Tot in de 16e eeuw werd alle kennis gebaseerd op geschriften van geestelijken, stukken uit de bijbel
en werken van wetenschappers uit de oudheid. Tussen 1600 en 1700 is er echter sprake van een
wetenschappelijke revolutie. Wetenschappers doen vanaf dan zelf ontdekkingen en leren
zelfstandig te denken en te beredeneren. Hiervoor zijn meerdere oorzaken aan te duiden:
1. Door de ontdekkingen over bijvoorbeeld planten, dieren en mensen met andere gebruiken
tijdens de ontdekkingsreizen kwam men erachter dat het aan de bijbel ontleende
wereldbeeld niet klopte. Geleerden gingen op zoek naar verklaringen en probeerden ze in te
passen in een nieuw wereldbeeld.
2. Er werden veel fouten ontdekt in teksten uit de oudheid en de bijbel (door toedoen van
veelvuldige overlevering). Deze werden ontdekt door een vernieuwde interesse in literatuur
en geschiedenis van de Grieken en Romeinen (renaissance), ofwel het humanisme.
3. Kruisbestuiving tussen ambacht en wetenschap. Wetenschappers gebruikten namelijk
ambachtelijke kennis bij het maken van bijvoorbeeld telescopen. Hierdoor raakten
omgekeerd veel ambachtslieden geïnteresseerd in wetenschap.
4. Door een debat over hoe ware kennis tot stand komt. Dit zijn de twee stromingen:
-rationalisme: René Descartes vond dat logisch redeneren je tot ware kennis zou brengen.
-empirisme: John Locke vond je zintuigen de meest betrouwbare kennisbron.
Het toepassen van de nieuwe wetenschappelijke methoden uit de wetenschappelijke revolutie
leidden van 1650 tot 1789 tot de Verlichting. Traditie en religie moesten niet langer leidend zijn,
maar juist de rede en het verstand. Naast ‘Sapere Aude’ zei Kant het volgende ‘Verlichting is de
bevrijding van de mens uit de onmondigheid, die hij an zichzelf te wijten heeft.’ Verlichte filosofen
waren optimistisch en geloofden dat door redelijk te denken grootse vooruitgang mogelijk was: de
vooruitgangsgedachte.
Het begon door ontdekkingen over bijvoorbeeld zwaartekracht van Newton. Het Westen kwam
erachter dat de wereld fungeert aan de hand van natuurwetten en niet door het toedoen van een
God. Denkers concludeerden dat geloof je niet kan worden opgelegd door een vorst maar dat religie
iets is waarover het individu zelf dient te beslissen.
Ook werd er gefilosofeerd over politiek en maatschappij. Volgens Locke en Rousseau heeft elk mens
Natuurrechten, zoals het recht op bezit, leven en vrijheid. Derhalve ligt de macht uiteindelijk bij het
volk (volkssoevereiniteit), maar het volk had de macht overgedragen aan de vorst. Dit zou volgens
bepaalde voorwaarden plaatsvinden. Deze denkbeeldige afspraak is het sociaal contract.
Volgens Locke had het volk lang geleden een overeenkomst met de koning gesloten. In ruil voor
bescherming zou het volk onderdanig zijn aan de koning. Wanneer de koning zich misdroeg of
afspraken niet nakwam dan mocht het volk hem afzetten.
Rousseau ging echter uit van de algemene wil: de wetten in een land moesten direct overeenkomen
met wat alle burgers samen wilden. Deze moest worden uitgevoerd door de regering en beschikte
dus niet over een zelfstandige wil (wat bij Locke wel zo is). Hij streefde dan ook naar een directe
, democratie. Hij geloofde dat het volk zou stemmen vanuit de rede en dus ook in het belang van de
slaven en arbeiders.
Charles de Montesquieu bedacht de scheiding der machten. Dit zou dan een wetgevende, een
uitvoerende en een rechtsprekende macht betreffen.
Adam Smith dacht dat doordat mensen altijd voor hun eigen economische belangen zouden kiezen
de gemeenschap meer economische groei kon creëren. Bij deze vrije markt zouden nagenoeg geen
regels en beperkingen om de hoek mogen komen kijken. Mercantilisme en gilden hielden door zijn
ideeën rond 1800 op te bestaan.
Ook ontstond de publieke opinie doordat een groeiende groep burgers zich ging interesseren in het
publieke debat op allerlei vlakken via tijdschriften en koffiehuizen. Sommige publicaties werden
verboden of auteurs werden gearresteerd vanwege botsingen met de autoriteit. In veel landen viel
de verlichting namelijk samen met het absolutisme. Deze vorsten wilden alle macht naar zich
toetrekken d.m.v. centralisatie en bovendien wilden ze hun politieke en religieuze overtuigingen
opleggen aan het volk. Zij rechtvaardigden deze machtswens met het droit divin: God had hen
aangesteld. Sommige vorsten combineerden het absolutisme en de verlichting tot verlicht
absolutisme. Zij wilden nog steeds alle macht maar gebruikten hiervoor niet het droit divin als
argument. Zij gebruikten een rationeel argument, namelijk dat een land het beste bestuurt kon
worden door een vorst die vanuit de verlichte idealen het algemeen belang diende.