen ze hun deugden ontwikkelen en door
het ‘’goed’’ te doen zelf eigen maken.
Een deugd gaat niet over de algemene rechten en plichten die voor
iedereen gelden maar over eigenschappen van concrete personen. Een
deugd kun je pas herkennen als iemand zich ‘’goed’’ gedraagt, en is
volgens Aristoteles een evenwicht tussen twee uitersten. Als een deugd
uitschiet kan hij een ondeugd worden, maar dit kan ook gebeuren als
iemand een deugd onvoldoende in de praktijk brengt.
Door verhalen en verschillende helden kunnen mensen zien wat een
deugdzaam leven is en zo die deugden ook in te zetten bij zichzelf.
Deugden zijn innerlijke richtlijnen voor goed handelen en zijn altijd
gekoppeld aan een situatie.
2.1.1
Als sociaal werker moet je goed en professioneel handelen maar dat is niet
alleen het toepassen van de juiste methodiek, het gaat ook om het stukje
houding waarmee de sociaal werker handelt vanuit professionele deugden.
Zeven centrale deugden van Banks en Gallagher:
Professionele wijsheid in complexe situaties
Zorg, respect en betrouwbaarheid in het contact met cliënten
Moed, integriteit en rechtvaardigheid waar er wordt samengewerkt
met anderen
2.1.2
In verschillende contexten kunnen deugden verschillende deugden nodig
en gewenst zijn, het is dus de vraag of er universele deugden zijn. Een
kritiekpunt over deugden is dat, ook als we het eens zijn over deugden er
nog steeds niet duidelijk is hoe moeten gedragen in een concrete situatie
op basis van die deugd. Ook is er de vraag of handelingen die we als
deugdzaam beoordelen, voortkomen uit het karakter van de actor of uit de
omstandigheden. In een bepaalde situatie kan namelijk in alle mensen het
beste of slechtste naar boven halen.
2.1.3
,Tolerantie is in onze samenleving een belangrijke deugd. Tolerantie is een
deugd die een stap kan zijn op weg naar verbondenheid ->
‘’verdraagzaamheid jegens andersdenkenden’’. Hier werd oorspronkelijk
mee bedoeld dat een machthebber de religieuze overtuigingen toeliet
ondanks dat het niet pasten binnen de officiële leer. Als burgers tolerant
zijn tegenover elkaar, kunnen ze vreedzaam naast elkaar leven. Tolerantie
betekent niet dat je alles goed vindt, het gaat er eigenlijk om dat je
geconfronteerd wordt met opvattingen of gedrag waar jij je aan stoort,
maar de ander niet dwingt om te veranderen. Hard optreden tegen
andersdenkenden kan namelijk botsen met de fundamentele rechten.
Tolerantie is gekoppeld aan respect voor de ander, soms is respect iets war
je geeft of wat je verdient en soms iets wat je kunt afdwingen. Je kan
respect hebben voor anderen opvattingen of voor de rechten van een
ander, maar ook van zijn bezit. Als sociaal werker is respect hebben voor
je client essentieel. Je laat de client altijd in zijn waarden.
Respect kan ook de vorm hebben als we respecteren iemand zijn bepaalde
kwaliteiten, zoals een oprechte sociaal werker of een goede voetbaltrainer.
In Nederland zien we dat steeds meer mensen minder respect voor elkaar
hebben en respectloos met elkaar omgaan.
In een gezin, familie of politieke partijen is tolerantie gericht op respect
voor de gemeenschappen, ook als die andere waarden en normen hebben,
dien je daar respect voor te hebben. Tolerantie kan een probleem worden
als mensen gedrag op een verschillende manier waarderen.
Als sociaal werker is het belangrijk dat je je professionele deugden eigen
maakt, dat die jou helpen om te bepalen wat moreel juist handelen is en
dat je de professionele moed hebt om die keuzes te realiseren. Ook moet
je je realiseren wat de gevolgen kunnen zijn.
2.2 gevolgenethiek
In de gevolgen ethiek wordt beoordeeld welke handeling moreel juist is
door naar het doel of de gevolgen van die handeling te kijken.
2.2.1
Het utilisme is een belangrijke teleologische normatieve theorie. In deze
theorie wordt beschreven hoe mensen moreel zouden moeten handelen,
waarbij een afweging wordt gemaakt op basis van de positieve en
negatieve gevolgen van hun handeling. Filosoof Hume is hier de
grondlegger van en stelt dat de belangrijkste drijfveer voor mensen is om
zoveel mogelijk genot te zoeken en pijn te vermijden.
Bentham werkte dit uit en ging opzoek naar een redelijk beginsel waarmee
morele beslissingen gerechtvaardigd kunnen worden. Volgens hem moet je
kijken of handelingen juist zijn, door te kijken in hoeverre ze bijdragen aan
het geluk. Bentham en Mill zien de handelingen als moreel juist als die het
grootste geluk voor het grootste aantal mensen opleveren.
, Mill maakt onderscheidt tussen hogere en lagere vormen van genot.
Spiritueel genot is volgens hem meer waard dan lichamelijk genot, ook
hecht hij veel waarde aan de mogelijkheid tot zelfontplooiing. Hij was de
grondlegger van het liberalisme, voor hem was de vrijheid van het individu
het uitgangspunt. Dit koppelde hij weer aan het schadebeginsel -> de
vrijheid wordt begrensd zodra er fysieke schade voor anderen uit
voortvloeit.
2.2.2
Twee vormen utilisme:
Handelingsutilisme: Bij iedere handeling vraag je af wat de gevolgen
zijn voor de direct betrokken. Je weegt dus in de gegeven context de
gevolgen tegen elkaar af en beoordeelt of de handeling bijdraagt
aan het realiseren van de waarden die je nastreeft.
Regelutilisme: door regels te bedenken die in het algemeen nuttig
zijn om een goede situatie te bereiken voor het grootste aantal
mensen hoef je in een specifieke situatie alleen maar die regel toe te
passen. Hier staat de regel, de norm centraal.
2.2.3
Filosoof Williams stelt dat er geen ruimte meer overblijft voor persoonlijke
relaties, projecten of overtuigingen waaraan mensen zich verbonden
hebben. Als iemand al zijn tijd en geld besteedt aan het verbeteren van de
wereld en het bevorderen van geluk van de hele mensheid, kan dit ten
koste gaan van de mensen waar je een persoonlijke band mee hebt.
Als het utilisme betekent dat we ons niet meer kunnen verbinden aan
mensen en overtuigingen die ons leven betekenis geven moeten we
volgens William het utilisme opzijzetten.
Als iemand utilistisch redeneert, kijkt hij niet uitsluitend naar zijn eigen
belang, maar naar voor- en nadelen voor alle betrokkenen. Het utilisme
gaat er dus vanuit dat mensen maximaal genot voor iedereen zoeken. Als
iemand vanuit zijn eigen belang genot krijgt noemen we dit eigenbelang,
dit wordt afgekeurd door het utilisme.
Volgens Nozick stelt dat het goede leven niet alleen draait om geluk en
genot. Stel je zou in een geluksmachine stappen en alleen maar gelukkige
ervaringen hebben, maar wel uit je echte leven moeten stappen? Volgens
Nozick zouden we dan liever in de echte werkelijkheid blijven.
2.3 beginselethiek
In de beginselethiek wordt beoordeeld welke handelingen moreel juist is
door te kijken of de handeling zelf juist is, ongeacht de feitelijke gevolgen.
-> deontologische ethiek. De beginselethiek is het juist om het handelen
te baseren op bepaalde beginselen. Het is gebaseerd op beginselen,
stellen dat morele regels onafhankelijk van doelen moeten zijn.
Plichten hangen vaak samen met rechten van anderen, daarom is er
binnen een deontologische benadering ook ruimte voor verschillende
morele relaties. Deontologen houden rekening met het verleden. Een