Functie: verwijderen van afvalstoffen (o.a. ureum) en restproducten van
de stofwisseling en tegelijkertijd de juiste samenstelling en osmotische
druk van het bloed handhaven.
Lichaam in balans houden (homeostase)
De nieren (renes) liggen retroperitoneaal in het abdominaal.
De bijnieren (glandulae suprarenales) liggen als toefjes slagroom boven
op de renes.
De nieren en bijnieren worden ondersteund door een laag steunvet
(perirenaal vet). Hieromheen ligt bindweefsel (fascia renalis).
Beschermen de nieren tegen schokken en stoten.
Bouw van de renes
Nierkapsel: buitenste laag van de renes
Cortex: schors
Medulla: merg, de merggebieden hebben de vorm van stompe kegels en
worden mergpiramiden genoemd.
Nierpapil: top van de mergpiramide.
Hier monden drie tot zes mergpiramiden uit in een holte (calix).
Pyelum: nierbekken
Ureter: urineleider
a.renalis: nierslagader (wordt gezuiverd door de nefronen)
v.renalis: nierader (voert gezuiverd bloed af)
Nefronen: bestaat uit glomerulus, tubulus (proximale en distale) en
verzamelbuis die samen het filtratieproces uitvoeren.
In de cortex zitten de malpighilichaampjes (nierlichaampjes).
De nierlichaampjes bestaan uit: kapsel van Bowman en de
glomerulus.
Het kapsel van Bowman vormt als het ware een zakje voor de
glomerulus.
Bij de vorming van urine spelen drie mechanismen een rol:
,Ultrafiltratie
- Door de hoge druk in de glomerulus wordt een deel van het
bloedplasma door de wand van de capillairen geduwd.
- Hierbij wordt voorurine (lijkt op bloedplasma) gevormd.
- De grote bloedcellen blijven achter in het bloed.
- Passief transport
Terugresorptie
- Veel stoffen in de voorurine die het lichaam nodig heeft.
- Doormiddel van actief transport worden deze stoffen terug
geresorbeerd.
Regeling van de water- en zoutenuitscheiding
ADH (antidiuretisch hormoon): heeft invloed op de wateruitscheiding van
de renes.
Wanneer de nieren een te hoog zoutgehalte van het bloed registreren,
wordt de hypofyse geprikkeld om meer ADH af te geven aan het bloed.
Hierdoor wordt er meer water terug geresorbeerd naar het bloed.
Afgifte van extra ADH aan het bloed doet het bloedvolume
toenemen en daardoor dus indirect de bloeddruk.
Wanneer er geen ADH aanwezig zou zijn dan zou de urine zeer
waterig zijn.
RAAS (renine-angiotensine-aldosteronsysteem)
Wanneer de bloeddruk daalt geven de juxtaglomerulaire cellen het
enzym renine aan het bloed af. Renine bevordert de omzetting van
angiotensinogeen in angiotensine.
- Angiotensine veroorzaakt in het hele lichaam vaatvernauwing van
arteriolen.
- Angiotensine stimuleert voor extra terugresorptie van water en
NaCl in het bloed.
- Angiotensine stimuleert bijnierschors tot de afgifte van het
hormoon aldosteron (stimuleert de terugresorptie van natrium en
de excretie van kalium).
, Aldosteron: stimuleren van de terugresorptie van Na+ ionen en de
excretie van K+ ionen.
Natrium bindt meer water aan zich dan kalium met als gevolg dat
er meer water in het bloed wordt vastgehouden.
Diurese (urinevorming)
Mictie (urinelozing)
Pathologie van de renes
Veel voorkomende symptomen
Pollakisurie: vaak kleine beetjes plassen
Oligurie: verminderde urineproductie
Anurie: uitblijven van urinelozing
Dysurie: pijnlijke urinelozing
Nycturie: vaak s ‘nachts plassen
Hematurie: bloed in de urine
Pyurie: troebele urine
Urineretentie: ophoping van urine in de blaas
Diagnostisch onderzoek
Lichamelijk onderzoek
Onderzoek van de nierfunctie -> bepaling van creatinine en ureum
Creatinine: afvalproduct van spierstofwisseling
Ureum: afvalproduct van eiwitstofwisseling
Hoge concentraties kunnen duiden op een nierfunctiestoornis.
Betere schatting van de nierfunctie kan gedaan worden door bepaling
van eGFR
eGFR: maat voor de snelheid waarmee de nieren het bloed filteren op
afvalstoffen.
Urineonderzoek
Dipstick: een teststrook met kleurvakjes die in de urine wordt gedoopt.
Bepaling van pH en de aanwezigheid van abnormale stoffen in de
urine (eiwitten, glucose, leukocyten en erytrocyten)
Nitriettest: positieve nitriettest duidt op bacteriën in de urine.