Hoorcollege 1
Paradigma = een manier van denken binnen de wetenschap. Het bepaalt
hoe we de werkelijkheid zien, hoe we kennis opbouwen en welke
methoden we gebruiken.
Elk paradigma heeft 4 belangrijke aspecten:
1. Epistemologie -> Hoe kunnen we kennis verkrijgen?
2. Ontologie -> Wat is de aard van de werkelijkheid?
3. Axiologie -> Welke rol spelen waarden in wetenschap?
4. Methodologie -> Welke methoden gebruiken we voor onderzoek?
Positivistisch paradigma:
Epistemologie: positivisme= kennis is objectief en empirisch toetsbaar
Ontologie: realisme= er is 1 objectieve waarheid
Axiologie: waardevrij, objectief onderzoek
Methodologie: kwantitatief (experimenten & enquêtes)
Doel: objectieve kennis vergaren door meten en verklaren
Interpretatief paradigma:
Epistemologie: interpretativisme= kennis is subjectief en context
gebonden
Ontologie: constructivisme= de werkelijkheid wordt gevormd door
betekenisgeving
Axiologie: waarden en perspectieven van de onderzoeker spelen een rol
Methodologie: kwalitatief (interviews, observaties, etnografie)
Doel: de sociale wereld begrijpen door interpretatie
Kritisch paradigma:
Epistemologie: kennis is beïnvloed door macht en ideologie
Ontologie: werkelijkheid is gevormd door machtsrelaties en geschiedenis
Axiologie: onderzoek moet maatschappelijke ongelijkheid bestrijden
Methodologie: vooral kwalitatief (interviews, etnografie)
Doel: machtsstructuren blootleggen en sociale verandering stimuleren
Belangrijke concepten:
- Hegemonie (Gramsci) -> dominante ideeën lijken normaal en
vanzelfsprekend
- Ideologie -> bepaalde wereldbeelden worden opgelegd door
machtige groepen
Feministisch paradigma:
Epistemologie: Kennis wordt gevormd door ervaringen, vooral van
gemarginaliseerde groepen
Ontologie: werkelijkheid wordt beïnvloed door sociale posities
Axiologie: onderzoek moet de stem van onderdrukte groepen versterken
Methodologie: kwalitatief (interviews, etnografie)
, Doel: macht en ongelijkheid onderzoeken vanuit een gender- en
intersectioneel perspectief
Belangrijke concepten:
- Standpoint theory -> kennis is afhankelijk van de sociale positie van
het subject
- Intersectionaliteit (Crenshaw) -> ongelijkheid ontstaat door de
combinatie van ras, klasse, gender, etc.
- Ethics of care -> onderzoek moet ethisch verantwoord zijn en de
onderzochten respecteren
Postmodernistisch paradigma:
Epistemologie: betekenissen zijn onstabiel en veranderen constant
Ontologie: er is geen objectieve werkelijkheid, alles is fluïde en context
gebonden
Axiologie: er zijn meerdere perspectieven, en we moeten laten zien hoe
divers en complex de wereld is
Methodologie: kwalitatief (discoursanalyse, narratief onderzoek, kunst- en
media-analyse)
Doel: de instabiliteit en onzekerheid van betekenis blootleggen
Belangrijke concepten:
- Pastiche -> hergebruik en toe-eigening van oudere culturele vormen
om nieuwe te creëren (hybridisering)
- Hyper-reality (Baudrillard) -> een kopie van iets dat niet echt bestaat
- Simulacrum -> kopie zonder origineel
- Deconstructivisme (Derrida) -> betekenissen zijn onstabiel, woorden
verwijzen naar iets dat niet echt bestaat (= signifiers)
Incommensurabiliteit = paradima’s kunnen zo verschillend zijn dat ze niet
verenigbaar zijn (bijv. positivsme vs. Postmodernisme)
Mixed methods = soms worden methodes uit verschillende paradigma’s
gecombineerd om een completer beeld te krijgen
Verschillende research designs:
1. Case study: onderzoek naar 1 of paar gevallen (zoals persoon,
organisatie, gebeurtenis of locatie)
2. Grounded theory: theorie ontwikkelen vanuit data in plaats van een
theorie vooraf opstellen
3. Etnografie: langdurig veldwerk in een gemeenschap of cultuur om
gewoonten, taal en rituelen te begrijpen
4. Fenomenologie: onderzoek naar hoe mensen een bepaald fenomeen
subjectief ervaren (bewuste ervaring begrijpen)
5. Participatief actieonderzoek: onderzoekers en deelnemers werken
samen om een probleem aan te pakken
6. Narratief onderzoek: onderzoek naar persoonlijke verhalen en hoe
mensen hun identiteit vormgeven
7. Arts-based research: onderzoek dat kunst gebruikt als methode om
ervaringen en emoties te begrijpen
, Werkgroep 1
Epistemologie: hoe krijgen we kennis?
- Positivisme: gaat er van uit dat er 1 waarheid is die je probeert te
achterhalen, zo wordt kennis gecreëerd.
- Interpretatief: er is niet 1 waarheid, kennis is een sociaal construct.
Het is afhankelijk van perspectief
- Critical/ feministisch: kijkend naar machtsrelaties, instituties
- Post-modern: het benadrukken van de chaos, het laten zien van de
complexiteit, betekenissen zijn onstabiel
Ontologie: wat is de werkelijkheid?
- Realisme: er is 1 objectieve werkelijkheid, onafhankelijk van wat wij
denken
- Constructivisme: werkelijkheid is een sociaal construct, wordt
gevormd door hoe mensen er betekenis aan geven
Realisme: positivisme
Constructivisme: interpretatief
Axiologie: welke rol spelen waarden?
- Waardevrij (positivisme): onderzoek moet objectief zijn, zonder
mening of waarden
- Waarde-bewust (interpretatief): onderzoek erkent dat perspectief en
context belangrijk zijn
- Waarde-geladen (kritisch/feministisch/postmodern): onderzoek moet
machtsstructuren blootleggen en verandering stimuleren
Voorbeelden:
- Positivisme: we meten temperatuur
- Interpretatief: gezelligheid betekent voor iedereen iets anders
- Kritisch: waarom verdienen vrouwen minder dan mannen?
- Postmodern: wat is echt op social media?
- Realisme: de zwaartekracht bestaat
- Constructivisme: geld heeft alleen waarde omdat we dat zo
afspreken
- Waardevrij: hoogte van een berg meten
- Waarde-bewust: wat is goed onderwijs?
- Waarde-geladen: ongelijkheid in samenleving blootleggen
Verschil interpretativisme en post-modernisme:
o Interpretatief: er zijn meerdere waarheden, en we willen begrijpen
hoe mensen die waarheden construeren
o Postmodernistisch: er is geen vaste waarheid, betekenissen zijn altijd
aan het veranderen en niets is echt stabiel