Hypercalciëmie:
Casus 1: 40-jarige vrouw; leeft teruggetrokken.
Ca totaal 3.2
Albumine
Je gaat PTH meten.
Je hebt 4 bijschildklieren en af en toe een 5e. je gaat op zoek naar de zieke bijschildklier.
- 99m TC-sestamibi scintigraphy SPECT-CT
- Choline PET
Behandeling:
Minimal invasive parathyroidectomy.
Waarom hyperparathyreoidie een problem:
- Osteitis fibrosa cystica
- Drepressie psychose
- Nefrocalcinose > nierstenen doordat je kalk uitplast.
- Maagzweer
- Pancreatitis.
Doordat je kalk uitplast kan je nierstenen krijgen.
CASUS 2:
Hypercalciemie
Man met pijn in de rug
- Ca totaal 3.2
- Phospaat 0.9
- AF 160
- 25-0OH vit D 25
- PTH 1
Diagnose: botprobleem > metastase (meest
voorkomend vanuit de prostaat). Ziekte van Kahler >
multipel myeloom.
Wat kan je nog bepalen als je denkt aan de diagnose:
prostaatkanker of multipel myeloom.
Casus 5: postoperatieve hypoparathyreoïdie.
Introductiecollege anesthesiologie:
- Cocaïne = lokaal anestheticum -> Na kanaalblokkades
Introductie interne geneeskunde:
Onderscheid geconjugeerde en ongeconjugeerd hyperbilirubinemie.
antibio
Midazolam = benzodiazepine
Snurkende ademhaling → obstructie
Colchicine = behandeling voor FMF
Episodische inflammatie. Familie-anamnese!
,Casus: medicatie 4dd insuline schema. Nycturie, polyurie, polydipsie
→ slechte diabetes regulatie, diabetes insipidus (ADH tekort), UWI, primaire polydipsie, osmotische diurese.
Dorst test; natrium. Hypernatriëmie bij diabetes insipidus
Wolfram syndroom; DIDMOAD (genetisch)
Diabetes inspidus, diabetes mellitus, opticus atrofie en doofheid.
Neurologische complicaties, hormonale problemen en gastrointestinale problemen
Introductie chirurgie:
Websurg.com > operaties bekijken.
Incision: met code LINKROOD account aanmaken
HC Algehele anesthesiologie, neuraxiale & regionale technieken
Factoren die bijdragen aan keuze voor de vorm van anesthesie:
- Anamnese: VG, allergieën, medicatie, eerdere operaties met narcose
- LO: auscultatie hart&longen, beoordelen luchtweg (nekextensie, mondopening)
- Andere factoren: duur ingreep, soort ingreep, regionale technieken mogelijk?
- Wens patiënt
Anesthesie is het doel: patiënt in staat brengen waarbij patiënt comfortabel een operatie kan ondergaan. Dit
kan door: algeheel, spinaal, epiduraal, regionaal. De homeostase wordt tijdens de operatie bewaakt en
gegarandeerd.
Bridging: overbrugging met een ander minder zodat je kort voor de OK de antistolling kan stoppen en na de OK
het middel weer kan starten. Clopidogrel moet je bijvoorbeeld 5 dagen van te voren stoppen. Dan geef je dus
tijdelijk heparine want die hoef je maar 3 uur voor de OK te stoppen.
Algehele anesthesie
Met sedativa en analgetica, waardoor het bewustzijn zodanig gedaald wordt, dat iemand niet wekbaar is.
Anesthesie = geen sensatie hebben. Analgesie is geen pijn hebben. Er zijn drie fasen:
1. Inductie; bewusteloosheid
2. Onderhoud; pijnstilling
3. Uitleiding; neuromusculaire blokkade (niet kunnen stoppen met antistolling)
Dit vormt samen de trias van de anesthesie.
Gouden regels
• Voor elke vorm van anesthesie moet je alle veiligheidschecks hebben doorlopen en je hebt altijd
noodmedicatie klaarliggen.
• Incidenten met medicatie komen vaak voor: dubbelcheck voor geven medicatie en tijdens bereiden. Je
moet dit altijd zelf controleren, niet aannemen.
Met larynxmasker kan je niet met hele hoge druk beademen; daarnaast ook maaginhoud omhoog bij niet
nuchtere patiënt.
Inductie/inleiding
- Aansluiten bewakingsapparatuur; bloeddruk, saturatie, ecg
- IV toegang
- Pre-oxygeneren
- Medicatie toedienen
o Anestheticum + analgeticum + evt spierrelaxans
- Luchtweg zekeren
o Larynxmasker (geen spierrelaxans), tube
- Op indicatie: extra bewaking, infuzen, urinecatheter
- Positionering patiënt (drukplekken)
- Start ingreep na dubbelcheck
,Onderhoud
Waarborgen van de homeostase staat centraal, door te kijken naar de beademing, hemodynamiek (bloeddruk,
UP, bloedverlies) en temperatuurmanagement.
Je luistert linksboven want als de tube selectief naar rechts schiet; hoor je niks links.
Dit wordt elke 5 minuten herhaald, volgens ABCDE principe:
- A; tube beslaat? Capnogram? Bdz ademgeruis?
- B; beademing? Juiste instellingen op de beademingsapparatuur?
- C; bloeddruk en pols, urineproductie, vochtbalans, infuus + snelheid infuus controleren
- D; lijkt de patiënt comfortabel? Pols, bloeddruk, zweten, pupil grootte, bewegingen
- E; adequate temperatuur, huidafwijkingen, positionering
Daarnaast moet je een adequate anesthesiediepte waarborgen, waarbij je kijkt naar reacties op eventuele
pijnprikkels en je kijkt ook of de patiënt slap genoeg is. Daarnaast moet je gaan bedenken hoe je de patiënt
gaat uitleiden, je moet voor het einde van de operatie al pijnstilling en anti-emetica starten.
Awareness; bij zwangeren. Kunnen geen opiaten krijgen tot kind eruit is → veel meer propofol geven
Uitleiding = laten ontwaken van de pt
- Je wil resteffecten van anesthetica, analgetica en spierrelaxantia monitoren.
- Zodra de patiënt adequaat zelf ademt en er is een zekere mate van bewustzijn, kan de patiënt
gedetubeerd worden.
- Na de extubatie moet je altijd de ABCDE controleren.
- Hierna vindt overplaatsing plaats naar recovery/IC.
Bewusteloosheid
Anesthetica grijpen aan op neurotransmissie niveau in het CZS via agonisme van de GABA receptor. Er is vooral
een inhiberende receptor, een AP wordt onderdrukt en prikkelgeleiding vertraagd door een agonist. GABA
heeft voornamelijk een inhiberende werking omdat de GABA-receptoren het celmembraan sterk polariseren
als ze chloride-ionen doorlaten. Dat betekent dat een actiepotentiaal onderdrukt wordt en prikkelgeleiding
binnen zenuwcellen vertraagd wordt door GABA-agonisten. De activiteit van zenuwcellen wordt in grote delen
van het centraal zenuwstelsel door GABA-agonisten onderdrukt.
Gaba agonisten worden toegepast als slaapmiddel, kalmering, anti-epilepticum of spierverslapper. Veel GABA
agonisten zijn benzo’s of barbituraten.
- Uitzondering op GABA agonisten is esketamine: dit is een NMDA receptor antagonist.
Voorbeelden van verschillende anesthetica, onderscheid in
- intraveneus (propofol, thiopental, etomidaat, esketamine (hemodynamisch stabiel en tachycard)
midazolam) en
- inhalatie (sevofluraan, isofluraan, desfluraan, lachgas).
o Isofluraan en desfluraan zijn de enige die niet worden gebruikt voor inductie, omdat er bij
deze middelen vaak luchtwegprikkeling optreedt, dat wil je niet.
- onderhoud van de narcose worden propofol (iv) , sevofluraan, isofluraan, desfluraan en lachgas
(inhalatie) het meest gebruikt.
VKA antagonist continueren.
Bij ziekte/ stress is er meer cortisol behoefte. Als er bijnierschortinsufficiëntie is → Hydrocortison schema:
normale dosering + 50 bolus iv voor ok etc…
→ dagelijks kaliumcontrole.
Belangrijkste om mee te nemen:
⁃ Als een patiënt bloedverdunners gebruikt: waarvoor gebruikt patiënt bloedverdunners en kan ik het
stoppen?
, ⁃ Wat voor een operatie is het? Kan het met bloedverdunners? Is het een grote buikoperatie of een
kleine ingreep.
⁃ Bij patiënten waar je toch OK wil doen met bloedverdunners > acenoucomarol/DOAC vervangen met
deltaparine/heparine (werkt kortdurend)
⁃ Je geeft extra cortisol: om stress reactie lichaam van/tijdens OK op te vangen.
Pijnstilling (analgetica)
Pijnstilling na een operatie vindt plaats via de WHO pijnladder. Voorbeelden van opioïden:
- Kortwerkende opioiden ( sufentanil, fentanyl, remifentanil, alfentanil
- Intraveneuze additiva voor pijnstilling: esketamine, lidocaine, clonidine. Eventueel kun je dit nog
aanvullen met epidurale of regionale technieken.
Morfine is een veel gebruikt opioid, maar vanwege de langdurige werking wordt dit meestal buiten de OK
gebruikt.
Post operatief; (mofrine/oxycodon/dipidolor)
Werking opioiden vindt plaats door aangrijping op de opioid receptoren.
Delta, kappa, mu en sigma. Mu receptor is de belangrijkste qua analgesie,
grijpt aan op brein, myelum, perifere sensorische zenuwen en tractus
digestivus. De effecten zijn:
- Analgesie
- Sedatie
- Afhankelijkheid
- Miosis
- Respiratoire depressie
- Obstipatie
Neuromusculaire blokkade (spierverslapping)
Dit heeft consequenties voor anesthesie: noodzaak voor beademing want patient is verslapt. Plaatsen van
endotracheale tube wordt makkelijker hierdoor, en chirurg krijgt betere condities.
Neuromusculaire overgang: Start met AP die over zenuw verloopt en acetylcholine vrij komt in de junction.
Acetylcholine grijpt dan aan op de acetylcholine receptoren, Na kanaal gaat open en depolarisatie van de
spiercel, waardoor spiercontractie kan plaatsvinden.
Spierverslappers werken met stoffen die competitief zijn met acetylcholine op de receptor. Er zijn twee
soorten:
- Depolariserend: hecht aan receptor en zet ion-kanaal open
o suxamethonium
- Niet-depolariserend: hecht aan receptor en laat het ion-kanaal dicht
o rocuronium , atracurium, cistracurium
Indicaties algehele anesthesie
Vrijwel iedere ingreep kan onder algeheel worden uitgevoerd. Contra-indicaties zijn:
- Relatief; sommige ingrepen liever patiënt wakker
o Voor monitoring: TUR, carotis endarteriectomie, neurochirurgie
o Voor foetus: risico op resp insufficientie bij geboorte groter
- Relatief; comorbiditeit cardiopulmonaal
o Afweging welk risico zwaarder weegt
o Kan de conditie van de patiënt geoptimaliseerd worden
Complicaties:
- Hypotensie
- Aspiratie(pneu)
- Post operative nausea en vomiting; PONV
- Tandletsel door gecompliceerde intubatie
- Awareness (0,1-1%)
- Allergische reactie
Casus 1: 40-jarige vrouw; leeft teruggetrokken.
Ca totaal 3.2
Albumine
Je gaat PTH meten.
Je hebt 4 bijschildklieren en af en toe een 5e. je gaat op zoek naar de zieke bijschildklier.
- 99m TC-sestamibi scintigraphy SPECT-CT
- Choline PET
Behandeling:
Minimal invasive parathyroidectomy.
Waarom hyperparathyreoidie een problem:
- Osteitis fibrosa cystica
- Drepressie psychose
- Nefrocalcinose > nierstenen doordat je kalk uitplast.
- Maagzweer
- Pancreatitis.
Doordat je kalk uitplast kan je nierstenen krijgen.
CASUS 2:
Hypercalciemie
Man met pijn in de rug
- Ca totaal 3.2
- Phospaat 0.9
- AF 160
- 25-0OH vit D 25
- PTH 1
Diagnose: botprobleem > metastase (meest
voorkomend vanuit de prostaat). Ziekte van Kahler >
multipel myeloom.
Wat kan je nog bepalen als je denkt aan de diagnose:
prostaatkanker of multipel myeloom.
Casus 5: postoperatieve hypoparathyreoïdie.
Introductiecollege anesthesiologie:
- Cocaïne = lokaal anestheticum -> Na kanaalblokkades
Introductie interne geneeskunde:
Onderscheid geconjugeerde en ongeconjugeerd hyperbilirubinemie.
antibio
Midazolam = benzodiazepine
Snurkende ademhaling → obstructie
Colchicine = behandeling voor FMF
Episodische inflammatie. Familie-anamnese!
,Casus: medicatie 4dd insuline schema. Nycturie, polyurie, polydipsie
→ slechte diabetes regulatie, diabetes insipidus (ADH tekort), UWI, primaire polydipsie, osmotische diurese.
Dorst test; natrium. Hypernatriëmie bij diabetes insipidus
Wolfram syndroom; DIDMOAD (genetisch)
Diabetes inspidus, diabetes mellitus, opticus atrofie en doofheid.
Neurologische complicaties, hormonale problemen en gastrointestinale problemen
Introductie chirurgie:
Websurg.com > operaties bekijken.
Incision: met code LINKROOD account aanmaken
HC Algehele anesthesiologie, neuraxiale & regionale technieken
Factoren die bijdragen aan keuze voor de vorm van anesthesie:
- Anamnese: VG, allergieën, medicatie, eerdere operaties met narcose
- LO: auscultatie hart&longen, beoordelen luchtweg (nekextensie, mondopening)
- Andere factoren: duur ingreep, soort ingreep, regionale technieken mogelijk?
- Wens patiënt
Anesthesie is het doel: patiënt in staat brengen waarbij patiënt comfortabel een operatie kan ondergaan. Dit
kan door: algeheel, spinaal, epiduraal, regionaal. De homeostase wordt tijdens de operatie bewaakt en
gegarandeerd.
Bridging: overbrugging met een ander minder zodat je kort voor de OK de antistolling kan stoppen en na de OK
het middel weer kan starten. Clopidogrel moet je bijvoorbeeld 5 dagen van te voren stoppen. Dan geef je dus
tijdelijk heparine want die hoef je maar 3 uur voor de OK te stoppen.
Algehele anesthesie
Met sedativa en analgetica, waardoor het bewustzijn zodanig gedaald wordt, dat iemand niet wekbaar is.
Anesthesie = geen sensatie hebben. Analgesie is geen pijn hebben. Er zijn drie fasen:
1. Inductie; bewusteloosheid
2. Onderhoud; pijnstilling
3. Uitleiding; neuromusculaire blokkade (niet kunnen stoppen met antistolling)
Dit vormt samen de trias van de anesthesie.
Gouden regels
• Voor elke vorm van anesthesie moet je alle veiligheidschecks hebben doorlopen en je hebt altijd
noodmedicatie klaarliggen.
• Incidenten met medicatie komen vaak voor: dubbelcheck voor geven medicatie en tijdens bereiden. Je
moet dit altijd zelf controleren, niet aannemen.
Met larynxmasker kan je niet met hele hoge druk beademen; daarnaast ook maaginhoud omhoog bij niet
nuchtere patiënt.
Inductie/inleiding
- Aansluiten bewakingsapparatuur; bloeddruk, saturatie, ecg
- IV toegang
- Pre-oxygeneren
- Medicatie toedienen
o Anestheticum + analgeticum + evt spierrelaxans
- Luchtweg zekeren
o Larynxmasker (geen spierrelaxans), tube
- Op indicatie: extra bewaking, infuzen, urinecatheter
- Positionering patiënt (drukplekken)
- Start ingreep na dubbelcheck
,Onderhoud
Waarborgen van de homeostase staat centraal, door te kijken naar de beademing, hemodynamiek (bloeddruk,
UP, bloedverlies) en temperatuurmanagement.
Je luistert linksboven want als de tube selectief naar rechts schiet; hoor je niks links.
Dit wordt elke 5 minuten herhaald, volgens ABCDE principe:
- A; tube beslaat? Capnogram? Bdz ademgeruis?
- B; beademing? Juiste instellingen op de beademingsapparatuur?
- C; bloeddruk en pols, urineproductie, vochtbalans, infuus + snelheid infuus controleren
- D; lijkt de patiënt comfortabel? Pols, bloeddruk, zweten, pupil grootte, bewegingen
- E; adequate temperatuur, huidafwijkingen, positionering
Daarnaast moet je een adequate anesthesiediepte waarborgen, waarbij je kijkt naar reacties op eventuele
pijnprikkels en je kijkt ook of de patiënt slap genoeg is. Daarnaast moet je gaan bedenken hoe je de patiënt
gaat uitleiden, je moet voor het einde van de operatie al pijnstilling en anti-emetica starten.
Awareness; bij zwangeren. Kunnen geen opiaten krijgen tot kind eruit is → veel meer propofol geven
Uitleiding = laten ontwaken van de pt
- Je wil resteffecten van anesthetica, analgetica en spierrelaxantia monitoren.
- Zodra de patiënt adequaat zelf ademt en er is een zekere mate van bewustzijn, kan de patiënt
gedetubeerd worden.
- Na de extubatie moet je altijd de ABCDE controleren.
- Hierna vindt overplaatsing plaats naar recovery/IC.
Bewusteloosheid
Anesthetica grijpen aan op neurotransmissie niveau in het CZS via agonisme van de GABA receptor. Er is vooral
een inhiberende receptor, een AP wordt onderdrukt en prikkelgeleiding vertraagd door een agonist. GABA
heeft voornamelijk een inhiberende werking omdat de GABA-receptoren het celmembraan sterk polariseren
als ze chloride-ionen doorlaten. Dat betekent dat een actiepotentiaal onderdrukt wordt en prikkelgeleiding
binnen zenuwcellen vertraagd wordt door GABA-agonisten. De activiteit van zenuwcellen wordt in grote delen
van het centraal zenuwstelsel door GABA-agonisten onderdrukt.
Gaba agonisten worden toegepast als slaapmiddel, kalmering, anti-epilepticum of spierverslapper. Veel GABA
agonisten zijn benzo’s of barbituraten.
- Uitzondering op GABA agonisten is esketamine: dit is een NMDA receptor antagonist.
Voorbeelden van verschillende anesthetica, onderscheid in
- intraveneus (propofol, thiopental, etomidaat, esketamine (hemodynamisch stabiel en tachycard)
midazolam) en
- inhalatie (sevofluraan, isofluraan, desfluraan, lachgas).
o Isofluraan en desfluraan zijn de enige die niet worden gebruikt voor inductie, omdat er bij
deze middelen vaak luchtwegprikkeling optreedt, dat wil je niet.
- onderhoud van de narcose worden propofol (iv) , sevofluraan, isofluraan, desfluraan en lachgas
(inhalatie) het meest gebruikt.
VKA antagonist continueren.
Bij ziekte/ stress is er meer cortisol behoefte. Als er bijnierschortinsufficiëntie is → Hydrocortison schema:
normale dosering + 50 bolus iv voor ok etc…
→ dagelijks kaliumcontrole.
Belangrijkste om mee te nemen:
⁃ Als een patiënt bloedverdunners gebruikt: waarvoor gebruikt patiënt bloedverdunners en kan ik het
stoppen?
, ⁃ Wat voor een operatie is het? Kan het met bloedverdunners? Is het een grote buikoperatie of een
kleine ingreep.
⁃ Bij patiënten waar je toch OK wil doen met bloedverdunners > acenoucomarol/DOAC vervangen met
deltaparine/heparine (werkt kortdurend)
⁃ Je geeft extra cortisol: om stress reactie lichaam van/tijdens OK op te vangen.
Pijnstilling (analgetica)
Pijnstilling na een operatie vindt plaats via de WHO pijnladder. Voorbeelden van opioïden:
- Kortwerkende opioiden ( sufentanil, fentanyl, remifentanil, alfentanil
- Intraveneuze additiva voor pijnstilling: esketamine, lidocaine, clonidine. Eventueel kun je dit nog
aanvullen met epidurale of regionale technieken.
Morfine is een veel gebruikt opioid, maar vanwege de langdurige werking wordt dit meestal buiten de OK
gebruikt.
Post operatief; (mofrine/oxycodon/dipidolor)
Werking opioiden vindt plaats door aangrijping op de opioid receptoren.
Delta, kappa, mu en sigma. Mu receptor is de belangrijkste qua analgesie,
grijpt aan op brein, myelum, perifere sensorische zenuwen en tractus
digestivus. De effecten zijn:
- Analgesie
- Sedatie
- Afhankelijkheid
- Miosis
- Respiratoire depressie
- Obstipatie
Neuromusculaire blokkade (spierverslapping)
Dit heeft consequenties voor anesthesie: noodzaak voor beademing want patient is verslapt. Plaatsen van
endotracheale tube wordt makkelijker hierdoor, en chirurg krijgt betere condities.
Neuromusculaire overgang: Start met AP die over zenuw verloopt en acetylcholine vrij komt in de junction.
Acetylcholine grijpt dan aan op de acetylcholine receptoren, Na kanaal gaat open en depolarisatie van de
spiercel, waardoor spiercontractie kan plaatsvinden.
Spierverslappers werken met stoffen die competitief zijn met acetylcholine op de receptor. Er zijn twee
soorten:
- Depolariserend: hecht aan receptor en zet ion-kanaal open
o suxamethonium
- Niet-depolariserend: hecht aan receptor en laat het ion-kanaal dicht
o rocuronium , atracurium, cistracurium
Indicaties algehele anesthesie
Vrijwel iedere ingreep kan onder algeheel worden uitgevoerd. Contra-indicaties zijn:
- Relatief; sommige ingrepen liever patiënt wakker
o Voor monitoring: TUR, carotis endarteriectomie, neurochirurgie
o Voor foetus: risico op resp insufficientie bij geboorte groter
- Relatief; comorbiditeit cardiopulmonaal
o Afweging welk risico zwaarder weegt
o Kan de conditie van de patiënt geoptimaliseerd worden
Complicaties:
- Hypotensie
- Aspiratie(pneu)
- Post operative nausea en vomiting; PONV
- Tandletsel door gecompliceerde intubatie
- Awareness (0,1-1%)
- Allergische reactie