College 1 – Taalverwerving
H3.1 - Basiskennis taalonderwijs
Het behaviorisme
Stroming binnen de psychologie:
- Kinderen leren hun taal aan door imitatie.
- meest frequente woorden en goedkeuring ouders hebbenn een belangrijke rol tijdens
het leren van woorden.
Prakrijk:
- Kinderen produceren zinnen die ze nooit hebben gehoord (Ik heb heel hard geloopt.).
- Meest frequente woorden (de, het en een) zijn vaak niet de eerste woorden die een kind
leert, maar wel zelfstandig naamwoorden en werkwoorden uit directe omgeving (auto of
eten).
- voorbeeld ouders noodzakelijk om taal te leren.
De creatieve constructietheorie
Visie over taal uit de jaren ‘70 van vorige eeuw:
- Aangeboren taalvermogen waarmee ze op een creatieve manier zinnen mee kunnen
bouwen.
- Kind kan elke willekeurige taal leren.
- Alle kinderen gaan pas rond hun eerste verjaardag taak produceren (hersenen dan pas
zo ver ontwikkeld).
- Taalaanbod raakte op de achtergrond.
De interactionele benadering
- Aangeboren taalvermogen, taalaanbod van de omgeving en interactie tussen kind en
andere moedertaalsprekers belangrijk voor het leren van een taal.
- Taalaanbod wel afgestemd op mogelijkheden van het kind (hogere toon, articuleren,
korte zinnen en concrete woorden en veel herhaling) -> kind kan hypotheses op stellen
over betekenis van woorden en de taalregels.
Prelinguale fase (0-1)
Ontwikkeling fonologische vaardigheden (spraakklanken)
•Huilen
•Vocaliseren: klinkers
•Vocaal spel: medeklinkers en variatie
•Brabbelen: herhalen klankgroepen
Vroeglinguale fase (1 – 2,5)
Van brabbelen naar betekenisvol taalgebruik.
- Toename semantische (woordbetekenis) en syntactische (grammaticale regels)
1
,vaardigheden
• Eenwoordzin
• Tweewoordwin
• Meerwoordzin
Differentiatiefase (2,5-5)
- Ontwikkeling van de morfologische(woordvorming) en pragmatische(communicatie)
vaardigheden
•Ontdekken van regelmatigheden in de taal
•Explosieve woordenschatuitbreiding
•Kwantitatief
•Kwalitatief
•Verschijnselen in de differentiatiefase
•substitutie –omissie –inversie –additie
•overgeneralisatie–overextensie–onderextensie
Voltooiingsfase (5-9)
•Processen vorige fasen worden verder uitgebouwd.
•Onregelmatige vormen en lange zinnen zijn nog lastig.
Tweedetaalverwerving
Simultanetweetaligheid:
•Tegelijkertijd twee (of meer) talen
•Tot driejaar
Successieve tweetaligheid:
•Een andere taal wordt geleerd na de eerste taal.
•Er wordt geleerd van uit de eerste taal →Interferentiefouten:
Worden gemaakt door verschillen tussen een eerste en een tweede taal
- Turks →Nederlands
- Wiel = wil, want in Turks geen verschil tussen/i/ en/ie/
-Geen lidwoorden
2
,College 2 – Taalkunde en mondeling taalvaardigheden
Hoofdstuk 2, 3 en hoofdstuk 10.2 uit Basiskennis taalonderwijs
H2 – Basiskennis taalonderwijs
Vijf goede argumenten om apart onderwijs te geven:
1. Schriftelijke taalvaardigheid leren kinderen niet spontaan.
2. Niet alle kinderen kunnen zich zelfstandig een bepaald niveau van taalvaardigheid
eigen maken. (Bijvoorbeeld kinderen die thuis een andere taal spreken en dus een
andere beginsituatie hebbenn)
3. Op school leer je een ander soort taalgebruik dan in het dagelijks leven.
(Standaardnederlands, uitdrukkingen en begrippen)
4. Bepaalde taalvormen leer je alleen met behulp van het taalonderwijs. (Bijvoorbeeld
een brief schrijven)
5. Als je kinderen plezier in het lezen van boeken wilt bijbrengen, dan moet je daar apart
aandacht aan besteden. Niet alle kinderen groeien immers thuis op in een omgeving
met boeken.
Taalonderwijs is verdeeld in:
1. Mondeling onderwijs
2. Schriftelijk onderwijs
3. Taalbeschouwing, waaronder strategieën.
In de praktijk taalmethode nog meer verdeeld:
mondelinge taalvaardigheid: spreken en luisteren en het voeren van allerlei mondelinge
gespreksvormen.
woordenschat: aanleren van de betekenis van nieuwe woorden, uitdrukkingen,
zegswijzen en spreekwoorden. Ook strategieën om achter de betekenis te komen.
beginnende geletterdheid: geletterdheid = het vermogen om schriftelijke taal te
begrijpen en te gebruiken.
Ontluikende geletterdheid: bedoelen we de ontwikkeling van de geletterdheid in de
voorschoolse periode van nul tot 4 jaar.
Beginnende geletterdheid: is de ontwikkeling van de geletterdheid In de groepen een tot
en met 3 van de basisschool.
Gevorderde geletterdheid: is de periode na groep 3.
Begin de geletterdheid is het leren lezen in groep 3 (aanvankelijk lezen)
Het leesonderwijs na groep 3 (Voortgezet lezen)
voortgezet technisch lezen: technisch lezen: ontcijferen van de letters, hardop lezen van
woorden, efficiënte leerstrategieën.
begrijpen lezen: begrijpen van de tekst, het achterhalen van de bedoeling.
stellen: schrijven van teksten.
jeugdliteratuur: Lezen van literaire teksten.
3
, taalbeschouwing: Kinderen leren reflecteren op de taalvorm, de manier waarop iets is
verwoord en het gebruik van taal. Bijzonderheden en regelmatigheden ontdekken In de
taal.
spelling: de meest voorkomende woorden correct kunnen schrijven en de belangrijkste
spellingsregels kunnen toepassen.
Taalsysteem
De functie van taal:
1. De communicatieve of sociale taalfuncties:
We gebruiken de taal als communicatiemiddel. Het is interactie tussen mensen
(sociale taalfunctie: zelfhandhaving, zelfsturing, sturing van anderen of structurering
van het gesprek)
2. De conceptualiserende of cognitieve functie
Je gebruikt taal als een hulpmiddel om je gedachten te ordenen en greep te krijgen op
de werkelijkheid. Cognitieve functie omdat je met behulp van de taal verwijst naar
betekenissen en concepten uit de werkelijkheid.
Drie cognitieve taalfuncties:
1. Rapporteren (verslag doen van iets wat in de werkelijkheid voorkomt)
2. Redeneren (je bewerkt de gebeurtenissen door een extra denkstap in te bouwen,
bijvoorbeeld: conclusie trekken, chronologische volgorde, oorzaak gevolg, probleem
oplossen.
3. Projecteren (probeert te verplaatsen In de gedachten en gevoelens van iemand
anders)
3. De expressieve taal functie
Taal gebruiken om te experimenteren, om hun gevoelens te uiten, om iets te zeggen wat
anderen nog niet eerder zo gezegd hebbenn.
Het vermogen om de communicatieve functie van taal te gebruiken noemen we ook wel de
communicatieve competentie.
De communicatieve competentie wordt onderverdeeld In de volgende deel competenties:
1. De grammaticale competentie: grammaticaregels, woordenschat, correct vervoegen en
verbuigen van woorden en uitspraken.
2. De tekstuele competentie: kennis van gesproken en geschreven teksten, bijvoorbeeld weten
hoe je een gesprek moet beginnen en eindigen.
3. De strategische competentie: strategie gebruiken om bepaald doel te bereiken, bijvoorbeeld
overtuigen.
4. De functionele competentie: taalgebruik aanpassen aan specifieke situatie.
•fonologie (spraakklanken)
•morfologie (vormleer van woorden)
•syntaxis (zinsbouw)
4