Jaar 1
In de loop van het eerste studiejaar maak
je een voortgangstoets. Dit is een
kennistoets van multiplechoicevragen
over de belangrijkste theorie die je geleerd
hebt in het eerste jaar van je studie. De
toets bestaat in jaar 1 uit 60 vragen over de
stof van jaar. Door het leren en herhalen
van deze stof, houd je de basiskennis voor
een (beginnend) sociaal werker op peil.
S. Fernand
,Module 1.1. en 1.2 Expertisegebied Sociale Wetenschappen.
Bronnen: J. Rigter, L van Beemen, J. Kuiper en P. Zijsling
Nature-nurture De discussie over in hoeverre gedrag
wordt bepaald door aangeboren factoren
(nature) of aangeleerde factoren
(nurture). Volgens Kuiper is ontwikkeling
een samenspel van beide invloeden.
Socialisatie Het proces waarin iemand de waarden,
normen en gedragingen leert die binnen
een samenleving of cultuur gelden.
Ouders, school en media zijn belangrijke
socialisatoren.
Model van Bronfenbrenner Een ecologisch model dat ontwikkeling
beschrijft als beïnvloed door meerdere
niveaus van de omgeving: micro-, meso-,
exo- en macrosysteem. Alles beïnvloedt
elkaar wederzijds.
Opvoedmilieus De context waarin opvoeding plaatsvindt,
zoals het gezin, school of buurt. Elk milieu
draagt op een eigen manier bij aan de
ontwikkeling van het kind.
Gezinssystemen en gezinstypes Een gezin is een systeem waarin elk lid
invloed heeft op de ander. Rigter
onderscheidt o.a. traditionele, moderne
en eenoudergezinnen.
Opvoedstijlen Verschillende manieren waarop ouders
omgaan met hun kind: autoritatief,
autoritair, permissief en verwaarlozend.
Elke stijl heeft invloed op het gedrag en
welzijn van het kind.
Persoonlijkheid De unieke en stabiele patronen in denken,
voelen en handelen. Ontwikkelt zich in
wisselwerking tussen aanleg en
omgeving.
Temperament De aangeboren manier waarop iemand op
prikkels reageert, zoals gevoeligheid of
activiteit. Temperament vormt de basis
voor latere persoonlijkheid.
Big 5 De aangeboren manier waarop iemand op
prikkels reageert, zoals gevoeligheid of
activiteit. Temperament vormt de basis
voor latere persoonlijkheid.
Coping De manier waarop iemand omgaat met
stress of moeilijke situaties. Er zijn
, probleemgerichte, emotiegerichte en
vermijdende strategieën.
Gehechtheid en opvoedstijlen Gehechtheid ontstaat in de vroege
kindertijd. De opvoedstijl van ouders
beïnvloedt of een kind een veilige of
onveilige hechting ontwikkelt.
Balansmodel Een model dat laat zien dat ontwikkeling
afhankelijk is van risicofactoren en
beschermende factoren binnen het kind,
het gezin en de omgeving.
Executieve functies Hersenfuncties die nodig zijn voor
zelfsturing, zoals plannen, impulsen
beheersen en je aandacht richten.
Sociale psychologie: invloed van groepen Gedrag wordt sterk beïnvloed door de
en bias. aanwezigheid van anderen. Denk aan
conformiteit, groepsdruk en cognitieve
biases zoals stereotypen en
vooroordelen.
Bio-psycho-sociaal model Een holistisch model dat stelt dat gedrag
en gezondheid worden beïnvloed door
biologische, psychologische en sociale
factoren.
Cognitieve ontwikkeling volgens Piaget Volgens Piaget doorloopt een kind vier
stadia van denken, van sensomotorisch
naar formeel operationeel. Denken wordt
steeds abstracter en logischer.
Motivatie en behoeftes De theorie van Maslow stelt dat mensen
pas aan zelfontplooiing toekomen als
basisbehoeften zoals veiligheid en liefde
zijn vervuld.
Geheugen en geheugenverlies Het geheugen bestaat uit zintuiglijk,
kortetermijn- en langetermijngeheugen.
Geheugenverlies kan ontstaan door
ouderdom, trauma of ziekte.
Leertheorieën: behaviorisme, 1. Behaviorisme: leren door prikkels
conditionering en sociaal leren en reacties.
2. Conditionering:
klassiek - Dit is leren door
associatie tussen een neutrale
prikkel en een betekenisvolle
prikkel.
operant - Dit is leren door
gevolgen van gedrag (belonen of
straffen).
3. Sociaal leren: leren door
observatie en imitatie