algemene notities
niet vergeten
- meest sprake van prijsleider bij oligopolie
- selectieve distributie heeft hoog marktbereik en lage distributiespreiding
- hoekstenen marketingstrategie: innovatie, kwaliteit, merkimago, relatie klanten
- 4 C’s: Customer solution, Cost-to-customer, Convenience, Communication
- marketingconcept, 7 onderdelen (blz 6)
- 1e taak marketing: behoefte bepalen & begrijpen
2e taak marketing: met die info daarop inspelen (blz 6)
- 3 R’en: Reputatie, Relatie, Respons
- koopbeslissingsproces (blz 8)
termen
propositie = merkbeloften
marktaandeel = percentage bedrijf “heeft” vd markt (percentage van totale omzet & afzet
die markt in bepaalde periode)
doelgroep = deel vd markt waarop bedrijf zich richt
commerciële economie = beslissingen inkoop- en verkoopbeleid bedrijf
ruilproces = betrokken partijen wisselen iets van waarde om op elkaars behoeften in te
spelen (ruiltransactie, ruilobjecten)
bartering = rechtstreekse ruil goederen tegen goederen
macro-economie = groep consumenten/ondernemers analyseren
micro-economie = individuele huishoudens analyseren (bedrijven, gezinnen)
homo economicus = rationele consument
maatschappelijk marketingconcept = evenwicht tussen belangen consument, producent,
samenleving
marketing 4.0 = denken vanuit maatschappelijk marketingconcept
marketingbijziendheid = te beperkte omschrijvingen, waardoor product miss verandert en
je marketing niet meer klopt
concurrentievoordelen = als je je positief onderscheidt van anderen op de markt
brand equity = waarde van merk op lange termijn
waarde van de klantenkring (customer equity) = financiële waarde relaties bedrijf tot klant
b2b-marketing/businessmarkting = tussen bedrijven
MIS = marketing informatie systeem
wederverkoper = reseller, verkoper van ergens anders gekochte diensten/producten
marktsegmenten = ordenen verschillende soorten doelgroepen
multiple sourcing = inkopen spreiden over meerdere leveranciers
achterwaartse integratie = onderneming neemt toeleveringsbedrijf over of gaat zelf inkoop
grondstoffen regelen
1
,benchmarking = kritisch vergelijken eigen bedrijfsprocessen en prestaties met die van
andere succesvolle ondernemingen
discretionair inkomen = vrij besteedbare deel van het inkomen
conjunctuur = schommelingen economie
zerobased budgeting = alle budgetaanvragen volledig onderbouwen en rechtvaardigen, elk
jaar weer bij 0 beginnen
concern = hoogste niveau bedrijf, organisatieniveau
R&D = resource & development, innovatie, verbeteren
psychografie = wetenschap van lifestyle, demografie & psychologie
psychografische segmentatie = markt opgesplitst obv sociale klasse, levensstijl en/of
persoonlijkheid
anticiperende socialisatie = neemt alvast normen/waarden/gedrag over van groep waar je
ooit bij hoopt te horen
testimonial advertising = getuigenisreclame, positieve ervaringen delen van influencers /
experts / BN’ers (belangrijker WIE het zegt dan WAT er wordt gezegd)
PMC = product-marktcombinatie
duurzaam concurrentievoordeel = niet snel door concurrenten te imiteren / over te nemen
duurzame consumptiegoederen = iets wat je niet vaak koopt, wat je jaren gebruikt, focus
merkentrouw
boek grondslagen van de marketing
H1 wat is marketing
marketingmix (4 P’s) in de marketing
1. product → geen features, maar benefits (niet het product, maar de voordelen)
2. prijs → perception overrules reality (perceptie en vergelijking met iets duurs bijv)
3. plaats (& verpakking) → size-is-relative (zorg altijd doos vol/uitpuilt, gevoel meer
gekregen voor je geld)
4. promotie (/marketingcommunicatie) → merkbekendheid, merkimago, goede
klantrelatie, verkoop producten bevorderen
marketingcommunicatie
1. instrumenten → offline reclame, online reclame, sponsoring, sales promotion
(korting), direct marketing, CRM, sales, puclic-relations activiteiten, social media
2. strategie → vaststellen doelgroep, formuleren doelstellingen, vaststellen propositie
& boodschap, kiezen beste communicatie instrumenten en media, bepalen budget,
bepalen doelstellingen behaald
marktaandeel → percentage bedrijf “heeft” vd markt (percentage van totale omzet & afzet
die markt in bepaalde periode)
2
, - marketing → alle activiteiten die koper & verkoper bij elkaar brengen (4P’s, op markt
afstemmen, weten wat toegevoegde waarde voor klant)
doel: hogere omzet & respons
“aanbod precies afgesteld op vraag”
- verkoop → de verkoop zelf, de rest minder belangrijk, focus financiën (onderdeel
marketing)
! verschil verkoop/marketing → weerspiegelt maatschappij 1) klant heeft keuze, afgestemd
op behoeften en wensen 2) klant heeft geen keuze
productgerichte / marketinggerichte onderneming
marketinggericht → gefocust op behoeften en wensen klanten, feedback verwerken,
voortdurend verplaatsen in klant
verandering → vroeger: ‘kopers onder druk zetten’
nu: ‘product is precies wat klant zoekt, dus verkoopt het zichzelf’
4 P’s → productgericht, productiebedrijf, niet vanuit consumentenperspectief
4 C’s → modern, klantgericht, gericht op filosofie klant voor zich te winnen & te binden
4 P’s 4 C’s
product customer solution (oplossing probleem)
prijs cost to customer (prijs-kwaliteit)
plaats convenience (gemak voor klant)
promotie communication (wederzijds)
ruilproces → betrokken partijen wisselen iets van waarde om op elkaars behoeften in te
spelen (ruiltransactie, ruilobjecten)
algemene economie → leer van keuzehandelingen, streven naar welzijn (klassieke economie
gaat alleen van ratio uit, moderne economie ook van emotie)
3
, - macro-economie → groep consumenten/ondernemers analyseren
- micro-economie → individuele huishoudens analyseren (bedrijven, gezinnen)
bedrijfseconomie → economische aspecten bedrijf en onderlinge samenhang, economisch
handelen van een mens in een organisatie
commerciële economie → vanaf 1950, inzichten van sociologie & psychologie, houding &
gedrag consument, afstemmen behoeften & wensen klant, beslissingen inkoop- en
verkoopbeleid bedrijf
oorsprong marketing ruilhandel
bartering → rechtstreekse ruil goederen tegen goederen
invalshoeken marketing
1. macro marketing → niveau samenleving/maatschappij, door internet veel
makkelijker geworden (media, techniek, satelliet, transactiemogelijkheden, etc)
2. meso marketing → gezamenlijk uitgevoerde marketingactiviteiten bedrijven zelfde
markt/sector of met zelfde belang, bedrijfskolom, eerder beperken tot sector dan
bedrijf
3. micro marketing (marketingmanagement)→ individuele bedrijfsniveau, vanuit
managers die in een bedrijf beslissingen nemen (analyse, planning, implementatie,
evaluatie
bedrijfskolom → reeks personen/organisaties
betrokken bij productie, distributie, verbruik
(producent tot consument)
bedrijfstak → schakel in bedrijfskolom, elke schakel
toegevoegde waarde product
branche → groep organisaties binnen bedrijfstak
met grote overeenkomsten
door tweede wereldoorlog → schaarste = amper concurrentie = niet afstemmen op
consumenten
omschakeling marketing naar wel klantgericht → door invloed amerika
ontwikkeling marketinggedachte industriele revolutie → georiënteerd op:
- product
- verkoop
- marketing
- relatie
- digitale duurzame marketing
4