Biologie schoolexamen
Hoofdstuk 17, 11, 6, 4, 7
Biodiversiteit: evolutie en ordening
17.1 biodiversiteit................................................................................................... 2
Vorm en functie................................................................................................... 2
Vorm en levenswijze........................................................................................... 2
Homologe organen.............................................................................................. 2
Analoge organen................................................................................................. 2
17.2 soort en populatie.......................................................................................... 3
Wetenschappelijke naamgeving..........................................................................3
17.3 genetische variatie binnen de soort...............................................................3
Kunstmatige en natuurlijke selectie....................................................................3
Seksuele selectie................................................................................................. 3
17.4 Charles Darwin............................................................................................... 4
17.5 soortvorming.................................................................................................. 4
Evolutie............................................................................................................... 4
Eilandevolutie...................................................................................................... 4
Snelle evolutie..................................................................................................... 4
Resistent door snelle revolutie............................................................................ 5
17.6 onderzoek naar soortvorming........................................................................5
DNA-analyse........................................................................................................ 5
Bouwplannen vergelijken.................................................................................... 5
17.7 evolutie van de mens..................................................................................... 5
Onze voorouders................................................................................................. 5
17.8 ordening......................................................................................................... 5
Bacteriën............................................................................................................. 6
Schimmels........................................................................................................... 6
Planten................................................................................................................ 6
Dieren.................................................................................................................. 6
17.9 virussen.......................................................................................................... 6
Levenscyclus van het virus................................................................................. 6
DNA-technologie.................................................................................................. 7
, 17.1 biodiversiteit
De verscheidenheid aan verschillende organismen zoals planten en dieren wordt
biodiversiteit genoemd.
Vorm en functie
Er is altijd een verband tussen de vorm en functie van iets. Neem bijvoorbeeld
de snavel van een vogel:
Lang en puntig → vissen vangen
Haakvormig → verscheuren van prooi
Groot en breed → organismen uit water zeven
Kort en puntig → insecten en bessen pikken
Zoogdieren en vogels zijn warmbloedige dieren en hebben een isolatielaag nodig
om op temperatuur te blijven. Zo hebben vogels veren en zoogdieren een vacht
van haren. Veren hebben ook nog andere functies dan alleen de isolerende laag.
Veren → voor vliegen en zorgen voor de essentiële stroomlijn. Donsveren voor
warmte en dekveren voor wind en water.
Vacht → stekels, nauwelijks vacht, dichte vacht voor zeedieren
Vorm en levenswijze
Kieuwen Longen
Groot oppervlak Groot oppervlak
Dunne scheidingslaag tussen bloed en Dunne scheidingslaag tussen bloed en
milieu milieu
Niet gevoelig voor uitdroging Gevoelig voor uitdroging
Koudbloedige dieren: kleine, eenvoudige longen, omdat ze weinig energie
verbruiken om zichzelf warm te houden en dus weinig zuurstof nodig hebben.
Warmbloedige dieren: groot inwendig oppervlak aan longen en afgesloten van
buitenlucht, want ze hebben veel zuurstof nodig en bescherming tegen
uitdroging.
Homologe organen
De vorm van lichaamsdelen passen zich ook aan naar de functie. Homologe
organen hebben hetzelfde bouwplan, maar met uiteenlopende vormen en
functies:
Vleermuizen: voorpoten ontwikkeld naar vleugels door lange vingers
Walvissen: voorpoten zijn vinnen geworden
Mollen: voorpoten zijn graafmachines
Mensen: beweeglijke armen met grijphanden
De voorvin van een zeehond is zo homoloog aan de voorpoot van een schaap.
Wanneer bepaalde lichaamsdelen geen functie meer hebben zijn ze bijna niet
meer terug te vinden, zoals de achterpoten van een walvis. Je noemt de restjes
van de achterpoten bij walvisachtigen rudimentaire organen: organen die bij
verre voorouders nog een functie hadden.
Analoge organen
Bij insecten zijn vleugels uitgegroeide huidplooien, gesteund door luchtaders.
Heel anders dus dan de vleugels van vleermuizen en vogels. Het gaat hier om
analogie: analoge organen hebben dezelfde functie maar geen overeenkomend
bouwplan.
Hoofdstuk 17, 11, 6, 4, 7
Biodiversiteit: evolutie en ordening
17.1 biodiversiteit................................................................................................... 2
Vorm en functie................................................................................................... 2
Vorm en levenswijze........................................................................................... 2
Homologe organen.............................................................................................. 2
Analoge organen................................................................................................. 2
17.2 soort en populatie.......................................................................................... 3
Wetenschappelijke naamgeving..........................................................................3
17.3 genetische variatie binnen de soort...............................................................3
Kunstmatige en natuurlijke selectie....................................................................3
Seksuele selectie................................................................................................. 3
17.4 Charles Darwin............................................................................................... 4
17.5 soortvorming.................................................................................................. 4
Evolutie............................................................................................................... 4
Eilandevolutie...................................................................................................... 4
Snelle evolutie..................................................................................................... 4
Resistent door snelle revolutie............................................................................ 5
17.6 onderzoek naar soortvorming........................................................................5
DNA-analyse........................................................................................................ 5
Bouwplannen vergelijken.................................................................................... 5
17.7 evolutie van de mens..................................................................................... 5
Onze voorouders................................................................................................. 5
17.8 ordening......................................................................................................... 5
Bacteriën............................................................................................................. 6
Schimmels........................................................................................................... 6
Planten................................................................................................................ 6
Dieren.................................................................................................................. 6
17.9 virussen.......................................................................................................... 6
Levenscyclus van het virus................................................................................. 6
DNA-technologie.................................................................................................. 7
, 17.1 biodiversiteit
De verscheidenheid aan verschillende organismen zoals planten en dieren wordt
biodiversiteit genoemd.
Vorm en functie
Er is altijd een verband tussen de vorm en functie van iets. Neem bijvoorbeeld
de snavel van een vogel:
Lang en puntig → vissen vangen
Haakvormig → verscheuren van prooi
Groot en breed → organismen uit water zeven
Kort en puntig → insecten en bessen pikken
Zoogdieren en vogels zijn warmbloedige dieren en hebben een isolatielaag nodig
om op temperatuur te blijven. Zo hebben vogels veren en zoogdieren een vacht
van haren. Veren hebben ook nog andere functies dan alleen de isolerende laag.
Veren → voor vliegen en zorgen voor de essentiële stroomlijn. Donsveren voor
warmte en dekveren voor wind en water.
Vacht → stekels, nauwelijks vacht, dichte vacht voor zeedieren
Vorm en levenswijze
Kieuwen Longen
Groot oppervlak Groot oppervlak
Dunne scheidingslaag tussen bloed en Dunne scheidingslaag tussen bloed en
milieu milieu
Niet gevoelig voor uitdroging Gevoelig voor uitdroging
Koudbloedige dieren: kleine, eenvoudige longen, omdat ze weinig energie
verbruiken om zichzelf warm te houden en dus weinig zuurstof nodig hebben.
Warmbloedige dieren: groot inwendig oppervlak aan longen en afgesloten van
buitenlucht, want ze hebben veel zuurstof nodig en bescherming tegen
uitdroging.
Homologe organen
De vorm van lichaamsdelen passen zich ook aan naar de functie. Homologe
organen hebben hetzelfde bouwplan, maar met uiteenlopende vormen en
functies:
Vleermuizen: voorpoten ontwikkeld naar vleugels door lange vingers
Walvissen: voorpoten zijn vinnen geworden
Mollen: voorpoten zijn graafmachines
Mensen: beweeglijke armen met grijphanden
De voorvin van een zeehond is zo homoloog aan de voorpoot van een schaap.
Wanneer bepaalde lichaamsdelen geen functie meer hebben zijn ze bijna niet
meer terug te vinden, zoals de achterpoten van een walvis. Je noemt de restjes
van de achterpoten bij walvisachtigen rudimentaire organen: organen die bij
verre voorouders nog een functie hadden.
Analoge organen
Bij insecten zijn vleugels uitgegroeide huidplooien, gesteund door luchtaders.
Heel anders dus dan de vleugels van vleermuizen en vogels. Het gaat hier om
analogie: analoge organen hebben dezelfde functie maar geen overeenkomend
bouwplan.