Aardbevingen en Platentektoniek
Aardbevingen en Platentektoniek: Aardbevingen ontstaan door de
beweging van aardplaten langs breuklijnen. Deze beweging kan
plaatsvinden door:
Convergente beweging: Platen bewegen naar elkaar toe. Dit
veroorzaakt subductiezones, waar zware oceanische platen onder
lichtere continentale platen duiken. Hierbij komen sterke
aardbevingen voor, vaak in combinatie met vulkanisme.
Divergente beweging: Platen bewegen uit elkaar, zoals bij mid-
oceanische ruggen. Dit leidt tot lichtere, frequentere aardbevingen.
Transforme beweging: Platen bewegen langs elkaar, zoals bij de
San Andreasbreuk in Californië. Deze platen "schuren" tegen elkaar,
wat krachtige aardbevingen kan veroorzaken.
Gevolgen van aardbevingen:
Tsunami’s: Deze ontstaan wanneer grote hoeveelheden water worden
verplaatst door zeebeving. Dit is een tektonische aardbeving
Epicentrum: Het punt aan het aardoppervlak direct boven het
hypocentrum van een aardbeving.
Hypocentrum: De plek in de aardkorst waar de aardbeving begint.
Seismografie: De wetenschap die aardbevingen registreert en bestudeert.
Soorten aardbevingen
Tektonische aardbevingen
Deze komen het vaakst voor en worden veroorzaakt door de beweging van
tektonische platen langs breuklijnen. Wanneer spanning in de aardkorst
vrijkomt, ontstaat een schokgolf. Voorbeelden zijn de aardbevingen langs
de San Andreasbreuk in Californië.
Vulkanische aardbevingen
Deze aardbevingen worden veroorzaakt door vulkanische activiteit. Ze
ontstaan door de beweging van magma onder de grond, die druk uitoefent
op de aardkorst. Ze komen vaak voor rond actieve vulkanen, zoals de Etna
of Mount St. Helens.
Instortingsaardbevingen
Dit zijn kleine aardbevingen die optreden wanneer grotten of
ondergrondse mijnen instorten. Ze hebben meestal een lokale impact.
Slab pull = Zware plaat trekt zichzelf naar beneden.
, Ridge push = Nieuwe korst duwt platen uit elkaar.
P en S golven:
P-golven (Primaire golven)
De P staat voor primaire, omdat deze golven het snelst
bewegen en dus als eerste worden geregistreerd door seismografen.
Het zijn compressiegolven: ze veroorzaken afwisselend samendrukking en
uitrekking in de richting waarin de golf zich voortplant (denk aan een veer
die je in- en uitdrukt).
Voortplanting: P-golven bewegen zich door zowel vaste stoffen,
vloeistoffen als gassen. Dit maakt ze uniek, omdat ze door de hele aarde
kunnen reizen, inclusief de vloeibare buitenkern.
Snelheid: Ze bewegen sneller dan S-golven, met snelheden van 6–13 km/s,
afhankelijk van het materiaal waarin ze zich voortbewegen.
S-golven (Secundaire golven)
Eigenschappen:
De S staat voor secundaire, omdat deze
golven langzamer zijn dan P-golven en dus
later aankomen bij seismografen.
Het zijn schuifgolven: ze veroorzaken
beweging loodrecht op de
voortplantingsrichting van de golf (zoals
een touw dat je heen en weer beweegt).
Voortplanting: S-golven bewegen alleen
door vaste stoffen. Ze kunnen niet door
vloeistoffen of gassen reizen, waardoor ze niet door de buitenkern van de
aarde komen.
Snelheid: Ze zijn langzamer dan P-golven, met snelheden van 3–7 km/s.
Gebruik van S- en P-golven in de geologie
Verschil in aankomsttijd:
Seismografen meten het tijdsverschil tussen de aankomst van P- en S-
golven om de locatie van het hypocentrum (aardbevingshaard) te bepalen.
Hoe groter het verschil in aankomsttijd, hoe verder de aardbeving van het
meetstation vandaan plaatsvond.
Aardstructuur onderzoeken:
Omdat P-golven door vloeistoffen kunnen bewegen en S-golven niet,
gebruiken geologen deze golven om te bepalen welke lagen van de aarde
vast of vloeibaar zijn. Bijvoorbeeld: de afwezigheid van S-golven in de
buitenkern bevestigde dat deze vloeibaar is.
Beweging van platen:
Convergent: Vormt gebergten zoals de Himalaya.
Divergent: Creëert oceanische ruggen en slenken.
Transform: Veroorzaakt horizontale verplaatsing van gesteente.
Richterschaal meet de energie (magnitude).
Moment-magnitude schaal is een nauwkeuriger alternatief voor de kracht
van grotere bevingen.