UITWERKINGEN – HEFFING
LOKALE OVERHEDEN
Erasmus School of Law
Erasmus University Rotterdam
Tax Law
,Table of Contents
Week 1 – Probleem 1......................................................................................................................5
Probleem 1A....................................................................................................................................5
Wat is de omvang van de vrijheid die gemeenten en provincies hebben bij het bepalen van de
maatstaf van heffing of tariefdifferentiatie?.................................................................................5
Is die eventuele vrijheid onbeperkt of zijn er grenzen, en zo ja, wat zijn die grenzen?...............9
Kun je als gemeente zelf nieuwe belastingen introduceren?......................................................11
Probleem 1B..................................................................................................................................11
Hoe wordt de WOZ-waarde door de gemeente bepaald, voor welke belastingen geldt de WOZ-
waarde en hoe kun je deze inhoudelijk bestrijden?.....................................................................11
Hoe ga je in bezwaar en beroep tegen een belastingaanslag en WOZ-beschikking: wat zijn de
regels en termijnen van het fiscale bestuurs(proces)recht? ......................................................18
Kan men met de waarden van andere objecten met succes een beroep doen op het
gelijkheidsbeginsel en hoe werkt het gelijkheidsbeginsel?.........................................................24
Jurisprudentie...............................................................................................................................28
Casus....................................................................................................................................................................29
In deze casus was het zo dat beide partijen weliswaar hun standpunten aannemelijk hadden gemaakt, maar er
was geen echte 'winnaar'. Het Hof oordeelde dat beide partijen hun standpunten omtrent de waarde van de
woningen geloofwaardig hebben geschraagd met taxatierapporten en argumenten. Vervolgens stelde het Hof
de waarde van de woningen in goede justitie vast, op basis van een gemiddelde van de door partijen geschatte
waarden................................................................................................................................................................29
Hoorcollege 1................................................................................................................................32
Lokale heffingssoorten.................................................................................................................40
Jurisprudentie...............................................................................................................................46
Week 2 – Probleem 2....................................................................................................................53
Wanneer is iets een onroerende zaak en wat is daarbij de huidige stand van de jurisprudentie?
.......................................................................................................................................................53
Is een woonark onroerend?..........................................................................................................56
Jurisprudentie...............................................................................................................................61
Hoorcollege 2................................................................................................................................65
Probleem 3....................................................................................................................................80
Waarover wordt onroerendezaakbelasting geheven?..................................................................80
Wie is belastingplichtig voor de onroerendezaakbelasting?.......................................................89
Hoe zit het met de belastingplicht als er meerdere bewoners van een pand zijn?.....................91
Jurisprudentie...............................................................................................................................94
Week 3 - Probleem 4.....................................................................................................................98
1
,Hoe wordt de WOZ-waarde van woningen bepaald?..................................................................98
Waardebepaling volgens de Wet WOZ...............................................................................................................98
Welke factoren kunnen de waarde van een WOZ-object beïnvloeden/verlagen?....................104
De Invloed van Feitelijke Omstandigheden op de Waardebepaling.................................................................105
De lijst van fysieke en feitelijke omstandigheden die invloed kunnen hebben op de waardebepaling is
praktisch onuitputtelijk. Hierna worden enkele voorbeelden uit de rechtspraak besproken ter illustratie. In het
algemeen geldt dat potentiële kopers bekend moeten zijn, of kunnen zijn, met de feitelijke omstandigheden en
de effecten daarvan op de waarde. Als vergelijkingsobjecten of -gegevens dezelfde omstandigheden delen als
het te waarderen object, dan zijn deze invloeden al verwerkt in de WOZ-waarde. Diverse vormen van aftrek
kunnen waardevermindering weerspiegelen, zoals een lagere waardering van de KOUDVL-factoren of een
nominale waardevermindering. Het is doorgaans aan de belanghebbende om de waardedruk aannemelijk te
maken, terwijl de gemeente moet bewijzen dat rekening is gehouden met bewezen waardedruk...................105
Fysieke Gebreken..............................................................................................................................................105
Fysieke gebreken zijn een veelvoorkomende oorzaak van waardevermindering. Hieronder worden enkele
voorbeelden besproken:.....................................................................................................................................105
Asbest................................................................................................................................................................106
De aanwezigheid van asbest kan aanzienlijke invloed hebben op de waarde. Factoren die hierbij een rol
spelen:................................................................................................................................................................106
Omgevingshinder en Overlast...........................................................................................................................106
Omgevingsfactoren kunnen eveneens waardeverlagend werken. Voorbeelden hiervan zijn:..........................106
Natuurrampen en Risico’s.................................................................................................................................107
De impact van aardbevingen, zoals die in Groningen, is een bekend voorbeeld van waardevermindering. Zelfs
zonder zichtbare schade kan het risico op aardbevingen een negatieve invloed hebben. De mate waarin
vergelijkingsobjecten deze effecten ervaren, bepaalt of aanvullende aanpassingen nodig zijn........................107
Windmolens en Zendmasten.............................................................................................................................107
Nabijgelegen windmolens kunnen slagschaduw en geluidsoverlast veroorzaken, wat de waarde vermindert. De
mate van waardedruk hangt af van de afstand tot de windmolens. Zendmasten kunnen de waarde eveneens
beïnvloeden door maatschappelijke perceptie, tenzij de invloed al is verwerkt in de waarde van
vergelijkingsobjecten.........................................................................................................................................107
Mogen bij de bepaling van de waarde van een WOZ-object subjectieve elementen/persoonlijke
omstandigheden worden meegewogen (zoals overlast voetballende jongeren)?......................107
De Invloed van Feitelijke Omstandigheden op de Waardebepaling.................................................................107
De lijst van fysieke en feitelijke omstandigheden die invloed kunnen hebben op de waardebepaling is
praktisch onuitputtelijk. Hierna worden enkele voorbeelden uit de rechtspraak besproken ter illustratie. In het
algemeen geldt dat potentiële kopers bekend moeten zijn, of kunnen zijn, met de feitelijke omstandigheden en
de effecten daarvan op de waarde. Als vergelijkingsobjecten of -gegevens dezelfde omstandigheden delen als
het te waarderen object, dan zijn deze invloeden al verwerkt in de WOZ-waarde. Diverse vormen van aftrek
kunnen waardevermindering weerspiegelen, zoals een lagere waardering van de KOUDVL-factoren of een
nominale waardevermindering. Het is doorgaans aan de belanghebbende om de waardedruk aannemelijk te
maken, terwijl de gemeente moet bewijzen dat rekening is gehouden met bewezen waardedruk...................107
Andere Hinder...................................................................................................................................................107
Overige voorbeelden van waardedrukkende factoren zijn:...............................................................................107
Functionele Veroudering...................................................................................................................................107
Feitelijke omstandigheden kunnen ook de gecorrigeerde vervangingswaarde beïnvloeden. Functionele
veroudering ontstaat bijvoorbeeld door:............................................................................................................107
Wordt bij deze waardebepaling rekening gehouden met omstandigheden die het genot over de
zaak beperken (zoals erfpacht/verhuur)?..................................................................................108
Jurisprudentie.............................................................................................................................111
Hoorcollege 3..............................................................................................................................113
Probleem 5..................................................................................................................................135
2
, Door middel van welke waarden kan bij deze fabriek een WOZ-waarde worden bepaald?....135
Wat is de bedrijfswaarde?...........................................................................................................149
Wat is de benuttingswaarde?......................................................................................................152
Wanneer speelt in de WOZ-waarde de bedrijfswaarde een rol en wanneer de
benuttingswaarde?......................................................................................................................154
Jurisprudentie.............................................................................................................................156
HR 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0421 (Stadion)..................................................................................158
Feiten.................................................................................................................................................................159
Rechtsvraag.......................................................................................................................................................160
Overwegingen....................................................................................................................................................160
Rechtsregel........................................................................................................................................................161
Feiten.................................................................................................................................................................161
Rechtsvraag.......................................................................................................................................................161
Overwegingen....................................................................................................................................................161
Rechtsregel........................................................................................................................................................162
Probleem 6..................................................................................................................................163
De leerdoelen voor probleem 6A zijn:........................................................................................163
Hoe werkt de hondenbelasting (essentialia)?............................................................................163
Waarom moeten hondenbezitters meer belasting betalen dan mensen zonder honden als het
geld in de algemene middelen vloeit?........................................................................................170
Mag je als gemeente een eigen heffingsmaatstaf voor de hondenbelasting kiezen?...............171
De leerdoelen voor probleem 6B zijn:........................................................................................173
Wat is het belastbaar feit: wat is parkeren in de zin van de parkeerbelasting?.......................173
Wanneer is naheffing terecht en wanneer niet?.......................................................................182
Hoe werken de parkeerbelastingen verder (overige essentialia, naheffing, bewijsvoering)?..187
Jurisprudentie.............................................................................................................................192
Hoorcollege 4..............................................................................................................................197
Jurisprudentie.............................................................................................................................212
Probleem 7..................................................................................................................................213
Hoe werkt de toeristenbelasting?...............................................................................................213
Wie is de gelegenheidsbieder tot verblijf voor de toeristenbelasting? Welke factoren zijn
bepalend voor die afweging?......................................................................................................221
Is de rederij ten aanzien van de cruiseschepen belastingplichtig voor de toeristenbelasting?225
Is Toverwereld belastingplichtig voor de toeristenbelasting?...................................................226
Jurisprudentie.............................................................................................................................227
HR 17 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2967 (Toeristenbelasting Schiphol).............227
Feiten..................................................................................................................................................227
3
LOKALE OVERHEDEN
Erasmus School of Law
Erasmus University Rotterdam
Tax Law
,Table of Contents
Week 1 – Probleem 1......................................................................................................................5
Probleem 1A....................................................................................................................................5
Wat is de omvang van de vrijheid die gemeenten en provincies hebben bij het bepalen van de
maatstaf van heffing of tariefdifferentiatie?.................................................................................5
Is die eventuele vrijheid onbeperkt of zijn er grenzen, en zo ja, wat zijn die grenzen?...............9
Kun je als gemeente zelf nieuwe belastingen introduceren?......................................................11
Probleem 1B..................................................................................................................................11
Hoe wordt de WOZ-waarde door de gemeente bepaald, voor welke belastingen geldt de WOZ-
waarde en hoe kun je deze inhoudelijk bestrijden?.....................................................................11
Hoe ga je in bezwaar en beroep tegen een belastingaanslag en WOZ-beschikking: wat zijn de
regels en termijnen van het fiscale bestuurs(proces)recht? ......................................................18
Kan men met de waarden van andere objecten met succes een beroep doen op het
gelijkheidsbeginsel en hoe werkt het gelijkheidsbeginsel?.........................................................24
Jurisprudentie...............................................................................................................................28
Casus....................................................................................................................................................................29
In deze casus was het zo dat beide partijen weliswaar hun standpunten aannemelijk hadden gemaakt, maar er
was geen echte 'winnaar'. Het Hof oordeelde dat beide partijen hun standpunten omtrent de waarde van de
woningen geloofwaardig hebben geschraagd met taxatierapporten en argumenten. Vervolgens stelde het Hof
de waarde van de woningen in goede justitie vast, op basis van een gemiddelde van de door partijen geschatte
waarden................................................................................................................................................................29
Hoorcollege 1................................................................................................................................32
Lokale heffingssoorten.................................................................................................................40
Jurisprudentie...............................................................................................................................46
Week 2 – Probleem 2....................................................................................................................53
Wanneer is iets een onroerende zaak en wat is daarbij de huidige stand van de jurisprudentie?
.......................................................................................................................................................53
Is een woonark onroerend?..........................................................................................................56
Jurisprudentie...............................................................................................................................61
Hoorcollege 2................................................................................................................................65
Probleem 3....................................................................................................................................80
Waarover wordt onroerendezaakbelasting geheven?..................................................................80
Wie is belastingplichtig voor de onroerendezaakbelasting?.......................................................89
Hoe zit het met de belastingplicht als er meerdere bewoners van een pand zijn?.....................91
Jurisprudentie...............................................................................................................................94
Week 3 - Probleem 4.....................................................................................................................98
1
,Hoe wordt de WOZ-waarde van woningen bepaald?..................................................................98
Waardebepaling volgens de Wet WOZ...............................................................................................................98
Welke factoren kunnen de waarde van een WOZ-object beïnvloeden/verlagen?....................104
De Invloed van Feitelijke Omstandigheden op de Waardebepaling.................................................................105
De lijst van fysieke en feitelijke omstandigheden die invloed kunnen hebben op de waardebepaling is
praktisch onuitputtelijk. Hierna worden enkele voorbeelden uit de rechtspraak besproken ter illustratie. In het
algemeen geldt dat potentiële kopers bekend moeten zijn, of kunnen zijn, met de feitelijke omstandigheden en
de effecten daarvan op de waarde. Als vergelijkingsobjecten of -gegevens dezelfde omstandigheden delen als
het te waarderen object, dan zijn deze invloeden al verwerkt in de WOZ-waarde. Diverse vormen van aftrek
kunnen waardevermindering weerspiegelen, zoals een lagere waardering van de KOUDVL-factoren of een
nominale waardevermindering. Het is doorgaans aan de belanghebbende om de waardedruk aannemelijk te
maken, terwijl de gemeente moet bewijzen dat rekening is gehouden met bewezen waardedruk...................105
Fysieke Gebreken..............................................................................................................................................105
Fysieke gebreken zijn een veelvoorkomende oorzaak van waardevermindering. Hieronder worden enkele
voorbeelden besproken:.....................................................................................................................................105
Asbest................................................................................................................................................................106
De aanwezigheid van asbest kan aanzienlijke invloed hebben op de waarde. Factoren die hierbij een rol
spelen:................................................................................................................................................................106
Omgevingshinder en Overlast...........................................................................................................................106
Omgevingsfactoren kunnen eveneens waardeverlagend werken. Voorbeelden hiervan zijn:..........................106
Natuurrampen en Risico’s.................................................................................................................................107
De impact van aardbevingen, zoals die in Groningen, is een bekend voorbeeld van waardevermindering. Zelfs
zonder zichtbare schade kan het risico op aardbevingen een negatieve invloed hebben. De mate waarin
vergelijkingsobjecten deze effecten ervaren, bepaalt of aanvullende aanpassingen nodig zijn........................107
Windmolens en Zendmasten.............................................................................................................................107
Nabijgelegen windmolens kunnen slagschaduw en geluidsoverlast veroorzaken, wat de waarde vermindert. De
mate van waardedruk hangt af van de afstand tot de windmolens. Zendmasten kunnen de waarde eveneens
beïnvloeden door maatschappelijke perceptie, tenzij de invloed al is verwerkt in de waarde van
vergelijkingsobjecten.........................................................................................................................................107
Mogen bij de bepaling van de waarde van een WOZ-object subjectieve elementen/persoonlijke
omstandigheden worden meegewogen (zoals overlast voetballende jongeren)?......................107
De Invloed van Feitelijke Omstandigheden op de Waardebepaling.................................................................107
De lijst van fysieke en feitelijke omstandigheden die invloed kunnen hebben op de waardebepaling is
praktisch onuitputtelijk. Hierna worden enkele voorbeelden uit de rechtspraak besproken ter illustratie. In het
algemeen geldt dat potentiële kopers bekend moeten zijn, of kunnen zijn, met de feitelijke omstandigheden en
de effecten daarvan op de waarde. Als vergelijkingsobjecten of -gegevens dezelfde omstandigheden delen als
het te waarderen object, dan zijn deze invloeden al verwerkt in de WOZ-waarde. Diverse vormen van aftrek
kunnen waardevermindering weerspiegelen, zoals een lagere waardering van de KOUDVL-factoren of een
nominale waardevermindering. Het is doorgaans aan de belanghebbende om de waardedruk aannemelijk te
maken, terwijl de gemeente moet bewijzen dat rekening is gehouden met bewezen waardedruk...................107
Andere Hinder...................................................................................................................................................107
Overige voorbeelden van waardedrukkende factoren zijn:...............................................................................107
Functionele Veroudering...................................................................................................................................107
Feitelijke omstandigheden kunnen ook de gecorrigeerde vervangingswaarde beïnvloeden. Functionele
veroudering ontstaat bijvoorbeeld door:............................................................................................................107
Wordt bij deze waardebepaling rekening gehouden met omstandigheden die het genot over de
zaak beperken (zoals erfpacht/verhuur)?..................................................................................108
Jurisprudentie.............................................................................................................................111
Hoorcollege 3..............................................................................................................................113
Probleem 5..................................................................................................................................135
2
, Door middel van welke waarden kan bij deze fabriek een WOZ-waarde worden bepaald?....135
Wat is de bedrijfswaarde?...........................................................................................................149
Wat is de benuttingswaarde?......................................................................................................152
Wanneer speelt in de WOZ-waarde de bedrijfswaarde een rol en wanneer de
benuttingswaarde?......................................................................................................................154
Jurisprudentie.............................................................................................................................156
HR 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0421 (Stadion)..................................................................................158
Feiten.................................................................................................................................................................159
Rechtsvraag.......................................................................................................................................................160
Overwegingen....................................................................................................................................................160
Rechtsregel........................................................................................................................................................161
Feiten.................................................................................................................................................................161
Rechtsvraag.......................................................................................................................................................161
Overwegingen....................................................................................................................................................161
Rechtsregel........................................................................................................................................................162
Probleem 6..................................................................................................................................163
De leerdoelen voor probleem 6A zijn:........................................................................................163
Hoe werkt de hondenbelasting (essentialia)?............................................................................163
Waarom moeten hondenbezitters meer belasting betalen dan mensen zonder honden als het
geld in de algemene middelen vloeit?........................................................................................170
Mag je als gemeente een eigen heffingsmaatstaf voor de hondenbelasting kiezen?...............171
De leerdoelen voor probleem 6B zijn:........................................................................................173
Wat is het belastbaar feit: wat is parkeren in de zin van de parkeerbelasting?.......................173
Wanneer is naheffing terecht en wanneer niet?.......................................................................182
Hoe werken de parkeerbelastingen verder (overige essentialia, naheffing, bewijsvoering)?..187
Jurisprudentie.............................................................................................................................192
Hoorcollege 4..............................................................................................................................197
Jurisprudentie.............................................................................................................................212
Probleem 7..................................................................................................................................213
Hoe werkt de toeristenbelasting?...............................................................................................213
Wie is de gelegenheidsbieder tot verblijf voor de toeristenbelasting? Welke factoren zijn
bepalend voor die afweging?......................................................................................................221
Is de rederij ten aanzien van de cruiseschepen belastingplichtig voor de toeristenbelasting?225
Is Toverwereld belastingplichtig voor de toeristenbelasting?...................................................226
Jurisprudentie.............................................................................................................................227
HR 17 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2967 (Toeristenbelasting Schiphol).............227
Feiten..................................................................................................................................................227
3