Oefen tentamen diversiteit (Jasper)
Vraag 1: wat is biodiversiteit?
A: Het aantal verschillende plantensoorten in een gebied.
B: Het aantal dieren dat een bepaald gebied bewoont.
C: diversiteit binnen soorten, tussen soorten en van ecosystemen.
D: De manier waarop verschillende soorten zich voortplanten in een
ecosysteem.
Vraag 2: hoe meet je biodiversiteit?
A: Aantal individuen dat heterozygoot is
B: Soortengelijkmatigheid: Hoe gelijkmatig de individuen over de
aanwezige soorten zijn verdeeld.
C: Ecosysteemrijkdom: aantal verschillende type ecosysteem
D: alle bovenstaande antwoorden
Vraag 3: welke gemeenschap is biodiverser?
Vraag 4: Welke van de volgende beweringen beschrijft het beste de rol
van ecosystemenfuncties?
A: Ecosystemenfuncties zijn processen die zorgen voor de diversiteit aan
plantensoorten in een ecosysteem.
B: Ecosystemenfuncties dragen bij aan het behoud van de structuur en
dynamiek van een ecosysteem door natuurlijke processen en interacties.
C: Ecosystemenfuncties zijn alleen verantwoordelijk voor de hoeveelheid
voedsel die beschikbaar is in een ecosysteem.
D: Ecosystemenfuncties zorgen voor de afwezigheid van andere
organismen in een ecosysteem.
Vraag 5: vul A, B en Y in.
A=
B=
Y=
, Vraag 6: Wat is het effect van lage biodiversiteit op de veerkracht van
een ecosysteem?
A: Lage biodiversiteit verhoogt de veerkracht, omdat er minder soorten
zijn die met elkaar concurreren.
B: Lage biodiversiteit vermindert de veerkracht, omdat het ecosysteem
minder in staat is zich aan te passen aan veranderingen en verstoringen.
C: Lage biodiversiteit heeft geen effect op de veerkracht van een
ecosysteem.
D: Lage biodiversiteit verhoogt de veerkracht, omdat de dominante
soorten sneller herstellen van verstoringen.
Vraag 7: koppel de juiste benamingen.
A: diploïd
B: haploïd
C: gamete
1: verwijst naar een cel die slechts één set chromosomen bevat
2: Een ……… voortplantingscel, zoals een eicel of zaadcel.
3: verwijst naar een cel die twee sets chromosomen bevat
Vraag 8: vul de punnett square in:
A a
a
a
Vraag 9: vul de punnett square in:
i i
I(a
)
I(B
)
Vraag 10: welke vorm van selectie zie
je op het plaatje?
A: seksuele selectie
B: kunstmatige selectie
C: natuurlijke selectie
Vraag 1: wat is biodiversiteit?
A: Het aantal verschillende plantensoorten in een gebied.
B: Het aantal dieren dat een bepaald gebied bewoont.
C: diversiteit binnen soorten, tussen soorten en van ecosystemen.
D: De manier waarop verschillende soorten zich voortplanten in een
ecosysteem.
Vraag 2: hoe meet je biodiversiteit?
A: Aantal individuen dat heterozygoot is
B: Soortengelijkmatigheid: Hoe gelijkmatig de individuen over de
aanwezige soorten zijn verdeeld.
C: Ecosysteemrijkdom: aantal verschillende type ecosysteem
D: alle bovenstaande antwoorden
Vraag 3: welke gemeenschap is biodiverser?
Vraag 4: Welke van de volgende beweringen beschrijft het beste de rol
van ecosystemenfuncties?
A: Ecosystemenfuncties zijn processen die zorgen voor de diversiteit aan
plantensoorten in een ecosysteem.
B: Ecosystemenfuncties dragen bij aan het behoud van de structuur en
dynamiek van een ecosysteem door natuurlijke processen en interacties.
C: Ecosystemenfuncties zijn alleen verantwoordelijk voor de hoeveelheid
voedsel die beschikbaar is in een ecosysteem.
D: Ecosystemenfuncties zorgen voor de afwezigheid van andere
organismen in een ecosysteem.
Vraag 5: vul A, B en Y in.
A=
B=
Y=
, Vraag 6: Wat is het effect van lage biodiversiteit op de veerkracht van
een ecosysteem?
A: Lage biodiversiteit verhoogt de veerkracht, omdat er minder soorten
zijn die met elkaar concurreren.
B: Lage biodiversiteit vermindert de veerkracht, omdat het ecosysteem
minder in staat is zich aan te passen aan veranderingen en verstoringen.
C: Lage biodiversiteit heeft geen effect op de veerkracht van een
ecosysteem.
D: Lage biodiversiteit verhoogt de veerkracht, omdat de dominante
soorten sneller herstellen van verstoringen.
Vraag 7: koppel de juiste benamingen.
A: diploïd
B: haploïd
C: gamete
1: verwijst naar een cel die slechts één set chromosomen bevat
2: Een ……… voortplantingscel, zoals een eicel of zaadcel.
3: verwijst naar een cel die twee sets chromosomen bevat
Vraag 8: vul de punnett square in:
A a
a
a
Vraag 9: vul de punnett square in:
i i
I(a
)
I(B
)
Vraag 10: welke vorm van selectie zie
je op het plaatje?
A: seksuele selectie
B: kunstmatige selectie
C: natuurlijke selectie