Inhoud
Mindset (Hoofdstuk 1, pagina 17)...............................................................................................................2
Verandering (Hoofdstuk 2, bladzijde 24).....................................................................................................3
Rapport (Hoofdstuk 3, bladzijde 31)............................................................................................................5
Denken en perceptie (Hoofdstuk 4, bladzijde 38)........................................................................................5
Verankering (Hoofdstuk 5, bladzijde 61)...................................................................................................10
Motivatie (Hoofdstuk 6, bladzijde 67).......................................................................................................11
Doelstellingen bepalen (Hoofdstuk 7, bladzijde 74)..................................................................................12
Zuiver taalgebruik (Hoofdstuk 8, bladzijde 84)..........................................................................................15
Suggestief taalgebruik (Hoofdstuk 9, bladzijde 98)....................................................................................19
Metaprogramma’s (Hoofdstuk 10, bladzijde 113).....................................................................................22
Overtuigingen (Hoofdstuk 11, bladzijde 125)............................................................................................26
Goed voor jezelf zorgen (Hoofdstuk 12, bladzijde 135).............................................................................28
1
,Neurolinguïstisch programmeren:
1. Neuro: verwijzing naar het neurologische systeem, oftewel de manier waarop wij onze
zintuigen gebruiken om onze ervaringen om te zetten in bewust en onbewust denken.
2. Linguïstisch: de manier waarop wij onze taal gebruiken om betekenis te geven aan onze
ervaringen; de wijze waarop wij deze ervaringen overbrengen aan anderen en onszelf.
3. Programmeren: de manier waarop wij onze ervaringen inwendig ‘coderen’.
Mindset (Hoofdstuk 1, pagina 17)
Jouw kijk op de wereld, waarden en attitudes hebben indirect en direct invloed op jouw wijze
van communiceren invloed op verwachtingen van jouzelf als coach en van de gecoachte.
De betekenis van je communicatie is de reactie die je krijgt:
Let op de reactie op de boodschap vraag jezelf af hoe jij je boodschap of gedrag moet
veranderen om de gewenste reactie te ontvangen
Let niet alleen om de verbale communicatie, maar ook op de non-verbale en paraverbale
communicatie van de gecoachte maak de keuze op welke aspecten van iemands
communicatie je reageert
“Onze mentale kaart van de wereld is niet de wereld zelf.”
Verandering van de mentale kaart: “Wij kunnen nooit veranderen wat ons feitelijk is
overkomen, maar bezitten wel het vermogen om verandering te brengen in de manier
waarop wij dat nu interpreteren en eraan terugdenken.”
Teleurstelling betekent niet dat je hebt gefaald
Als iets mis gaat is het een kans om te leren en je gedrag bij te stellen
Probeer iets nieuws als ze gecoachte na 3 keer de vraag niet begrijpt of niet reageert:
probeer altijd iets nieuws! Iets nieuws proberen = een nieuwe uitkomst.
2
, Verandering (Hoofdstuk 2, bladzijde 24)
2 Typen veranderingen:
1. Veranderingen van de eerste orde: de client wil één specifiek resultaat behalen.
2. Veranderingen van de tweede orde: het gaat bij de client om diverse resultaten.
Metaresultaten en resultaten kunnen elkaar in de weg lopen
Denken, leren en veranderen worden dus verondersteld op verschillende, wisselende
niveaus plaats te vinden:
Spiritualiteit: de abstracties die uitgaan boven onszelf. Hier geven wij, door
ontwikkeling van een persoonlijke filosofie, zin aan metafysische vraagstukken die
onszelf betreffen. Wat is de zin van mijn leven? Waarom besta ik eigenlijk?
Identiteit: ons zelfbesef en het besef deel uit te maken van de wereld om ons heen.
Overtuigingen: wat wij als waar en als echt beschouwen. Wat naar ons idee mogelijk of
toelaatbaar is.
Capaciteiten: het stelsel van vaardigheden dat wij hebben ontwikkeld. Onze aanleg en
onze bekwaamheden.
Gedrag: wat wij doen. De specifieke handelingen die wij plegen.
Omgeving: Waar, wanneer en samen met wie wij handelingen plegen. Het milieu waarop
wij een bepaald moment verkeren.
Verschillende niveaus waarop een coaching gesprek gevoerd kan worden:
Omgevingsniveau: het probleem verschijnt in de vorm van waar, wanneer en wie.
o Sleutelwoorden waar, wanneer en wie.
Gedragsniveau: het gaat over wat er wordt gedaan.
o Sleutelwoord: wat.
Capaciteitenniveau: de probleemomschrijving klinkt vak als ‘Ik weet niet hoe je dit
moet aanpakken.’
o Sleutelwoorden: hoe en vaardigheden.
Attributies op het niveau van overtuigingen: een voorbeeld hiervan: ‘Ik denk gewoon
niet dat ik in staat ben tot verandering.’
3