Toolbox 11: Zwakke en sterke werkwoorden (Schwache und starke Verben)
Er zijn zwakke en sterke werkwoorden:
zwakke werkwoorden: de klinker blijft in de onvoltooid tegenwoordige tijd (Präsens)
en verleden tijd (Präterium) onveranderd. Het voltooid
deelwoord eindigt altijd op een –t.
voorbeeld: wohnen – du wohnst – du wohntest – du hat gewohnt.
In NL zwak, in DU ook meestal zwak.
sterke werkwoorden: de klinker kan verschillen. Het voltooid deelwoord eindigt altijd
op –en.
voorbeeld: helfen – du hilfst – du halfst – du hast geholfen.
In NL sterk, in DU ook meestal sterk.
Toolbox 12: Onvoltooid tegenwoordige tijd (o.t.t.) (Präsens)
Onregelmatige werkwoorden haben, sein, werden
haben sein werden
betekenis hebben zijn worden, zullen
ich habe bin werde
du hast bist wirst
er/sie/es hat ist wird
wir haben sind werden
ihr habt seid werdet
sie/Sie haben sind werden
volt.dw gehabt gewesen geworden
Het zwakke werkwoord
De meeste werkwoorden zijn zwak. Er zijn 4 groepen:
Werkwoorden vervoegd volgens de hoofdregel. Je gebruikt de (fe)e st t en t en-regel.
Werkwoorden met een stam op -d of –t.
Werkwoorden met een stam op medeklinker + -m of –n.
Werkwoorden met een stam op -s, -z, of –β.
Regels:
- Bij werkwoorden als warten en atmen komt er bij du, er/sie/es en ihr een -e tussen de
stam en de laatste letter(s). Je kunt het woord dan beter uitspreken.
- Bij werkwoorden als reisen komt er bij du niet –st, maar -t
regelmatig stam op -d of -t stam op een stam op -s, -z of -β
medeklinker +
-m of -n
voorbeeld kaufen warten atmen reisen
stam kauf wart atm reis
ich kaufe warte atme reise
du kaufst wartest atmest reist
er/sie/es kauft wartet atmet reist
wir kaufen warten atmen reisen
ihr kauft wartet atmet reist
sie/Sie kaufen warten atmen reisen
Het sterke werkwoord (e/i-Wechsel en a/ä-Wechsel)