Funderingen algemeen.
De fundering is de constructie die de belasting van het gebouw overbrengt op een
draagkrachtige grondlaag.
Draagkrachtige laag:
Een stevige ondergrond waar de fundering op kan rusten zonder te zakken. Het is de vaste
laag die direct onder het maaiveld ligt en hij bestaat meestal uit zand.
Bij funderen op staal wordt er rechtstreeks op de draagkrachtige laag gefundeerd.
Welke factoren bepalen de draagkracht van de fundering?
- De plaatselijke samenstelling van de grond.
- De diepte van de draagkrachtige lagen.
- De grondwaterstand.
Zettingen:
Zetting is het gering en gelijkmatig zakken van de grond door samendrukking onder invloed
van een belasting, bijvoorbeeld het gewicht van een gebouw. Ernstige zettingen kunnen
leiden tot verzakkingen, die in de meeste gevallen scheurvorming veroorzaken. Om
zettingen te beperken is het daarom belangrijk dat de fundering voldoende sterk en stijf is.
Het gebruiken van gewapend beton heeft daarom de voorkeur.
Welke zettingen zijn er?
- Het gebouw kan in zijn geheel zakken (gelijke zetting).
- Het gebouw kan scheef zakken (ongelijke zetting).
- Bepaalde onderdelen zakken meer dan andere.
Sonderen (= peilen):
Een techniek om de stevigheid van de ondergrond te meten. Bij het sonderen wordt de
draagkracht en wrijvingsweerstand van de grond onderzocht. Een staalvormige buis met een
kegelvormige punt (de conus) wordt in de grond gedrukt. De conusweerstanden en de
wrijvingsweerstanden worden ten opzichte van de diepte uiteen gezet in een grafiek. Deze
grafiek heet een sondering.
De conusweerstand geeft aan hoe groot de weerstand van de grond is, dit is een indicatie
voor het draagvermogen. Deze staat links.
De wrijvingsweerstand geeft de wrijvingsweerstand van de conus aan en wat de bodemsoort
op dat niveau is. Deze staat rechts.
Met de sondering kan worden bepaald welk type fundering kan worden toegepast en hoe
diep deze moet zijn om te garanderen dat het gebouw stevig staat.
In de belastingafdracht kunnen we de volgende typen onderscheiden:
- Lijnlasten (gelijkmatig verdeelde belasting;
gestapelde bouw) zie afbeelding hiernaast.
- Plaatselijke hoge belastingen (liftschachten, silo’s)
- Puntlasten (skelet- en spantbouw).
Homogene bouwmassa: Steeds repeterend
funderingssysteem, waarbij gebruik van materialen en het
aantal lagen overal gelijk zijn.
Heterogene bouwmassa: Bestaat uit verschillende
materialen en bouwlagen. Een gedeeltelijke
onderkeldering veroorzaakt het funderingspatroon en dient
afzonderlijk gefundeerd te worden. De bouwdelen worden
dan gescheiden door een verticale voeg (dilatatie).
1
, Funderen op staal
Funderen op staal is de Nederlandse benaming voor een ‘ondiep’ aangelegde fundering. Er
wordt gefundeerd op de draagkrachtige grondlaag. Deze methode is geschikt indien de
ondergrond tot grote diepte bestaat uit vastgepakt zand (dus een hoge stijfheid heeft).
Bij onvoldoende stijfheid van de grond kunnen ongelijke zettingen optreden, wat o.a.
scheurvorming veroorzaakt. Een kleine, gelijkmatige zetting is wel acceptabel.
Bij een fundering op staal moet kritisch gelet worden op:
1. Het aanlegniveau.
2. Belendingen.
3. Grondwaterstand.
Aanlegniveau:
De fundering moet ten minste 600-800mm beneden het maaiveld worden aangelegd. Dit is in
verband met de vorstgrens. Als de grond onder de fundering bevriest, kan deze uitzetten en
de fundering omhoog drukken. Zodra de grond weer dooit, kan de fundering weer zakken.
Dit leidt tot ongelijke bewegingen en schade aan het bouwwerk. Door de fundering onder de
vorstgrens aan te leggen voorkom je dit probleem.
De aanlegbreedte wordt bepaald aan de hand van het grondonderzoek. Normaal gesproken
is de aanlegbreedte 2 tot 2,5 keer de dikte van het opgaand werk
(dus muren van 300mm = een aanlegbreedte van ongeveer 750mm).
Bovenbelasting:
Een dieper aanlegniveau heeft een positieve invloed op de sterkte van de fundering. Dit
omdat bij het bezwijken van de grond (het ontstaan van schuifvlakken) de bovenliggende
grond moet worden weg geperst.
Dit is niet/minder van toepassing als er een kruipruimte aanwezig is.
Een aanlegniveau dieper dan 1,5m is economisch nadelig.
Belendingen:
Belendingen zijn de aangrenzende percelen die direct grenzen aan de grond waarop jij je
werkzaamheden wil verrichten. Bij het weggraven van grond ten behoeve van een nieuwe
fundering kan de belendende (bestaande) fundering op staal bezwijken. Dit komt doordat de
bovenbelasting eenzijdig wegvalt.
Ook kan de gronddruk onder een nieuwe fundering de belastingspreiding onder de
belendende fundering verhogen. Hierdoor kan een ongelijkmatige (scheve) zetting optreden.
Grondwaterstand:
De fundering moet op een stevige en droge ondergrond komen te liggen.
De grondwaterstand beïnvloedt de draagkracht van de grond. Hoe hoger de
grondwaterstand, hoe lager de korrelspanning en hoe lager de draagkracht.
Een verlaging van de grondwaterstand kan de korrelspanning verhogen.
2
De fundering is de constructie die de belasting van het gebouw overbrengt op een
draagkrachtige grondlaag.
Draagkrachtige laag:
Een stevige ondergrond waar de fundering op kan rusten zonder te zakken. Het is de vaste
laag die direct onder het maaiveld ligt en hij bestaat meestal uit zand.
Bij funderen op staal wordt er rechtstreeks op de draagkrachtige laag gefundeerd.
Welke factoren bepalen de draagkracht van de fundering?
- De plaatselijke samenstelling van de grond.
- De diepte van de draagkrachtige lagen.
- De grondwaterstand.
Zettingen:
Zetting is het gering en gelijkmatig zakken van de grond door samendrukking onder invloed
van een belasting, bijvoorbeeld het gewicht van een gebouw. Ernstige zettingen kunnen
leiden tot verzakkingen, die in de meeste gevallen scheurvorming veroorzaken. Om
zettingen te beperken is het daarom belangrijk dat de fundering voldoende sterk en stijf is.
Het gebruiken van gewapend beton heeft daarom de voorkeur.
Welke zettingen zijn er?
- Het gebouw kan in zijn geheel zakken (gelijke zetting).
- Het gebouw kan scheef zakken (ongelijke zetting).
- Bepaalde onderdelen zakken meer dan andere.
Sonderen (= peilen):
Een techniek om de stevigheid van de ondergrond te meten. Bij het sonderen wordt de
draagkracht en wrijvingsweerstand van de grond onderzocht. Een staalvormige buis met een
kegelvormige punt (de conus) wordt in de grond gedrukt. De conusweerstanden en de
wrijvingsweerstanden worden ten opzichte van de diepte uiteen gezet in een grafiek. Deze
grafiek heet een sondering.
De conusweerstand geeft aan hoe groot de weerstand van de grond is, dit is een indicatie
voor het draagvermogen. Deze staat links.
De wrijvingsweerstand geeft de wrijvingsweerstand van de conus aan en wat de bodemsoort
op dat niveau is. Deze staat rechts.
Met de sondering kan worden bepaald welk type fundering kan worden toegepast en hoe
diep deze moet zijn om te garanderen dat het gebouw stevig staat.
In de belastingafdracht kunnen we de volgende typen onderscheiden:
- Lijnlasten (gelijkmatig verdeelde belasting;
gestapelde bouw) zie afbeelding hiernaast.
- Plaatselijke hoge belastingen (liftschachten, silo’s)
- Puntlasten (skelet- en spantbouw).
Homogene bouwmassa: Steeds repeterend
funderingssysteem, waarbij gebruik van materialen en het
aantal lagen overal gelijk zijn.
Heterogene bouwmassa: Bestaat uit verschillende
materialen en bouwlagen. Een gedeeltelijke
onderkeldering veroorzaakt het funderingspatroon en dient
afzonderlijk gefundeerd te worden. De bouwdelen worden
dan gescheiden door een verticale voeg (dilatatie).
1
, Funderen op staal
Funderen op staal is de Nederlandse benaming voor een ‘ondiep’ aangelegde fundering. Er
wordt gefundeerd op de draagkrachtige grondlaag. Deze methode is geschikt indien de
ondergrond tot grote diepte bestaat uit vastgepakt zand (dus een hoge stijfheid heeft).
Bij onvoldoende stijfheid van de grond kunnen ongelijke zettingen optreden, wat o.a.
scheurvorming veroorzaakt. Een kleine, gelijkmatige zetting is wel acceptabel.
Bij een fundering op staal moet kritisch gelet worden op:
1. Het aanlegniveau.
2. Belendingen.
3. Grondwaterstand.
Aanlegniveau:
De fundering moet ten minste 600-800mm beneden het maaiveld worden aangelegd. Dit is in
verband met de vorstgrens. Als de grond onder de fundering bevriest, kan deze uitzetten en
de fundering omhoog drukken. Zodra de grond weer dooit, kan de fundering weer zakken.
Dit leidt tot ongelijke bewegingen en schade aan het bouwwerk. Door de fundering onder de
vorstgrens aan te leggen voorkom je dit probleem.
De aanlegbreedte wordt bepaald aan de hand van het grondonderzoek. Normaal gesproken
is de aanlegbreedte 2 tot 2,5 keer de dikte van het opgaand werk
(dus muren van 300mm = een aanlegbreedte van ongeveer 750mm).
Bovenbelasting:
Een dieper aanlegniveau heeft een positieve invloed op de sterkte van de fundering. Dit
omdat bij het bezwijken van de grond (het ontstaan van schuifvlakken) de bovenliggende
grond moet worden weg geperst.
Dit is niet/minder van toepassing als er een kruipruimte aanwezig is.
Een aanlegniveau dieper dan 1,5m is economisch nadelig.
Belendingen:
Belendingen zijn de aangrenzende percelen die direct grenzen aan de grond waarop jij je
werkzaamheden wil verrichten. Bij het weggraven van grond ten behoeve van een nieuwe
fundering kan de belendende (bestaande) fundering op staal bezwijken. Dit komt doordat de
bovenbelasting eenzijdig wegvalt.
Ook kan de gronddruk onder een nieuwe fundering de belastingspreiding onder de
belendende fundering verhogen. Hierdoor kan een ongelijkmatige (scheve) zetting optreden.
Grondwaterstand:
De fundering moet op een stevige en droge ondergrond komen te liggen.
De grondwaterstand beïnvloedt de draagkracht van de grond. Hoe hoger de
grondwaterstand, hoe lager de korrelspanning en hoe lager de draagkracht.
Een verlaging van de grondwaterstand kan de korrelspanning verhogen.
2