Samenvatting anatomie en fysiologie
Opleiding: Schoonheidsverzorging
Onderdeel: Theorie gelaatsbehandeling deel 1 toetstermen TCI
Vakonderdeel: Celleer, epitheelweefsel, bindweefsel, zenuwweefsel
Basisbegrippen theorieonderdeel anatomie en fysiologie
Anatomie: Ontleedkunde: Houdt zich bezig met de manier waarop het lichaam is
opgebouwd. (cellen, weefsels, beenderen, spieren, ...)
Fysiologie: Functieleer: Houdt zich bezig met het functioneren van alle onderdelen
van het lichaam onder normale omstandigheden. (spijsvertering, ademhaling,
uitscheiding, ...)
Levende stoffen:
Stoffen die vooral bestaan uit organische stoffen (bevatten koolstof C) en die
essentieel zijn voor het leven, zoals eiwitten, vetten en koolhydraten. Levende
stoffen maken deel uit van levende organismen zoals planten, dieren, bacteriën en
schimmels.
Dode stoffen:
Stoffen die niet meer leven (organisch dode stoffen) zoals hout, papier, leer en
fossiele brandstoffen of die nooit geleefd hebben (anorganische dode stoffen) zoals
water, mineralen, zuurstof, metalen en gesteente.
Samenvatting celleer / cytologie
Kenmerken van een cel:
Cellen zijn de kleinste eenheden van een organisme die nog alle kenmerken van
leven in zich hebben, ze zijn in staat tot levensverrichtingen.
Levensverrichtingen:
1. Animale levensverrichtingen
Komen tot stand onder invloed van prikkels uit de omgeving en/of onder
invloed van onze wil – willekeurige levensverrichtingen.
Voorbeelden:
Beweging – bijvoorbeeld spieren die bewegen.
Prikkelbaarheid – bijvoorbeeld pijnprikkels waar het lichaam op reageert.
2. Vegetatieve levensverrichtingen
© 2025 1
, Levensverrichtingen die zelfstandig plaatsvinden en waar ons lichaam geen
invloed op kan uitoefenen – onwillekeurige levensverrichtingen.
Voorbeelden:
Groei – de groei van cellen zoals spiercellen, huidcellen.
Voortplanting – de aanmaak van nieuwe cellen zoals bloedcellen die
regelmatig aangemaakt en vernieuwd worden (zenuwcellen gaan bijna ons
hele leven mee en kunnen op latere leeftijd vaak moeilijk hersteld worden).
Stofwisseling – Cellen kunnen stoffen opnemen (voedingsstoffen,
zuurstof) en uitscheiden (afvalstoffen, kooldioxide).
(Alle onwillekeurige levensverrichtingen hebben een o)
Soorten cellen:
Dierlijke cellen en plantaardige cellen waarbij plantaardige cellen een dikkere
celwand hebben en vaak een hoekigere vorm dan dierlijke cellen. Menselijke cellen
vallen onder dierlijke cellen.
Eencelligen zijn cellen die uit 1 cel bestaan zoals amoeben, protozoën en bacteriën.
Meercelligen bestaan uit meerdere (soorten) cellen zoals dieren (mensen) en
planten (schimmels).
Celdifferentiatie
Het proces waarbij een onveranderde (stam)cel zich ontwikkelt tot een
gespecialiseerde cel met een specifieke functie. Stamcellen kunnen uitgroeien tot
spiercellen, zenuwcellen, epitheelcellen, bindweefselcellen, bloedcellen enz.
Bouw van een cel:
© 2025 2
Opleiding: Schoonheidsverzorging
Onderdeel: Theorie gelaatsbehandeling deel 1 toetstermen TCI
Vakonderdeel: Celleer, epitheelweefsel, bindweefsel, zenuwweefsel
Basisbegrippen theorieonderdeel anatomie en fysiologie
Anatomie: Ontleedkunde: Houdt zich bezig met de manier waarop het lichaam is
opgebouwd. (cellen, weefsels, beenderen, spieren, ...)
Fysiologie: Functieleer: Houdt zich bezig met het functioneren van alle onderdelen
van het lichaam onder normale omstandigheden. (spijsvertering, ademhaling,
uitscheiding, ...)
Levende stoffen:
Stoffen die vooral bestaan uit organische stoffen (bevatten koolstof C) en die
essentieel zijn voor het leven, zoals eiwitten, vetten en koolhydraten. Levende
stoffen maken deel uit van levende organismen zoals planten, dieren, bacteriën en
schimmels.
Dode stoffen:
Stoffen die niet meer leven (organisch dode stoffen) zoals hout, papier, leer en
fossiele brandstoffen of die nooit geleefd hebben (anorganische dode stoffen) zoals
water, mineralen, zuurstof, metalen en gesteente.
Samenvatting celleer / cytologie
Kenmerken van een cel:
Cellen zijn de kleinste eenheden van een organisme die nog alle kenmerken van
leven in zich hebben, ze zijn in staat tot levensverrichtingen.
Levensverrichtingen:
1. Animale levensverrichtingen
Komen tot stand onder invloed van prikkels uit de omgeving en/of onder
invloed van onze wil – willekeurige levensverrichtingen.
Voorbeelden:
Beweging – bijvoorbeeld spieren die bewegen.
Prikkelbaarheid – bijvoorbeeld pijnprikkels waar het lichaam op reageert.
2. Vegetatieve levensverrichtingen
© 2025 1
, Levensverrichtingen die zelfstandig plaatsvinden en waar ons lichaam geen
invloed op kan uitoefenen – onwillekeurige levensverrichtingen.
Voorbeelden:
Groei – de groei van cellen zoals spiercellen, huidcellen.
Voortplanting – de aanmaak van nieuwe cellen zoals bloedcellen die
regelmatig aangemaakt en vernieuwd worden (zenuwcellen gaan bijna ons
hele leven mee en kunnen op latere leeftijd vaak moeilijk hersteld worden).
Stofwisseling – Cellen kunnen stoffen opnemen (voedingsstoffen,
zuurstof) en uitscheiden (afvalstoffen, kooldioxide).
(Alle onwillekeurige levensverrichtingen hebben een o)
Soorten cellen:
Dierlijke cellen en plantaardige cellen waarbij plantaardige cellen een dikkere
celwand hebben en vaak een hoekigere vorm dan dierlijke cellen. Menselijke cellen
vallen onder dierlijke cellen.
Eencelligen zijn cellen die uit 1 cel bestaan zoals amoeben, protozoën en bacteriën.
Meercelligen bestaan uit meerdere (soorten) cellen zoals dieren (mensen) en
planten (schimmels).
Celdifferentiatie
Het proces waarbij een onveranderde (stam)cel zich ontwikkelt tot een
gespecialiseerde cel met een specifieke functie. Stamcellen kunnen uitgroeien tot
spiercellen, zenuwcellen, epitheelcellen, bindweefselcellen, bloedcellen enz.
Bouw van een cel:
© 2025 2