Kennistoets periode 2
Kan het biologisch risicogedrag borderline verklaren;
Biologisch risicogedrag borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS)
- Stemmingswisselingen: woede, prikkelbaarheid en angst.
- Depressie
- Suïcidaliteit
- Dissociatieve verschijnselen
- Psychose
- Relatieproblemen
- Onvoorspelbaar/ontremd gedrag
- Middelengebruik
- Onveilige seks
- Impulsieve gevaarlijke acties
- Automutilatie: zichzelf beschadigen.
Te verklaren door:
- Biologische aanleg: er kunnen bepaalde kenmerken van borderline in de genen
aanwezig zijn. Het gaat hierbij vooral om de aanleg voor impulsiviteit en
stemmingswisselingen.
- Omgeving: er zijn veel factoren die een rol spelen bij het ontstaan van borderline.
Bijvoorbeeld: verwaarlozing, seksueel misbruik, fysiek misbruik, echtscheiding.
- Maatschappelijke ontwikkelingen: borderline lijkt vaker voor te komen in de
westerse cultuur. Er wordt veel verwacht van iemand en dit brengt druk met zich
mee.
Kan van verschillende psychofarmaca de contra-indicaties, werking en
bijwerking, bijzonderheden en interacties benoemen;
Antidepressiva
Bij stemmingsstoornissen.
- Moderne antidepressiva: richt zich op de neurotransmitters noradrenaline.
Deze heeft invloed op de stemming en op de activering van de mens. Ook
serotonine heeft invloed op de stemming en het dempen van de angst.
Werking merkbaar 2-4 weken.
- Klassieke antidepressiva
Bijwerkingen klassieke Bijwerkingen moderne antidepressiva
antidepressiva
Droge mond Maag- en darmklachten
Droge ogen en wazig zien Nervositeit
Moeilijk plassen Hoofdpijn
Verstoppingen van de darmen Toegenomen prikkelbaarheid
Seksuele stoornissen Gewichtsafname of -toename
Duizeligheid Slapeloosheid
Versnelde hartslag door tijdelijk verlaagde Seksuele stoornissen
bloeddruk
Sufheid Bloedingsstoornissen
Verwardheid
Gewichtstoename
Verminderde hartwerking
,Angstremmende middelen (anxiolytica)
Tegen angststoornissen.
- Benzodiazepinen agonisten: onderdrukken het centraal zenuwstelsel en
hebben een werking om de angst te dempen. Spierontspannend.
- Bijwerkingen:
Afvlakking psychisch functioneren; dufheid
Concentratieverlies; afname alertheid en motorische vaardigheid.
Paradoxale reactie; rusteloosheid, agitatie, hallucinaties, wanen,
agressief gedrag.
Afhankelijkheid
Rebound gedrag; meer angst/slapeloosheid
Amnesie: vergeetachtigheid.
Antipsychotica
Tegen psychoses.
- Onderdrukken de werking van het neurotransmitter dopamine.
Onderdrukken van wanen en hallucinaties. Vermindering van angst en
opwindingstoestanden. Hebben een kalmerende werking.
- Bijwerkingen:
Klassieke antipsychotica: extra piramidale verschijnselen, zich
uitend in; bewegingsstoornissen, grimassen en speekselvloed.
Moderne antipsychotica: metabool syndroom.
Kan de onderdelen van het bloed benoemen en hun functie uitleggen en kan
het proces van hemostase uitleggen;
Bloed
55% van het bloed bestaat uit bloedplasma.
- Water
- Plasma-eiwitten
Albuminen: leveren een bijdrage aan osmotische druk van plasma,
transport lipiden, steroidhormonen.
Globulinen: transport van ionen, hormonen, vetten. Immuun functie;
afweer.
Fibrinogeen: essentieel onderdeel van stollingssysteem
Regulerende eiwitten: enzymen, pro-enzymen, hormonen.
- Opgeloste stoffen
45% van het bloed bestaat uit bloedcellen.
- Bloedplaatjes
- Rode bloedcellen
- Witte bloedcellen
Verschil bloedplasma en bloedserum
,Bloedplasma bevat stollingseiwitten en bloedserum niet meer.
Bloedcellen
- Pluripotente stamcel: hier begint alles.
Myeloide stamcel
o Trombocyten: bloedplaatjes.
o Erytrocyten: rode bloedcellen.
o Mestcel: belangrijk bij de afweer.
o Granulocyten: belangrijk bij de afweer.
o Monocyt/macrofaag: belangrijk bij de afweer.
Lymfoide stamcel
o Natural Killer cel: bestrijdt met name kankercellen.
o T-lymfocyt: van belang bij de specifieke afweer.
o B-lymfocyt: van belang bij de specifieke afweer.
Erytrocyten (rode bloedcellen)
- Zorgen voor het vervoer van zuurstof en koolstofdioxide.
- Kenmerken:
Plat, waardoor ze makkelijk door de kleinste haarvaatjes (capillairen) heen
kunnen.
Veel uitwisseling
Flexibel
Geen mitochondriën, ribosomen en celkern.
Korte levensduur
- Bestaat uit een celmembraan met transport eiwitten.
- Het transporteiwit is hemoglobine (Hb).
1 hemoglobine molecuul kan max. 4 zuurstof- of koolstofdioxide moleculen
binden.
Leukocyten (witte bloedcellen)
- Bevinden zich binnen en buiten de bloedsomloop
- Migratie naar weefsel
- Naar infectie en verwonding
- Gevoelig voor chemische signalen
- Granulocyten (neutrofielen, eosinifielen, basofielen)
Fagocytose: het opeten van een bacterie of een andere ziektekiem.
Basofielen scheiden heparine (stof die de bloedstolling tegengaat) en
histamine (zorgen voor een betere doorlaatbaarheid van de bloedvaten) uit
- Monocyten (in de bloedbaan)
Grootste witte bloedcellen
Macrofagen (buiten de bloedbaan)
Fagocytose
- Lymfocyten
Kunnen sterk in aantal toenemen
Immuniteit
, Trombocyten (bloedplaatjes)
- Kleine celfragmenten
- Hemostase: bloedstolling
Lange keten
Bloedplaatjes dichten de wond af
Het fibrinogeen vormt zich tot fibrinedraden waaraan de bloedplaatjes zich
vastbinden > hierdoor wordt de wond gedicht.
Hemostase (bloedstolling)
- Vasoconstrictie: de opening van de wond wordt kleiner en de bloedstroom wordt
vertraagd.
- Primaire hemostase: door trombocyten aggregatie ontstaat een prop op de plaats
van beschadiging. De bloeding wordt gestelpt.
- Secundair hemostase: de plek wordt verstevigd door fibrinedraden. Er vormt zich
een korstje en hieronder begint het herstel.
- Opruimen van stolsel: door zelfregulerende antistollingsmechanismen
1. Vasculaire fase: treedt op als weefsel of bloedvaten zijn beschadigd. De gladde
spiervezels in de bloedvatwand trekken samen, waardoor de diameter van het
bloedvat kleiner wordt. Het bloedverlies wordt dan tot een minimum beperkt. De
membranen van de endotheelcellen worden kleverig op de plaats van verwonding.
2. Bloedplaatjesfase: de bloedplaatjes hechten zich vast aan de kleverige
oppervlakken van het endotheel en aan de collageenvezels aan het oppervlak. Er
wordt uiteindelijk een bloedplaatjesprop gevormd, die de scheur in de
bloedvatwand kan afsluiten.
3. Coagulatiefase: fibrinogeen is in het bloedplasma opgelost; fibrine is een
onoplosbaar eiwit. Wanneer het fibrinenetwerk groeit, raken bloedcellen en
bloedplaatjes gevangen, zodat het bloedstolsel ontstaat.
Kan het systeem van de AB0 en Rhesus bloedroepen uitleggen en de
overerving beschrijven aan de hand van de belangrijkste vormen van
erfelijkheidspatronen en kan de mogelijkheden en complicaties bij transfusie
benoemen;
Kan het biologisch risicogedrag borderline verklaren;
Biologisch risicogedrag borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS)
- Stemmingswisselingen: woede, prikkelbaarheid en angst.
- Depressie
- Suïcidaliteit
- Dissociatieve verschijnselen
- Psychose
- Relatieproblemen
- Onvoorspelbaar/ontremd gedrag
- Middelengebruik
- Onveilige seks
- Impulsieve gevaarlijke acties
- Automutilatie: zichzelf beschadigen.
Te verklaren door:
- Biologische aanleg: er kunnen bepaalde kenmerken van borderline in de genen
aanwezig zijn. Het gaat hierbij vooral om de aanleg voor impulsiviteit en
stemmingswisselingen.
- Omgeving: er zijn veel factoren die een rol spelen bij het ontstaan van borderline.
Bijvoorbeeld: verwaarlozing, seksueel misbruik, fysiek misbruik, echtscheiding.
- Maatschappelijke ontwikkelingen: borderline lijkt vaker voor te komen in de
westerse cultuur. Er wordt veel verwacht van iemand en dit brengt druk met zich
mee.
Kan van verschillende psychofarmaca de contra-indicaties, werking en
bijwerking, bijzonderheden en interacties benoemen;
Antidepressiva
Bij stemmingsstoornissen.
- Moderne antidepressiva: richt zich op de neurotransmitters noradrenaline.
Deze heeft invloed op de stemming en op de activering van de mens. Ook
serotonine heeft invloed op de stemming en het dempen van de angst.
Werking merkbaar 2-4 weken.
- Klassieke antidepressiva
Bijwerkingen klassieke Bijwerkingen moderne antidepressiva
antidepressiva
Droge mond Maag- en darmklachten
Droge ogen en wazig zien Nervositeit
Moeilijk plassen Hoofdpijn
Verstoppingen van de darmen Toegenomen prikkelbaarheid
Seksuele stoornissen Gewichtsafname of -toename
Duizeligheid Slapeloosheid
Versnelde hartslag door tijdelijk verlaagde Seksuele stoornissen
bloeddruk
Sufheid Bloedingsstoornissen
Verwardheid
Gewichtstoename
Verminderde hartwerking
,Angstremmende middelen (anxiolytica)
Tegen angststoornissen.
- Benzodiazepinen agonisten: onderdrukken het centraal zenuwstelsel en
hebben een werking om de angst te dempen. Spierontspannend.
- Bijwerkingen:
Afvlakking psychisch functioneren; dufheid
Concentratieverlies; afname alertheid en motorische vaardigheid.
Paradoxale reactie; rusteloosheid, agitatie, hallucinaties, wanen,
agressief gedrag.
Afhankelijkheid
Rebound gedrag; meer angst/slapeloosheid
Amnesie: vergeetachtigheid.
Antipsychotica
Tegen psychoses.
- Onderdrukken de werking van het neurotransmitter dopamine.
Onderdrukken van wanen en hallucinaties. Vermindering van angst en
opwindingstoestanden. Hebben een kalmerende werking.
- Bijwerkingen:
Klassieke antipsychotica: extra piramidale verschijnselen, zich
uitend in; bewegingsstoornissen, grimassen en speekselvloed.
Moderne antipsychotica: metabool syndroom.
Kan de onderdelen van het bloed benoemen en hun functie uitleggen en kan
het proces van hemostase uitleggen;
Bloed
55% van het bloed bestaat uit bloedplasma.
- Water
- Plasma-eiwitten
Albuminen: leveren een bijdrage aan osmotische druk van plasma,
transport lipiden, steroidhormonen.
Globulinen: transport van ionen, hormonen, vetten. Immuun functie;
afweer.
Fibrinogeen: essentieel onderdeel van stollingssysteem
Regulerende eiwitten: enzymen, pro-enzymen, hormonen.
- Opgeloste stoffen
45% van het bloed bestaat uit bloedcellen.
- Bloedplaatjes
- Rode bloedcellen
- Witte bloedcellen
Verschil bloedplasma en bloedserum
,Bloedplasma bevat stollingseiwitten en bloedserum niet meer.
Bloedcellen
- Pluripotente stamcel: hier begint alles.
Myeloide stamcel
o Trombocyten: bloedplaatjes.
o Erytrocyten: rode bloedcellen.
o Mestcel: belangrijk bij de afweer.
o Granulocyten: belangrijk bij de afweer.
o Monocyt/macrofaag: belangrijk bij de afweer.
Lymfoide stamcel
o Natural Killer cel: bestrijdt met name kankercellen.
o T-lymfocyt: van belang bij de specifieke afweer.
o B-lymfocyt: van belang bij de specifieke afweer.
Erytrocyten (rode bloedcellen)
- Zorgen voor het vervoer van zuurstof en koolstofdioxide.
- Kenmerken:
Plat, waardoor ze makkelijk door de kleinste haarvaatjes (capillairen) heen
kunnen.
Veel uitwisseling
Flexibel
Geen mitochondriën, ribosomen en celkern.
Korte levensduur
- Bestaat uit een celmembraan met transport eiwitten.
- Het transporteiwit is hemoglobine (Hb).
1 hemoglobine molecuul kan max. 4 zuurstof- of koolstofdioxide moleculen
binden.
Leukocyten (witte bloedcellen)
- Bevinden zich binnen en buiten de bloedsomloop
- Migratie naar weefsel
- Naar infectie en verwonding
- Gevoelig voor chemische signalen
- Granulocyten (neutrofielen, eosinifielen, basofielen)
Fagocytose: het opeten van een bacterie of een andere ziektekiem.
Basofielen scheiden heparine (stof die de bloedstolling tegengaat) en
histamine (zorgen voor een betere doorlaatbaarheid van de bloedvaten) uit
- Monocyten (in de bloedbaan)
Grootste witte bloedcellen
Macrofagen (buiten de bloedbaan)
Fagocytose
- Lymfocyten
Kunnen sterk in aantal toenemen
Immuniteit
, Trombocyten (bloedplaatjes)
- Kleine celfragmenten
- Hemostase: bloedstolling
Lange keten
Bloedplaatjes dichten de wond af
Het fibrinogeen vormt zich tot fibrinedraden waaraan de bloedplaatjes zich
vastbinden > hierdoor wordt de wond gedicht.
Hemostase (bloedstolling)
- Vasoconstrictie: de opening van de wond wordt kleiner en de bloedstroom wordt
vertraagd.
- Primaire hemostase: door trombocyten aggregatie ontstaat een prop op de plaats
van beschadiging. De bloeding wordt gestelpt.
- Secundair hemostase: de plek wordt verstevigd door fibrinedraden. Er vormt zich
een korstje en hieronder begint het herstel.
- Opruimen van stolsel: door zelfregulerende antistollingsmechanismen
1. Vasculaire fase: treedt op als weefsel of bloedvaten zijn beschadigd. De gladde
spiervezels in de bloedvatwand trekken samen, waardoor de diameter van het
bloedvat kleiner wordt. Het bloedverlies wordt dan tot een minimum beperkt. De
membranen van de endotheelcellen worden kleverig op de plaats van verwonding.
2. Bloedplaatjesfase: de bloedplaatjes hechten zich vast aan de kleverige
oppervlakken van het endotheel en aan de collageenvezels aan het oppervlak. Er
wordt uiteindelijk een bloedplaatjesprop gevormd, die de scheur in de
bloedvatwand kan afsluiten.
3. Coagulatiefase: fibrinogeen is in het bloedplasma opgelost; fibrine is een
onoplosbaar eiwit. Wanneer het fibrinenetwerk groeit, raken bloedcellen en
bloedplaatjes gevangen, zodat het bloedstolsel ontstaat.
Kan het systeem van de AB0 en Rhesus bloedroepen uitleggen en de
overerving beschrijven aan de hand van de belangrijkste vormen van
erfelijkheidspatronen en kan de mogelijkheden en complicaties bij transfusie
benoemen;