Kunstboek
Hoofdstuk 1: De oudheid (Tot 476 n. Chr.)
§1.1 - Oudheid (inleiding)
- Veel materiaal vergaan en geen schriftelijke bronnen
- Evenwichtigheid -> anatomisch perfect
- Kunst is tijd- en plaatsafhankelijk, meerdere culturen bestaan gelijktijdig
- Opdrachtgever: vorsten en polis (de staat)
§1.2 - Prehistorie (Tot 800 v. Chr.)
- Men leefde in groepen nomaden
- Geen schriftelijke bronnen
- Gemaakt van hout of andere natuurlijke materialen
- Venusbeeldjes: kleine sculpturen van vrouwenfiguren die zorgen voor vruchtbaarheid
- Grotschilderingen- en tekeningen: gemaakt van houtskool gemixt met gekleurde aardtinten
- Dieren zijn vaak afgebeeld, mensen nauwelijks. Heeft magische functie.
- Megalithische constructies -> diende als religieuze functie of als astrologische klok
- Werktuigen van klei
§1.3 - Grieken (800 v. Chr. -150 n. Chr.)
- Kunst en wetenschap ontstaat
- Griekse mythologie: kunst diende voor het eren van goden
- Veel overblijfselen
- Vazen: geometrische vormen, gestileerd en symmetrisch, zwart- of roodfigurige keramiek
Beeldkunst:
1. Archaïsche kenmerken, 700 - 500 v. Chr.
o Schematische weergave van de mens
o Stijf en statisch
o Kleding, doekjes, stijf gedrapeerd
o Decoratief, ideaalbeelden (mooier dan de werkelijkheid)
o Archaïsche glimlach
2. Klassieke kenmerken , 500 - 300 v. Chr.
o Betere anatomie -> contrapost houding: standbeen met geknikte knie
o Meer beweging
o Meer emotie in gezicht -> sterker en persoonlijker, maar toch ontspannen
, 3. Hellenistische kenmerken, 300 - 0 v. Chr.
o Persoonlijker, dynamischer
o Extreem dramatisch -> ideaal mensfiguur
o Zeer theatraal
o Beweging in lichaam en kleding
Bouwkunst:
- Openbare gebouwen
- Guldensnede -> harmonie
- Architraafbouw
- Timpaan
- Theater -> tegen een heuvel
- Verschillende ordes (optisch perfect)
1. Dorisch: niet versierd
2. Ionisch: slanker en licht versierd
3. Korintisch: sterk versierd
, §1.4 - Romeinen (753 v. Chr. - 476 n. Chr)
- Het Romeinse Rijk -> kunst diende soms als propaganda (muntgeld en idealistisch)
- Romeinen v.s. Grieken
o Godsdiensten zijn hetzelfde
o Romeinen combineren meerdere zuilenordes in één gebouw -> praktischer
o Beelden nagemaakt in marmer
- Architraafbouw wordt vervangen door rondbogen, tongewelven en kruisgewelven.
- Beton en baksteen
- Koepelgewelf
- Cassetteplafond -> totale gewicht koepel neemt af
- Amfitheater en arena
- Fresco's en Tromp-l'oeil
- Naast mythologische kunst ook stilleven en landschappen
- Triomfbogen met reliëfs als herdenkingsmonument
- Portretbustes (tot schouders) en portretstandbeelden -> levensecht en stofuitdrukking
§1.5 - Oude beschavingen
- Grafgiften en pyramides
- Sarcofaag (doodskist)
- Hiërogliefen
- Rivieren -> stedelijke cultuur
Hoofdstuk 2: De Middeleeuwen (500 – 1500)
§2.1 - Middeleeuwen (inleiding)
- Romeinen maken in het geheim gebruik van catacomben (geheime tunnels waar door
Romeinen werd vereerd).
- Een basilica is een rechthoekige vorm, waarbij je het middenschip hebt, met twee zijbeuken,
gescheiden door arcaden.
Hoofdstuk 1: De oudheid (Tot 476 n. Chr.)
§1.1 - Oudheid (inleiding)
- Veel materiaal vergaan en geen schriftelijke bronnen
- Evenwichtigheid -> anatomisch perfect
- Kunst is tijd- en plaatsafhankelijk, meerdere culturen bestaan gelijktijdig
- Opdrachtgever: vorsten en polis (de staat)
§1.2 - Prehistorie (Tot 800 v. Chr.)
- Men leefde in groepen nomaden
- Geen schriftelijke bronnen
- Gemaakt van hout of andere natuurlijke materialen
- Venusbeeldjes: kleine sculpturen van vrouwenfiguren die zorgen voor vruchtbaarheid
- Grotschilderingen- en tekeningen: gemaakt van houtskool gemixt met gekleurde aardtinten
- Dieren zijn vaak afgebeeld, mensen nauwelijks. Heeft magische functie.
- Megalithische constructies -> diende als religieuze functie of als astrologische klok
- Werktuigen van klei
§1.3 - Grieken (800 v. Chr. -150 n. Chr.)
- Kunst en wetenschap ontstaat
- Griekse mythologie: kunst diende voor het eren van goden
- Veel overblijfselen
- Vazen: geometrische vormen, gestileerd en symmetrisch, zwart- of roodfigurige keramiek
Beeldkunst:
1. Archaïsche kenmerken, 700 - 500 v. Chr.
o Schematische weergave van de mens
o Stijf en statisch
o Kleding, doekjes, stijf gedrapeerd
o Decoratief, ideaalbeelden (mooier dan de werkelijkheid)
o Archaïsche glimlach
2. Klassieke kenmerken , 500 - 300 v. Chr.
o Betere anatomie -> contrapost houding: standbeen met geknikte knie
o Meer beweging
o Meer emotie in gezicht -> sterker en persoonlijker, maar toch ontspannen
, 3. Hellenistische kenmerken, 300 - 0 v. Chr.
o Persoonlijker, dynamischer
o Extreem dramatisch -> ideaal mensfiguur
o Zeer theatraal
o Beweging in lichaam en kleding
Bouwkunst:
- Openbare gebouwen
- Guldensnede -> harmonie
- Architraafbouw
- Timpaan
- Theater -> tegen een heuvel
- Verschillende ordes (optisch perfect)
1. Dorisch: niet versierd
2. Ionisch: slanker en licht versierd
3. Korintisch: sterk versierd
, §1.4 - Romeinen (753 v. Chr. - 476 n. Chr)
- Het Romeinse Rijk -> kunst diende soms als propaganda (muntgeld en idealistisch)
- Romeinen v.s. Grieken
o Godsdiensten zijn hetzelfde
o Romeinen combineren meerdere zuilenordes in één gebouw -> praktischer
o Beelden nagemaakt in marmer
- Architraafbouw wordt vervangen door rondbogen, tongewelven en kruisgewelven.
- Beton en baksteen
- Koepelgewelf
- Cassetteplafond -> totale gewicht koepel neemt af
- Amfitheater en arena
- Fresco's en Tromp-l'oeil
- Naast mythologische kunst ook stilleven en landschappen
- Triomfbogen met reliëfs als herdenkingsmonument
- Portretbustes (tot schouders) en portretstandbeelden -> levensecht en stofuitdrukking
§1.5 - Oude beschavingen
- Grafgiften en pyramides
- Sarcofaag (doodskist)
- Hiërogliefen
- Rivieren -> stedelijke cultuur
Hoofdstuk 2: De Middeleeuwen (500 – 1500)
§2.1 - Middeleeuwen (inleiding)
- Romeinen maken in het geheim gebruik van catacomben (geheime tunnels waar door
Romeinen werd vereerd).
- Een basilica is een rechthoekige vorm, waarbij je het middenschip hebt, met twee zijbeuken,
gescheiden door arcaden.