Sociaal probleem:
Een situatie die als problematisch wordt ervaren door een belangrijke
groep van personen omdat ze een bedreiging vormt voor hun centrale
waarden en belangen en waarvan wordt ondersteld dat ingrijpen
noodzakelijk is om tot een aanvaardbare conclusie te komen.
Wicked problems:
Problemen die eigenschappen hebben die onderzoek en oplossing moeilijk
maken, er is niet 1 juist antwoord of oplossing. Het zijn vaak complexe
zaken met onvoldoende of tegenstrijdige informatie en je hebt
verschillende perspectieven nodig om ze te begrijpen (disciplines
combineren).
Monodisciplinariteit:
Een soort discipline werkt aan een probleem.
Multidisciplinariteit:
2 of meerdere disciplines werken langs elkaar heen.
Interdisciplinariteit:
2 of meer disciplines werken geïntegreerd aan een probleem / naar een
nieuwe theorie.
Transdisciplinariteit:
2 of meer disciplines werken samen met mensen buiten de academie aan
een probleem.
Microsysteem:
De meest directe omgeving waarmee iemand in contact komt: vrienden en
familie bijvoorbeeld. Het interpersoonlijke niveau.
Mesosyteem:
Interacties tussen de microsystemen.
Exosysteem:
Contexten waar je zelf geen deel van uitmaakt, zoals het werk van je
ouders of de media bijvoorbeeld. Factoren uit de omgeving.
Macrosysteem:
Eigenschappen van de samenleving zoals economische factoren,
wetgeving en culturele normen.
Chronosysteem:
De tijdsdimensie van het model: levensloop en historische context.
Proximale processen:
De primaire mechanismen van ontwikkeling, omvatten regelmatige en
langdurige interacties zoals ouder-kind interacties, spel en leren. Het zijn
directre interacties tussen een individu en zijn omgeving en beïnvloeden
de ontwikkeling.
, Proces:
Ontwikkeling vindt plaats via proximale processen die regelmatig
voorkomen over langere tijd in de nabije omgeving en variëren afhankelijk
van kenmerken van het individu en de context.
Persoon:
Individuen brengen persoonlijke eigenschappen mee naar elke situatie:
* Demand = eigenschappen die een ander direct ziet.
* Resource = heeft te maken met mentale, emotionele, sociale en
materiële bronnen.
* Force = temperament, motivatie, doorzettingsvermogen.
Context:
De omgeving met vier onderling verbonden systemen (micro, meso,, exo
en macro) en elk systeem beïnvloedt de ontwikkeling van het individu op
verschillende manieren.
Tijd:
Tijd op verschillende niveau’s.
* Micro-tijd = wat er gebeurt tijdens een specifieke activiteit of interactie
(real-time).
* Meso-tijd = de mate van continuïteit waarin activiteiten of interacties
plaatsvinden.
* Macro-tijd = chronosyteem, historische gebeurtenissen.
Mediatie-effect:
Als het verband tussen twee variabelen wordt verklaard door een derde
variabele.
Moderatie-effect:
Als het verband tussen twee variabelen afhankelijk is van de waarde /
sterkte van een derde variabele.
Reproduceerbaarheid:
Dezelfde data en analysetechniek gebruiken en uitkomen op dezelfde
resultaten.
Repliceerbaarheid:
Het opnieuw gebruiken van dezelfde methodologie maar met andere data
en dezelfde resultaten krijgen.
Selectiebias:
Het niet meenemen van een bepaalde groep mensen in een steekproef.
P-hacking:
Niet-significante bevindingen significant maken door kleine veranderingen
te maken.
Iatrogene effecten:
Een situatie die als problematisch wordt ervaren door een belangrijke
groep van personen omdat ze een bedreiging vormt voor hun centrale
waarden en belangen en waarvan wordt ondersteld dat ingrijpen
noodzakelijk is om tot een aanvaardbare conclusie te komen.
Wicked problems:
Problemen die eigenschappen hebben die onderzoek en oplossing moeilijk
maken, er is niet 1 juist antwoord of oplossing. Het zijn vaak complexe
zaken met onvoldoende of tegenstrijdige informatie en je hebt
verschillende perspectieven nodig om ze te begrijpen (disciplines
combineren).
Monodisciplinariteit:
Een soort discipline werkt aan een probleem.
Multidisciplinariteit:
2 of meerdere disciplines werken langs elkaar heen.
Interdisciplinariteit:
2 of meer disciplines werken geïntegreerd aan een probleem / naar een
nieuwe theorie.
Transdisciplinariteit:
2 of meer disciplines werken samen met mensen buiten de academie aan
een probleem.
Microsysteem:
De meest directe omgeving waarmee iemand in contact komt: vrienden en
familie bijvoorbeeld. Het interpersoonlijke niveau.
Mesosyteem:
Interacties tussen de microsystemen.
Exosysteem:
Contexten waar je zelf geen deel van uitmaakt, zoals het werk van je
ouders of de media bijvoorbeeld. Factoren uit de omgeving.
Macrosysteem:
Eigenschappen van de samenleving zoals economische factoren,
wetgeving en culturele normen.
Chronosysteem:
De tijdsdimensie van het model: levensloop en historische context.
Proximale processen:
De primaire mechanismen van ontwikkeling, omvatten regelmatige en
langdurige interacties zoals ouder-kind interacties, spel en leren. Het zijn
directre interacties tussen een individu en zijn omgeving en beïnvloeden
de ontwikkeling.
, Proces:
Ontwikkeling vindt plaats via proximale processen die regelmatig
voorkomen over langere tijd in de nabije omgeving en variëren afhankelijk
van kenmerken van het individu en de context.
Persoon:
Individuen brengen persoonlijke eigenschappen mee naar elke situatie:
* Demand = eigenschappen die een ander direct ziet.
* Resource = heeft te maken met mentale, emotionele, sociale en
materiële bronnen.
* Force = temperament, motivatie, doorzettingsvermogen.
Context:
De omgeving met vier onderling verbonden systemen (micro, meso,, exo
en macro) en elk systeem beïnvloedt de ontwikkeling van het individu op
verschillende manieren.
Tijd:
Tijd op verschillende niveau’s.
* Micro-tijd = wat er gebeurt tijdens een specifieke activiteit of interactie
(real-time).
* Meso-tijd = de mate van continuïteit waarin activiteiten of interacties
plaatsvinden.
* Macro-tijd = chronosyteem, historische gebeurtenissen.
Mediatie-effect:
Als het verband tussen twee variabelen wordt verklaard door een derde
variabele.
Moderatie-effect:
Als het verband tussen twee variabelen afhankelijk is van de waarde /
sterkte van een derde variabele.
Reproduceerbaarheid:
Dezelfde data en analysetechniek gebruiken en uitkomen op dezelfde
resultaten.
Repliceerbaarheid:
Het opnieuw gebruiken van dezelfde methodologie maar met andere data
en dezelfde resultaten krijgen.
Selectiebias:
Het niet meenemen van een bepaalde groep mensen in een steekproef.
P-hacking:
Niet-significante bevindingen significant maken door kleine veranderingen
te maken.
Iatrogene effecten: