Samenvatting hoofdstuk 3 aardrijkskunde: Klimaat Lieke Janssen V4
Paragraaf 1: de stralingsbalans van de aarde
1. Inkomende straling/kortgolvige straling
Straling bestaat uit UV (A en B) en licht
Reflectie door de wolken en absorptie door de atmosfeer zorgt ervoor dat maar ongeveer 50% van
de straling op aarde terecht komt.
2. Uitgaande straling/langgolvige straling
Omzetting door de aarde zorgt voor warmte en infrarood. 90% van de 50% blijft hangen. De
stralingsbalans is niet overal op aarde gelijk.
Een deel van de kortgolvige straling bereikt de aarde niet. Spiegelende oppervlakten weerkaatsen de
kortgolvige straling. Voorbeelden daarvan zijn wolken, ijs en sneeuw. Deze weerkaatsing noem je
het het albedo effect.
Vooral langgolvige straling wordt geabsorbeerd door broeikasgassen als waterdamp, koolstofdioxide
en methaan die in de atmosfeer aanwezig zijn. Dit zorgt ervoor dat de atmosfeer wordt opgewarmd,
waardoor de aarde warm blijft. De uitstoot van CO2, CH4 en andere gassen, door verbranding van
fossiele brandstoffen veroorzaakt het versterkt broeikaseffect.
Verdamping kost energie, latente energie. Die energie komt weer vrij op het moment dat de
waterdamp condenseert tot wolk. Het zorgt ervoor dat vochtige gebieden vaak iets koeler zijn dan
droge gebieden.
, Paragraaf 2: Wereldwijde luchtstromen
1. Warme lucht stijgt op
2. Lucht koelt af
3. Condenseert, er vormen wolken, dus gaat het regenen
4. Lucht daalt
5. Lucht warmt op
6. Verdampt, wolken verwijnen, dus blijft het droog
Lucht zet bij opwarming uit, waardoor er per volume-eenheid minder luchtdeeltjes zijn. De lucht is
dan dus minder zwaar en drukt minder hard op het aardoppervlak. We spreken van een
lagedrukgebied. Door deze lage druk kan de lucht gemakkelijker opstijgen. Andersom is dit bij een
hogedrukgebied.
Al deze luchtstromen bij elkaar noemen we de atmosferische circulatie.
Paragraaf 1: de stralingsbalans van de aarde
1. Inkomende straling/kortgolvige straling
Straling bestaat uit UV (A en B) en licht
Reflectie door de wolken en absorptie door de atmosfeer zorgt ervoor dat maar ongeveer 50% van
de straling op aarde terecht komt.
2. Uitgaande straling/langgolvige straling
Omzetting door de aarde zorgt voor warmte en infrarood. 90% van de 50% blijft hangen. De
stralingsbalans is niet overal op aarde gelijk.
Een deel van de kortgolvige straling bereikt de aarde niet. Spiegelende oppervlakten weerkaatsen de
kortgolvige straling. Voorbeelden daarvan zijn wolken, ijs en sneeuw. Deze weerkaatsing noem je
het het albedo effect.
Vooral langgolvige straling wordt geabsorbeerd door broeikasgassen als waterdamp, koolstofdioxide
en methaan die in de atmosfeer aanwezig zijn. Dit zorgt ervoor dat de atmosfeer wordt opgewarmd,
waardoor de aarde warm blijft. De uitstoot van CO2, CH4 en andere gassen, door verbranding van
fossiele brandstoffen veroorzaakt het versterkt broeikaseffect.
Verdamping kost energie, latente energie. Die energie komt weer vrij op het moment dat de
waterdamp condenseert tot wolk. Het zorgt ervoor dat vochtige gebieden vaak iets koeler zijn dan
droge gebieden.
, Paragraaf 2: Wereldwijde luchtstromen
1. Warme lucht stijgt op
2. Lucht koelt af
3. Condenseert, er vormen wolken, dus gaat het regenen
4. Lucht daalt
5. Lucht warmt op
6. Verdampt, wolken verwijnen, dus blijft het droog
Lucht zet bij opwarming uit, waardoor er per volume-eenheid minder luchtdeeltjes zijn. De lucht is
dan dus minder zwaar en drukt minder hard op het aardoppervlak. We spreken van een
lagedrukgebied. Door deze lage druk kan de lucht gemakkelijker opstijgen. Andersom is dit bij een
hogedrukgebied.
Al deze luchtstromen bij elkaar noemen we de atmosferische circulatie.