Wat is een dier?
1. Meercellig. Collageen zorgt voor het samenwerken/plakken van cellen.
2. Eukaryoot. Het DNA ligt in een kern die is omgeven door een membraan.
3. Cellen zonder celwand of plastiden. Deze cellen hebben flagellen.
4. Heterotroof. Ze voeden zich op andere organismen (planten of andere dieren).
Verschil met schimmels is dat deze de voedingstoffen eerst afscheiden en later deze
stoffen weer opnemen.
5. Mobiliteit. In 1 van de fasen van een dieren levenscyclus is er mobiliteit.
6. Spierweefsels en zenuwweefsel.
7. Zelfde embryologische ontwikkeling. Zygote -> klieving -> 8 cellig stadium -> klieving met
een holte (blastula).
8. Hox-genen. Genen die de ontwikkeling reguleren, het zijn homeotische genen, waardoor
een bepaald deel op een bepaalde plek in het lichaam wordt gevormd.
9. Seksuele voortplanting. De diploïde fase is dominant.
Klassieke oudheid
Plato – bovennatuurlijke.
Arsitoteles – aarde en dus meer de organismen die hier aanwezig zijn. Hij hield zich als
eerste met de classificatie van dieren en planten bezig.
14e-17e eeuw – lange namen die meteen het organisme beschreven ipv. genus namen
(John Ray), maar door alle nieuwe soorten was dit niet meer praktisch.
18e eeuw – Zoölogische namensysteem van Carolus Linnaeus. Binominale naamgeving – 2.
Elke soort krijgt een tweedelige naam, cursief of onderstreept (apart onderstrepen) en de
auteur er direct achter.
Als de soort later in een nieuw genus wordt gezet moet de auteur met het jaartal er tussen
haakjes achter.
Deze Latijnse namen voorkomen verwarring, aangezien veel dieren bijna dezelfde naam
hebben.
Domein- rijk – fylum – klasse – orde – familie – genus – soort
Imperium – Regnum – Phylum – Classis – Ordo – Famila – Genus – Species
Classificatie
Charles Darwin – evolutie
Ernst Haeckel – deelde charles ideeën in een boom.
Stamboom onderscheid door: - embryologische kenmerken,
- morfologische kenmerken,
- genetische kenmerken.
Dierenrijk is monofyletisch! Dus 1 voorouder.
Clade = een monofyletische groep
Grade = groep waarvan de leden belangrijke kenmerken delen.
Een grade hoeft heen clade te zijn.
,Er is een morfologische en een moleculaire stamboom, beide gaan uit van een monofylie.
Regnum Animalia (dierenrijk)
diergroepen worden ingedeeld in:
1. Bouwplan: set morfologische en ontwikkelingskenmerken.
algemeen – weefsels, symmetrie, segmentatie en orgaanstelsels.
2. Evolutionaire stappen: - weefsels, symmetrie, coeloom, segmentatie,
ontwikkelingspatroon.
3. Relatie tussen lichaamsbouw en levenswijze
Voordelen van meercelligheid:
- verdeling
- meer voedsel als kolonie
- efficiënt samenwerken en specialisatie
- intern milieu regulatie
Porifera - Sponzen
Leven sessiel – vastgehecht aan een substraat, maar het larvestadium kan wel bewegen.
Ze hebben een primitieve bouw zonder: symmetrie, kiemlagen, weefsels, organen, spieren,
darmkanaal, zenuwstelsel, bloedvaten of hox-genen.
Wel zijn ze heterotroof, eukaryoten cellen.
Bouw
Spicula – tegen predatie, geeft onderscheid tussen sponzen. Deze zitten van binnen en dus is
er spraken van een endoskelet.
Ze hebben geen darmkanaal, maar zitten vol met poriën waardoor water naar binnen komt
in het Spongocoel waarin veel cellen liggen choanocyt – haalt voedsel eruit, Amoebocyt –
kunnen van celtypen veranderen en vormen de spicula. Het is een kolonie van losse cellen
die samen een werkend geheel vormen.
Eumetazoa: alle dieren die zijn opgebouwd uit echte weefsels!
, Cnidaria – neteldieren
Primitieve lichaamsbouw zonder: organen (excretie), spieren en gasuitwisseling
(ademhaling).
Wat is er anders dan bij sponsen?
Er ontstaat een oerdarm (Archenteron) tijdens de embryonale fase, de opening hiervan
wordt de mond. Ze hebben wel kiemlagen en zijn symmetrisch.
Weefsel: groep cellen met soortgelijke bouw en functie van andere weefsels afgescheiden
door membranen.
Er zijn twee vormen: poliep en meduse.
De mond (oraal) neemt stoffen op, maar de niet verteerde/opgenomen stoffen moeten er
ook weer uit. Er is geen anus en dus alleen een abroale kant. Deze stoffen moeten er dus
weer via de orale kant uit.
De voeding wordt gevangen door het te verdoven met de tentakels. Aan deze tentakels
zitten nematocyten, hierin zit een draad die met een hoge snelheid wordt afgeschoten en
zich vasthaakt in de prooi.
Epidermis met daaronder de gastrodermis, waarin spijsverteringsenzymen worden
uitgescheiden en de prooi kan worden verteerd.
Intracellulaire vertering:
Vertering binnen de cel
De cel neemt voedseldeeltjes op via fagocytose.
In vacuoles in de cel vindt hydrolyse van voedsel plaats
Het gaat hier om kleine voedseldeeltjes.
Extracellulaire vertering:
Vertering buiten de cel
Cellen scheiden spijsverteringsenzymen af in ruimtes die in
verbinding staan met de buitenwereld
De enzymen breken het voedsel af tot kleine deeltjes.
Op deze manier kunnen grotere voedseldelen worden verteerd
Hydrostatisch skelet, de gastrovasculaire holte. Er zijn geen echte spieren, maar dit skelet
kan zich samentrekken en geeft een pompende beweging.
Sedentair – leven vooral vast, maar kunnen zich losmaken zodra ze willen ontkomen aan een
predator (zeeanamoon door zeester).
Passieve voortbeweging – vb. het portugese oorlogschip dat een zeil gebruikt voor wind.
Zenuwstelsel – diffuus zenuwstelsel, er is dus geen centrale plaats (hersenen of knopen).
Voortplanting zowel aseksueel (splijting en knopvorming) als seksueel.
Kolonievorming als een knop aan blijft hangen, deze vormt dan vb. een voedingspoliep of
een voortplantingspoliep.