mens?’
KWESTIE 1: Hoe ervaren wij ons bestaan als mens?
HOOFDSTUK 1: Wij zijn een denkend, bewegend lichaam
Filosoof: Maxine Sheets-Johnstone (1930 - heden)
Thema: Fenomenologie en pre-reflectief bewustzijn
Centrale ideeën:
Wij zijn geen geest los van een lichaam, zoals Descartes dacht,
maar een bewegend lichaam dat denkt.
Onze bewustwording ontstaat vanuit de lichamelijke
ervaring, vóór we ergens bewust over nadenken: dit noemt men
het pre-reflectieve bewustzijn.
Fenomenologie is een methode die de ervaring van binnenuit
beschrijft: het eerste-persoonsperspectief.
Er is een nauw verband tussen lichaam en bewustzijn: denken is
belichaamd.
Primaire tekst: Maxine Sheets-Johnstone: Fenomenologie van de
dans (1966)
Samenvatting:
Sheets-Johnstone betoogt dat de eerste manier waarop mensen
betekenis ervaren, niet via taal of denken verloopt, maar via het
lichaam in beweging. In plaats van het lichaam te zien als een object
dat we hebben, benadrukt zij dat wij een lichaam zijn. Ze onderzoekt de
ervaring van een danser die een choreografie creëert en hoe deze
ervaring voortkomt uit kinesthetische gewaarwording: gevoel voor
richting, spanning en vorm van het bewegende lichaam.
Belang:
Pre-reflectief bewustzijn: bewustzijn dat al actief is vóórdat je
erover nadenkt.
Laat zien dat denken niet losstaat van lichamelijkheid.
Dans toont hoe wij onszelf en de wereld van binnenuit ervaren,
nog vóór wetenschappelijke analyse.
Centrale bijdrage aan de fenomenologie: menselijke ervaring is
altijd belichaamd, intentioneel en subjectief.
,Belangrijke begrippen:
Lichaamsschema: de vertrouwdheid van het lichaam in de ruimte,
zonder er bewust bij stil te staan.
Intentionaliteit: bewustzijn is altijd op iets gericht – bijvoorbeeld
als je honger hebt, zie je overal eten.
Pre-reflectief bewustzijn: het besef van het lichaam in de ruimte
voordat je erover nadenkt.
Eerste- en derde-persoonsperspectief vullen elkaar aan.
HOOFDSTUK 2: Wij staan in verhouding tot onszelf
Filosoof: Helmuth Plessner (1892 – 1985)
Thema: Excentrische positionaliteit en antropologische wetten
Centrale ideeën:
Mensen hebben een dubbele verhouding tot zichzelf: ze zijn een
lichaam én hebben een lichaam.
Alleen de mens kan zich tot zichzelf verhouden: terugkijken,
reflecteren, plannen.
Dit noemt Plessner excentrische positionaliteit.
De drie antropologische wetten van Plessner:
1. Natuurlijke kunstmatigheid:
o De mens is van nature kunstmatig: we hebben geen
vaststaande essentie, we moeten onszelf maken.
o Dit betekent: geen determinisme. Je bent niet, je wordt iets.
2. Bemiddelde onmiddellijkheid:
o We ervaren de wereld via zintuigen, taal en symbolen
(bemiddeld), maar het voelt direct (onmiddellijk).
o Denk aan hoe je in de wereld staat zonder bewust na te
denken over alles wat je ziet of voelt.
3. Utopische standplaats:
o We hebben geen vaste plek van waaruit we naar de wereld
kijken.
o We zijn altijd in beweging, op zoek naar houvast (bijvoorbeeld
in religie).
, o Dit leidt tot zelfvervreemding en het verlangen naar een
stabiele identiteit.
Primaire tekst: Helmuth Plessner: Over lachen en wenen
Samenvatting:
Plessner beschouwt lachen en wenen niet puur als emoties, maar als
lichamelijke reacties op grenssituaties – situaties waarin ons gewone
bestaan even niet voldoet. Deze reacties gebeuren wanneer je jezelf niet
meer kunt beheersen of duiden, en je lichaam het overneemt. Denk aan
onverwacht huilen bij verlies, of onbedaarlijk lachen in een ongemakkelijke
situatie.
Belang:
Laat de dubbelzinnigheid van de mens zien: we zijn rationeel,
maar ook kwetsbaar, lichamelijk.
In lachen en wenen blijkt dat we een lichaam zijn én een lichaam
hebben.
Deze reacties tonen onze excentrische positionaliteit: we worden
als het ware van buitenaf toeschouwer van onszelf.
Dit ondersteunt Plessners bredere visie op de mens als wezen
zonder vaste essentie, altijd in verhouding tot zichzelf en tot
anderen.
HOOFDSTUK 3: Wij staan in verhouding tot de ander
Filosofen: Simone de Beauvoir (1908–1986) en Frantz Fanon
(1925–1961)
Thema: Lichamelijkheid, cultuur en de blik van de ander
Centrale ideeën:
Wij bestaan nooit op onszelf, maar altijd in verhouding tot
anderen (tweedepersoonsperspectief).
Onze identiteit wordt gevormd door hoe anderen ons zien en
beschrijven.
Lichamelijkheid speelt hierin een belangrijke rol: mensen worden
vaak gereduceerd tot hun lichaam, tot een object.
Simone de Beauvoir:
“Je wordt niet als vrouw geboren, maar tot vrouw gemaakt.”
Genderrollen zijn cultureel en historisch gevormd.