Embryologie 1
Epidydimis = bijbal
Bevruchting
Zaadcellen in fimbriaé (beweegt in buik) gaan ze naar buikholte, diepste
punt cavum douglasi komen daarin (daar zit ook de eicel)
Eileider vist bevruchte eicel op brengt naar baarmoeder
Corona radiatia = om de eicel, stralenkans dienen als voedingsstoffen
1. Capicitatie
a. De spermacel krijgt na het passeren van het
baarmoederslijmvlies het bevruchtend vermogen;
i. Destabilisatie kop van spermatozoa
ii. Hyperactiviteit flagella
2. Zaadcel komt op cellen pellucida binding
a. Moet eerst binnen aan eiwit ZP3 (in zona pellucida), de
enzymen komen eruit
3. Acrosoom reactie
a. Het acrosoom gaat eraf door dat receptor bindt aan eiwit ZP3,
enzymen komt eruit.
b. Penetratie door zona pellucida
4. Corticale reactie
a. De eicel maakt CA2+ aan (zorgt ook voor afmaken meiose
2)
b. Corticale granules versmelten met de zona pellucida
c. Enzymen uit de corticale granules gaan door de zona pellucida
naar eiwit ZP3
5. Zona reactie
a. Modificatie van het eiwit ZP3
b. Kunnen andere zaadcellen de zona pellucida niet meer
passeren, polyspermie wordt voorkomen.
De pronucleus van de spermacel versmelt met de pronucleus van de
eicel
Zygote; de eicel is nu diploïd in de tuba uterina = eilleider
Die ondergaat klievingsdelingen; volume cytoplasma blijft gelijk maar
aantal cellen neemt toe. Na 3 dagen 12-16 cellen morula hierna gaan ze
differentiëren. er ontstaat blastulaholte.
Blastocyte
Na de blastulaholte is er een klompje cellen genaamd de inner cell mass of
embryoblast.
, uit embryoblast ontstaat het uiteindelijke embryo. Buitenste laag van
blastula wordt bekleed met trofoblast differentrieert tot cytotrofoblast
(vormt groot deel placenta) en syncytiotrofoblast (helpt met innestelen in
het endometrium).
Tot 6 dagen na de bevruchting bevat de balstocyte nog een zona pellucida.
Voorkomen polyspermie
Voorkomt dat de vrucht implanteerd in de tuba uterina
(buitenbaarmoederlijke zwangerschap)
Initiatie acrosoomreactie
Stimuleert de differentiatie van trofoblastcellen
Blastomeren bij elkaar blijven
Fungeert als filter voor het embryo
Hatching: verdwijnen van de zona pellucida, zodat de innesteling in het
endometrium kan plaats vinden. (embryo komt los van zijn omhulsel)
Nidatie: innesteling, adhesie aan het endometrium epitheel van de
zygote. (aan het einde van de eerste week)
Embryoblast differentieert om de volgende cellen:
Epiblast: ontstaan kiemlagen; waaruit het embryo en de bekleding
van de amnionholte ontstaan
Hypoblast: bekleed de binnenkant van de blastulaholte.
Blastulaholte dooierzak , omringd door hypoblastcellen.
, Het syncytiotrofoblast groet verder uit tot het in contact komt met
maternale bloedvaten. Lytische enzymen breken deze capillairen af,
waardoor er een bloedpool ontstaat die tijdelijk fungeert als toe- en afvoer
van nutriënten en afvalstoffen.
Nidatie voltooid als het embryo helemaal omsloten is door endometrium.
Meisjes hebben 2 miljoen eicellen, dan zijn er al 6 miljoen afgestorven.
Rond de puberteit zijn er nog een half miljoen over tot dat de voorraad
compleet is afgestorven en de menopauze intreedt.
In puberteit begint de ovulatie (menstruele cyclus) en sperma
productie(spermatognese), doordat de hypothalame-hypofysaire-gonadale,
ovarium en testis zijn ontwaakt.
Mannelijke hormonen:
GnRH (gonadotrofine-releasing hormoon) uitgescheden door de
hypothalamus komt in de puberteit op gang. -> Stimuleerd FSH en LH in
hypofyse voorkwab
FSH stimuleert ontwikkelijk van spermatozoa (zaadcellen) door de
sertolicellen van de testes (vervolgens remt het FSH)
LH zet de leydigcellen aan tot testosteron productie
Testesteron zorgt voor negatieve feedback, het inhibeert de productie van
FSH, LH en Gnrh
- Houdt de spermaproductie in stand, stimuleert groei skeletspieren
en schaamhaar, stimuleert talgproductie en libido.
Spermatogenese:
Bij de man in puberteit wordt primaire spermatocyt ontwikkelt. Hierna 1
proces
Stopt als die doodgaat. Binnen ongeveer 72 uur spermatogonia
spermacellen
Spermacellen worden klaargemaakt om de eicel te kunnen bevruchten.
1. Spermatogonia, ongedifferentieerde mannelijke geslachtscellen,
deze cellen ondergaan mitose
2. Er ontstaan diploïde primaire spermatocyten en een dochtercel die
spermatogonium blijft. Deze ondergaan meiose-1.
3. Hierbij ontstaan haploïde secundaire spermatocyten, ondergaan
meiose 2
4. Er ontstaan spermatiden die zich differentiëren tot spermatozoa
(spermacellen)
5. Deze worden uitgescheden in het lumen van de zaadbuisjes, tubuli
seminiferi