Hoofdstuk 3
Met betrekking tot de wijzen van verkrijgen van goederen kent de wet een gesloten systeem. Partijen
kunnen niet buiten de wet om een eigen, nieuwe wijze van verkrijging van goederen in het leven te
roepen. Goederen kunnen verkregen worden onder algemene en onder bijzonder titel. Verkrijging
onder algemene titel geschied wanneer er sprake is van erfopvolging, boedelinmenging, fusie,
splitsing, goedkeuring van een overdrachtsplan of toepassing van een afwikkelingsinstrument. Iedere
andere overdracht vereist een bijzondere titel. Voor erfopvolging geldt dat de erfgenamen van
rechtswege de erflater opvolgen in zijn voor overdracht vatbare rechten en in bezit en houderschap.
Verkrijging onder bijzondere titel geschied wanneer er sprake is van overdracht, verjaring of
onteigening. Een verkrijging is derivatief wanneer de verkrijger zijn recht op het goed door
rechtsovergang ontleent aan een ander. Een verkrijging is originair wanneer de verkrijger zijn recht op
het goed niet ontleent aan een rechtsvoorganger, maar dit recht nieuw bij hem ontstaat. Bij
overdracht van een goed waarop een beperkt recht is gevestigd, verwerft de verkrijger een goed dat
met dat beperkte recht is belast. De verkrijger is niet gebonden aan de persoonlijke verplichtingen die
zijn rechtsvoorganger met betrekking tot het goed is aangegaan. De verkrijger profiteert hier in
beginsel wel van. Zowel verkrijging als verlies van beperkte rechten kent een gesloten stelsel.
Afhankelijke rechten volgen het recht waaraan deze verbonden zijn. Gaat het hoofdrecht teniet, dan
gaat ook het daaraan verbonden afhankelijke recht teniet.
Hoofdstuk 7
Verjaring geschied op twee manieren. Men onderscheid verkrijgende verjaring ten gunste van de
bezitter te goeder trouw en verkrijging door de bevrijdende verjaring van de rechtsvordering
strekkende tot beëindiging van het bezit. Verkrijgende verjaring ex. Artikel 3:99 lid 1 vereist bezit van
het goed, de bezitter dient te goeder trouw te zijn en dit bezit dient onafgebroken te zijn gedurende
een bepaalde tijd. Verkrijging door verjaring ex. Artikel 3:105 vereist bezit van het goed en verjaring
van de rechtsvordering tot opeising van het bezit van het goed. De wet omschrijft bezit als het
houden van een goed voor zichzelf. Of iemand een goed houdt dient te worden bepaald aan de hand
van verkeersopvattingen. Hierbij dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van
het geval. Een belangrijke rol daarbij spelen de aard en de bestemming van het goed, de vraag of
iemand het goed al in zijn bezit had, de wijze waarop de uitoefening van de feitelijke macht
plaatsvindt en de wijze waarop hij deze macht heeft verworven. Artikel 3:108 – 3:113 dienen hierbij
in acht te worden genomen. Bezit kan worden verkregen door middel van inbezitneming of
bezitsoverdracht. Dit geldt zowel voor goederen als voor vorderingen en beperkte rechten.
Verkrijgende verjaring is bepekt tot de bezitter van het goed. Een houder kan geen bezit verkrijgen
door middel van verkrijgende verjaring. De bezitter dient te goeder trouw te zijn om in aanmerking te
komen voor verkrijgende verjaring. Goeder trouw wordt niet snel aangenomen gezien men er
normaliter rekening mee dient te houden dat een goed aan iemand toebehoort. De verjaringstermijn
voor verkrijgende verjaring ex. Artikel 3:99 is drie jaar voor roerende zaken die niet-registergoederen
zijn en tien jaar voor andere goederen. De verjaring begint te lopen met de aanvang van de dag na
het begin van het bezit. Degene die het bezit van een goed van een voorganger verkrijgt, zet een al
lopende verjaring voort. Voor verkrijgende verjaring dient het bezit gedurende de verjaringstermijn
onafgebroken te zijn. Met betrekking tot cultuurgoederen gelden nadere regels. Voor bevrijdende
verjaring is slechts vereist bezit op het tijdstip waarop de bevrijdende verjaring van rechtsvordering
, tot beëindiging van het bezit wordt voltooid. Er is geen goeder trouw vereist, noch onafgebroken
bezit. Door voltooiing van de verjaring van de rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis gaan
pand- of hypotheekrechten die tot zekerheid daartoe strekken teniet. Verkrijging van een goed door
verjaring treedt van rechtswege in.
Hoofdstuk 8
Bezit wordt omschreven als het houden van een goed voor zichzelf. Bezit is mogelijk voor ieder goed.
In de eerste plaats is er de zogenaamde politionele functie van het bezit. Degene die bezitsdaden
verricht is normaliter ook gerechtigde. In het verlengde daarvan ligt de processuele functie. De wet
beschouwt de bezitter tot bewijs van het tegendeel als rechthebbende. Bezitsverschaffing is de
voornaamste leveringsvorm van roerende zaken. Of er daadwerkelijk sprake is van bezit wordt
beoordeeld aan de hand van verkeersopvattingen en uiterlijke feiten.
Artikel 3:110. Indien tussen twee personen een rechtsverhouding bestaat die de strekking heeft dat
hetgeen door de ene zal worden verkregen voor de andere zal worden gehouden, dan wordt
eerstgenoemde houder voor de ander van alles wat hij ter uitvoering van die rechtsverhouding in
ontvangst neemt. Artikel 3:111. Bezitsinterversie waarbij de houder bezitter wordt. Artikel 3:112.
Men verkrijgt het bezit door de verwerving van de door het maatschappelijk verkeer als heerschappij
ten eigen behoeve erkende macht over een goed. Bezitter wordt men door zich als gerechtigde te
gedragen. Inbezitneming, overdracht en opvolging onder algemene titel worden aangemerkt als wijze
van bezitsverkrijging. Artikel 3:113. Inbezitneming vind plaats door zich de feitelijke macht te
verschaffen. De machtsverschaffing moet van dien aard zijn dat dit naar verkeersopvattingen als bezit
kan worden gekwalificeerd. Ook inbezitneming van beperkte rechten is mogelijk. Artikel 3:114. De
bezitter draagt zijn bezit over door de verkrijger in staat te stellen die macht uit te oefenen, die hij zelf
over het goed kon uitoefenen. Om bezit te kunnen overdragen moet men zelf bezitter zijn.
Artikel 3:115. Enkel bij roerende niet-registergoederen kan bezit worden overgedragen door middel
van een enkele tweezijdige verklaring. Het artikel noemt hiertoe drie varianten. Bij constitutum
possessorium maakt de vervreemder zich van bezitter tot houder. Het bezit is dan overgedragen. De
voorheen bezitter houdt het goed voor de nieuwe bezitter. Feitelijke overdracht van het goed
ontbreekt in deze. Bij brevi manu wordt de voorheen houder bezitter. Bij longa manu bevindt de zaak
die moet worden overgedragen zich in de handen van een derde partij welke houder is en houder
blijft terwijl de middellijk bezitter het bezit aan een ander overdraagt. Het bezit gaat in beginsel pas
over wanneer de vereiste mededeling de derden heeft bereikt. Artikel 3:116. De opvolger onder
algemene titel neemt de positie over van degene die hij opvolgt. Artikel 3:117. Bezit kan worden
verloren door het kennelijk prijsgeven ervan en door het verkrijgen van het bezit door een ander. Het
kennelijk prijsgeven is niet mogelijk in geval van onroerende zaken. Artikel 3:118 jo. 3:11. Een bezitter
is te goeder trouw indien hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als
zodanig mocht beschouwen. Dit wordt normaliter afgemeten aan het tijdstip van verkrijging van het
bezit. De bezitter wordt in beginsel vermoed te goeder trouw te zijn. De tegenpartij dient bewijs te
leveren omtrent het ontbreken van goeder trouw. Artikel 3:119. De bezitter wordt vermoed
rechthebbende te zijn. Artikel 3:120 – 3:125 wijden uit over de verdere rechtsgevolgen van bezit.
Hoofdstuk 10
Met betrekking tot de wijzen van verkrijgen van goederen kent de wet een gesloten systeem. Partijen
kunnen niet buiten de wet om een eigen, nieuwe wijze van verkrijging van goederen in het leven te
roepen. Goederen kunnen verkregen worden onder algemene en onder bijzonder titel. Verkrijging
onder algemene titel geschied wanneer er sprake is van erfopvolging, boedelinmenging, fusie,
splitsing, goedkeuring van een overdrachtsplan of toepassing van een afwikkelingsinstrument. Iedere
andere overdracht vereist een bijzondere titel. Voor erfopvolging geldt dat de erfgenamen van
rechtswege de erflater opvolgen in zijn voor overdracht vatbare rechten en in bezit en houderschap.
Verkrijging onder bijzondere titel geschied wanneer er sprake is van overdracht, verjaring of
onteigening. Een verkrijging is derivatief wanneer de verkrijger zijn recht op het goed door
rechtsovergang ontleent aan een ander. Een verkrijging is originair wanneer de verkrijger zijn recht op
het goed niet ontleent aan een rechtsvoorganger, maar dit recht nieuw bij hem ontstaat. Bij
overdracht van een goed waarop een beperkt recht is gevestigd, verwerft de verkrijger een goed dat
met dat beperkte recht is belast. De verkrijger is niet gebonden aan de persoonlijke verplichtingen die
zijn rechtsvoorganger met betrekking tot het goed is aangegaan. De verkrijger profiteert hier in
beginsel wel van. Zowel verkrijging als verlies van beperkte rechten kent een gesloten stelsel.
Afhankelijke rechten volgen het recht waaraan deze verbonden zijn. Gaat het hoofdrecht teniet, dan
gaat ook het daaraan verbonden afhankelijke recht teniet.
Hoofdstuk 7
Verjaring geschied op twee manieren. Men onderscheid verkrijgende verjaring ten gunste van de
bezitter te goeder trouw en verkrijging door de bevrijdende verjaring van de rechtsvordering
strekkende tot beëindiging van het bezit. Verkrijgende verjaring ex. Artikel 3:99 lid 1 vereist bezit van
het goed, de bezitter dient te goeder trouw te zijn en dit bezit dient onafgebroken te zijn gedurende
een bepaalde tijd. Verkrijging door verjaring ex. Artikel 3:105 vereist bezit van het goed en verjaring
van de rechtsvordering tot opeising van het bezit van het goed. De wet omschrijft bezit als het
houden van een goed voor zichzelf. Of iemand een goed houdt dient te worden bepaald aan de hand
van verkeersopvattingen. Hierbij dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van
het geval. Een belangrijke rol daarbij spelen de aard en de bestemming van het goed, de vraag of
iemand het goed al in zijn bezit had, de wijze waarop de uitoefening van de feitelijke macht
plaatsvindt en de wijze waarop hij deze macht heeft verworven. Artikel 3:108 – 3:113 dienen hierbij
in acht te worden genomen. Bezit kan worden verkregen door middel van inbezitneming of
bezitsoverdracht. Dit geldt zowel voor goederen als voor vorderingen en beperkte rechten.
Verkrijgende verjaring is bepekt tot de bezitter van het goed. Een houder kan geen bezit verkrijgen
door middel van verkrijgende verjaring. De bezitter dient te goeder trouw te zijn om in aanmerking te
komen voor verkrijgende verjaring. Goeder trouw wordt niet snel aangenomen gezien men er
normaliter rekening mee dient te houden dat een goed aan iemand toebehoort. De verjaringstermijn
voor verkrijgende verjaring ex. Artikel 3:99 is drie jaar voor roerende zaken die niet-registergoederen
zijn en tien jaar voor andere goederen. De verjaring begint te lopen met de aanvang van de dag na
het begin van het bezit. Degene die het bezit van een goed van een voorganger verkrijgt, zet een al
lopende verjaring voort. Voor verkrijgende verjaring dient het bezit gedurende de verjaringstermijn
onafgebroken te zijn. Met betrekking tot cultuurgoederen gelden nadere regels. Voor bevrijdende
verjaring is slechts vereist bezit op het tijdstip waarop de bevrijdende verjaring van rechtsvordering
, tot beëindiging van het bezit wordt voltooid. Er is geen goeder trouw vereist, noch onafgebroken
bezit. Door voltooiing van de verjaring van de rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis gaan
pand- of hypotheekrechten die tot zekerheid daartoe strekken teniet. Verkrijging van een goed door
verjaring treedt van rechtswege in.
Hoofdstuk 8
Bezit wordt omschreven als het houden van een goed voor zichzelf. Bezit is mogelijk voor ieder goed.
In de eerste plaats is er de zogenaamde politionele functie van het bezit. Degene die bezitsdaden
verricht is normaliter ook gerechtigde. In het verlengde daarvan ligt de processuele functie. De wet
beschouwt de bezitter tot bewijs van het tegendeel als rechthebbende. Bezitsverschaffing is de
voornaamste leveringsvorm van roerende zaken. Of er daadwerkelijk sprake is van bezit wordt
beoordeeld aan de hand van verkeersopvattingen en uiterlijke feiten.
Artikel 3:110. Indien tussen twee personen een rechtsverhouding bestaat die de strekking heeft dat
hetgeen door de ene zal worden verkregen voor de andere zal worden gehouden, dan wordt
eerstgenoemde houder voor de ander van alles wat hij ter uitvoering van die rechtsverhouding in
ontvangst neemt. Artikel 3:111. Bezitsinterversie waarbij de houder bezitter wordt. Artikel 3:112.
Men verkrijgt het bezit door de verwerving van de door het maatschappelijk verkeer als heerschappij
ten eigen behoeve erkende macht over een goed. Bezitter wordt men door zich als gerechtigde te
gedragen. Inbezitneming, overdracht en opvolging onder algemene titel worden aangemerkt als wijze
van bezitsverkrijging. Artikel 3:113. Inbezitneming vind plaats door zich de feitelijke macht te
verschaffen. De machtsverschaffing moet van dien aard zijn dat dit naar verkeersopvattingen als bezit
kan worden gekwalificeerd. Ook inbezitneming van beperkte rechten is mogelijk. Artikel 3:114. De
bezitter draagt zijn bezit over door de verkrijger in staat te stellen die macht uit te oefenen, die hij zelf
over het goed kon uitoefenen. Om bezit te kunnen overdragen moet men zelf bezitter zijn.
Artikel 3:115. Enkel bij roerende niet-registergoederen kan bezit worden overgedragen door middel
van een enkele tweezijdige verklaring. Het artikel noemt hiertoe drie varianten. Bij constitutum
possessorium maakt de vervreemder zich van bezitter tot houder. Het bezit is dan overgedragen. De
voorheen bezitter houdt het goed voor de nieuwe bezitter. Feitelijke overdracht van het goed
ontbreekt in deze. Bij brevi manu wordt de voorheen houder bezitter. Bij longa manu bevindt de zaak
die moet worden overgedragen zich in de handen van een derde partij welke houder is en houder
blijft terwijl de middellijk bezitter het bezit aan een ander overdraagt. Het bezit gaat in beginsel pas
over wanneer de vereiste mededeling de derden heeft bereikt. Artikel 3:116. De opvolger onder
algemene titel neemt de positie over van degene die hij opvolgt. Artikel 3:117. Bezit kan worden
verloren door het kennelijk prijsgeven ervan en door het verkrijgen van het bezit door een ander. Het
kennelijk prijsgeven is niet mogelijk in geval van onroerende zaken. Artikel 3:118 jo. 3:11. Een bezitter
is te goeder trouw indien hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als
zodanig mocht beschouwen. Dit wordt normaliter afgemeten aan het tijdstip van verkrijging van het
bezit. De bezitter wordt in beginsel vermoed te goeder trouw te zijn. De tegenpartij dient bewijs te
leveren omtrent het ontbreken van goeder trouw. Artikel 3:119. De bezitter wordt vermoed
rechthebbende te zijn. Artikel 3:120 – 3:125 wijden uit over de verdere rechtsgevolgen van bezit.
Hoofdstuk 10