Inleiding het sociologisch perspectief (cursustekst
pp. 13-39)
Basisvragen
Welke invloed heeft de maatschappij waarin mensen leven op
het leven van individuele mensen?
Hoe werkt het samenleven door individuele wezens?
- Onze ouders leren ons communiceren
- We krijgen een culturele bagage mee
- We houden rekening met elkaar
Fenomeen van applaus
- Waarom geven mensen applaus?
- Mensen blijven klappen als de artiest blijft buigen, als mensen iets
herkennen klappen ze.
- Applaus is een universeel fenomeen – hoe is dit voorspellen en hoe
is dit geëvolueerd?
Hoe kunnen we de orde en de voorspelbaarheid verklaren die we
voortdurend zien in het sociale leven?
Hoe is een geordend samenleven mogelijk?
- Bv. evolutie van sociale media was onvoorspelbaar
- Komt door maatschappij
- Sociale media beïnvloed de hele maatschappij
- Sneller doorstromen van informatie is een (mondiaal) wereldwijd
fenomeen
- Welke mechanismes zorgen ervoor dat de samenleving orde en
regelmaat vertoont?
- Juridische procedures -> het recht
- Ook zonder regelgeving verloopt samenleven vaak vlot
,In wat voor samenleving leven wij? (Maatschappijdiagnose)
Hoe zien de basiscontouren van onze samenleving eruit?
- In welke opzichten functioneert de maatschappij anders dan
vroeger?
- Politici, bedrijfsleiders en marketing mensen houden zich vooral met
deze vraag bezig om hierop in te kunnen spelen
- Sociologen houden zich vooral bezig met het sociaal heden (de
samenleving in haar geheel en de veranderingen)
- Wij vinden onze samenleving tegenwoordig een individualistische
samenleving (wij geven minder om onze naasten dan vroeger)
Hoe onderzoeken we dat allemaal op een wetenschappelijke
manier?
Hoe komen we tot een algemene, tevens empirisch onderbouwde
sociologische kennis?
- Onze samenleving is individualistisch is enkel een hypothese
- Onderscheid tussen kwalitatieve en kwantitatieve
onderzoeksmethodes
o Kwantitatief: in cijfers uitdrukbare bevindingen die gelden
voor de onderzochte sociale groep
Vanuit kleine respons valide conclusies trekken
Surveyonderzoek (enquête op bevolkingsniveau)
beredeneerde peiling dmv gesloten vragen met beperkte
antwoordmogelijkheden
Goede hypotheses nodig en hertesten
o Kwalitatief onderzoek: bestudeert sociale fenomenen in de
diepte
Publieksonderzoek
Participerende observatie
Onderzoeker gaat undercover zich onderdompelen
in een sociale leefwereld, op deze manier komt hij
informatie te weten en kan hij de juiste mensen
voor zijn onderzoek uitkiezen. Hiermee zal hij een
diepte-interview afnemen, dit is een open gesprek.
Op deze manier kan de onderzoeker doorvragen
en is de participant niet gebonden aan specifieke
, thema’s. Zo verkrijg je een representatief beeld
van je sociale omgeving die je onderzocht.
Nadeel: je kan je bevindingen niet veralgemenen
Explorerend karakter
Sociologie is een gehistoreerde discipline – je moet vanuit de geschiedenis
kijken – je moet sociale historische context bekijken. (Er wordt minder
experimenteel onderzoek gedaan)
- Kwantitatief en kwalitatief onderzoek, sociologen gebruiken
kwalitatief onderzoek
De sociale driehoek
De feitelijke sociologiebeoefening komt neer op een driedelig gebeuren
dat pendelt tussen theorievorming, empirisch onderzoek en het
ondersteunen van sociale sturing
- Ze doen aan onderzoek en geven het juiste advies aan verschillende
sectoren over maatschappelijke tendensen
Sociologie = socius (metgezel) + logos (rede)
Sociologie is een wetenschap van het sociale (de sociale
wetenschap)
Sociologie is de studie van het menselijke en sociale leven, van
menselijke groepen in de samenleving
Het gaat over het onderzoek van sociale mondiale processen gericht
op specifieke sociale verhoudingen
Sociologie deelt haar materieel of feitelijk object met andere
wetenschappen, maar bekijkt dit door een andere bril -> ze hebben een
andere kijk op de wereld
- Bv. Wij bestuderen ook economie, maar zoeken naar de sociale
verhoudingen en relaties
Het sociologisch perspectief
- Een algemene denktrant die die het sociale gedurig uiteenlegt in
sociale relaties, en, vooral het geziene en ongeziene
afhankelijkheden van vaak onbekende anderen
, o Onderzoek van onafhankelijkheid van iedereen in de wereld en
de relatie die je hebt met de persoon waar je onafhankelijk
van bent
o Sociale relaties en afhankelijkheden
Associaties bij het woord sociaal
We hebben een positief beeld van het woord sociaal, we onderscheiden
sociaal van asociaal. Op gewelddadige acties plakken wij niet het woord
sociaal terwijl dit ook gaat om een sociale verhouding tussen twee
mensen.
Max Weber is een van de stamvaders van de academische sociologie, hij
wijst op sociaal handelen van 2 of meerdere deelnemers
Wij hebben een neutrale definitie van sociaal handelen – het is het
handelen dat gericht is op het handelen van anderen
Bij sociaal handelen is het handelen van dene actor gericht op het
handelen van een of meerdere actoren
Hoeft niet perse tussen personen, het kan ook tussen organisaties
Actoren nodig die een handelingsvermogen hebben (die kunnen
handelen) – kunnen beslissen om = agency, maar dit is niet voorspelbaar
dus er is agency mee gemoeid, er is een marge om anders te handelen
(bv, je moet van je ouders altijd naar de les gaan – jij kan manieren zoeken
om niet naar de les te gaan)
Een actor stelt handelingen
Vaak nemen actoren wel beslissingen die voorspelbaar zijn, maar niet
gedetermineerd dus we hebben allemaal agency
Er kan een sociale relatie tot stand komen (is iets algemeen niet perse
vriendschap)
Sociaal handelen waardoor sociale relaties tot stand komen =
samenhandelen (bv deze les is een voorbeeld, wij beïnvloeden de les, de
leerkracht is van ons afhankelijk)