Tentamen leerdoelen 1.4
1. Kan de werkzaamheden en belangrijkste onderscheidende
kenmerken van het werkveld van de (ortho)pedagoog en
onderwijswetenschapper beschrijven
Onderwijswetenschappers (ortho)pedagogen
Onderwijsontwikkeling Werkvelden: onderwijs, jeugdhulp,
(ontwikkelen van lesmateriaal, gehandicaptenzorg, GGZ18+ &
curricula, leeromgevingen) ouderenzorg
Onderwijsonderzoek In het onderwijs: passende hulp
(wetenschappelijk onderzoek naar voor leerlingen, ondersteuning aan
leren, toetsing) – werkzaam leerkrachten en ouders, leerling is
universiteiten, instituten of het uitgangspunt
organisaties
Adviseurs bij Rol: pedagogisch onderzoek,
onderwijsadviesbureau & diagnostiek, behandeling &
onderwijsinspectie – begeleiding
beleidsmedewerker bij overheid
Kwaliteitszorg -verbeteren van Andere functies: bijzondere curator
onderwijskwaliteit bij (complexe) echtscheidingen,
wzd-functionaris & opstellen van
rapportages voor
vluchtelingkinderen
Ontwikkelen & analyseren van
toetsen en examens
Trainen & coachen van leraren,
onderwijsprofessionals –
ontwikkeling van nascholing
Wie of wat is een pedagoog?
- Een pedagoog is een professional op het gebied van opvoeding en
educatie
o Professional: wat je moet doen en kunnen
o Opvoeding en educatie: contexten waarbinnen je werkzaam bent
Waarom is pedagoog een professional en waarom relevant voor dit vak?
Volgens literatuur, professional is:
- Georganiseerd als beroepsgroep/professie
- Definiëren en controleren van eigen werk
- Relatieve autonomie in handelen
- Maar binnen wetgeving en professionele structuur
- Onvoorspelbaarheid van situaties die professioneel handelen vereisen
Professionalisering geeft legitimiteit aan beroepsgroep en specifieke expertise
Professionalisering van beroepsgroep
, Drie componenten:
1. Positioneel – beroepsniveau (beroepsvorming)
a. Positie beroep versterken
b. Kenmerken van geprofessionaliseerde beroepen
i. Deskundigheidsdomein (competentieprofiel)
ii. Beroepsvereniging
iii. Beroeps ideologie en vorm van tuchtrecht
1. Beroepscode/professionele standaard en
tuchtrecht
iv. Controle op toegang tot arbeidsmarkt d.m.v.
beroepsregistratie
2. Inhoudelijk – individueel niveau (competentieontwikkeling)
a. Bevorderen van professioneel handelen
i. Versterken van deskundigheid (leren & ontwikkelen)
ii. Opleiding en na-/bijscholing (registerpunten NVO)
iii. Leren op de werkvloer: reflectie, monitoring, intervisie,
supervisie
3. Autonomie – snijvlak
a. Professionele autonomie: omgaan met zelfstandigheid en vrijheid
b. Beslissingsbevoegdheid
c. Erkennen van persoonlijke grenzen en grenzen van omgeving:
i. Cliëntperspectief handelen hierop afstemmen/gezamenlijk
beslissen
ii. Beroepscode, standaarden, richtlijnen, protocollen kaders
iii. Ketensamenwerking afstemmen andere professionals
2. Kan morele vraagstukken herkennen (descriptieve, prescriptieve,
meta-ethiek)
Morele vragen goed en kwaad, de manier waarop mensen zouden
moeten leven
Morele opvattingen hoe gedraagt men zich goed en verantwoordelijk?
Normen en waarden verbonden aan levensvisie, idealen, moreel kompas
Moraal kan veranderen in tijd, doordat ze niet meer gebruikelijk zijn
Verplaetse (2008) vijf verschillende moralen
1. Hechtingsmoraal: hoe gaan we om met de mensen waarmee we
verbonden zijn – hechting & empathie (vb. meeleven met het lijden van
een ander)
2. Geweldmoraal: hoe gaan we met bedreigende situaties om – conflicten
moeten met woorden worden uitgevochten en niet met fysiek geweld – rol
in oorlogsituaties (vb. als iemand de moord van familielid wreekt door
moordenaar om te brengen)
3. Reinigingsmoraal: mensen koppelen reinheid met goed en besmetting
met kwaad – verweren van vreemde stoffen (letterlijk & symbolisch)
, 4. Samenwerkingsmoraal: manier waarop mensen met elkaar
samenwerken & waarop ze omgaan met mensen die samenwerking
bedreigen (vb. online T-shirt kopen moet je vertrouwen dat het ook echt
naar je wordt toe gestuurd)
5. Beginselenmoraal: mensen zoeken naar redelijke argumenten om te
onderbouwen waarom een handeling goed/fout is (als dit systematisch
gebeurt ethiek)
1, 2, 3 & 4 instinctieve moralen die ons gedrag bepalen 5 geven van
argumenten
Microniveau: morele vragen zijn manieren waarop mensen met elkaar om
zouden moeten gaan (menselijke relaties)
Mesoniveau: morele keuzes van organisaties – visie van een instelling
Macroniveau: manier waarop samenleving wordt ingericht – politieke keuzes
met morele dimensie
Soorten ethiek systematische reflectie op morele vragen
- Descriptieve ethiek: feitelijke moraal (hoe gedragen mensen zich en
welke argumenten horen hierbij) vb. beschrijving over beroepsgeheim)
- Normatieve/prescriptieve ethiek: hoe zouden mensen zich moeten
gedragen (niet feitelijk) (bv. beroepscode)
- Meta-ethiek: morele vraagstukken van hoger abstractieniveau (bv. zijn
mensen gelijk? Zijn waarden universeel of cultuurgebonden?)
- (Beroepsethiek): specifieke morele regels voor een bepaalde groep (bv.
beroepscodes voor psychologen)
1948: Universele Verklaring van de Rechten van de Mens bepaalde
rechten gelden voor alle wereldburgers (en zijn dus niet cultuurspecifiek)
universele waarden
- Empirisch universalisme: overal gelden dezelfde waarden (feit)
- Normatief universalisme: bepaalde centrale waarden worden overal
aanvaard (norm) – bepaalde waarden die over zouden moeten worden
aanvaard
Soms hangt moreel (on)juist af van de normen & waarden van sociale context
moreel relativisme
- Descriptief moreel relativisme: veel variatie in normen & waarden van
verschillende groepen (feit)
- Normatief moreel relativisme: morele kwesties behoren beoordeeld te
worden o.b.v. waarden & normen die in een bepaalde groep/cultuur gelden
(norm) – verschillende normen/waarden in verschillende sociale contexten
moeten worden gerespecteerd
, - Cultuurrelativisme normen en waarden van ene cultuur zijn niet beter
dan andere cultuur (kritiek op evolutionisme) – meer descriptief
1. Kan de werkzaamheden en belangrijkste onderscheidende
kenmerken van het werkveld van de (ortho)pedagoog en
onderwijswetenschapper beschrijven
Onderwijswetenschappers (ortho)pedagogen
Onderwijsontwikkeling Werkvelden: onderwijs, jeugdhulp,
(ontwikkelen van lesmateriaal, gehandicaptenzorg, GGZ18+ &
curricula, leeromgevingen) ouderenzorg
Onderwijsonderzoek In het onderwijs: passende hulp
(wetenschappelijk onderzoek naar voor leerlingen, ondersteuning aan
leren, toetsing) – werkzaam leerkrachten en ouders, leerling is
universiteiten, instituten of het uitgangspunt
organisaties
Adviseurs bij Rol: pedagogisch onderzoek,
onderwijsadviesbureau & diagnostiek, behandeling &
onderwijsinspectie – begeleiding
beleidsmedewerker bij overheid
Kwaliteitszorg -verbeteren van Andere functies: bijzondere curator
onderwijskwaliteit bij (complexe) echtscheidingen,
wzd-functionaris & opstellen van
rapportages voor
vluchtelingkinderen
Ontwikkelen & analyseren van
toetsen en examens
Trainen & coachen van leraren,
onderwijsprofessionals –
ontwikkeling van nascholing
Wie of wat is een pedagoog?
- Een pedagoog is een professional op het gebied van opvoeding en
educatie
o Professional: wat je moet doen en kunnen
o Opvoeding en educatie: contexten waarbinnen je werkzaam bent
Waarom is pedagoog een professional en waarom relevant voor dit vak?
Volgens literatuur, professional is:
- Georganiseerd als beroepsgroep/professie
- Definiëren en controleren van eigen werk
- Relatieve autonomie in handelen
- Maar binnen wetgeving en professionele structuur
- Onvoorspelbaarheid van situaties die professioneel handelen vereisen
Professionalisering geeft legitimiteit aan beroepsgroep en specifieke expertise
Professionalisering van beroepsgroep
, Drie componenten:
1. Positioneel – beroepsniveau (beroepsvorming)
a. Positie beroep versterken
b. Kenmerken van geprofessionaliseerde beroepen
i. Deskundigheidsdomein (competentieprofiel)
ii. Beroepsvereniging
iii. Beroeps ideologie en vorm van tuchtrecht
1. Beroepscode/professionele standaard en
tuchtrecht
iv. Controle op toegang tot arbeidsmarkt d.m.v.
beroepsregistratie
2. Inhoudelijk – individueel niveau (competentieontwikkeling)
a. Bevorderen van professioneel handelen
i. Versterken van deskundigheid (leren & ontwikkelen)
ii. Opleiding en na-/bijscholing (registerpunten NVO)
iii. Leren op de werkvloer: reflectie, monitoring, intervisie,
supervisie
3. Autonomie – snijvlak
a. Professionele autonomie: omgaan met zelfstandigheid en vrijheid
b. Beslissingsbevoegdheid
c. Erkennen van persoonlijke grenzen en grenzen van omgeving:
i. Cliëntperspectief handelen hierop afstemmen/gezamenlijk
beslissen
ii. Beroepscode, standaarden, richtlijnen, protocollen kaders
iii. Ketensamenwerking afstemmen andere professionals
2. Kan morele vraagstukken herkennen (descriptieve, prescriptieve,
meta-ethiek)
Morele vragen goed en kwaad, de manier waarop mensen zouden
moeten leven
Morele opvattingen hoe gedraagt men zich goed en verantwoordelijk?
Normen en waarden verbonden aan levensvisie, idealen, moreel kompas
Moraal kan veranderen in tijd, doordat ze niet meer gebruikelijk zijn
Verplaetse (2008) vijf verschillende moralen
1. Hechtingsmoraal: hoe gaan we om met de mensen waarmee we
verbonden zijn – hechting & empathie (vb. meeleven met het lijden van
een ander)
2. Geweldmoraal: hoe gaan we met bedreigende situaties om – conflicten
moeten met woorden worden uitgevochten en niet met fysiek geweld – rol
in oorlogsituaties (vb. als iemand de moord van familielid wreekt door
moordenaar om te brengen)
3. Reinigingsmoraal: mensen koppelen reinheid met goed en besmetting
met kwaad – verweren van vreemde stoffen (letterlijk & symbolisch)
, 4. Samenwerkingsmoraal: manier waarop mensen met elkaar
samenwerken & waarop ze omgaan met mensen die samenwerking
bedreigen (vb. online T-shirt kopen moet je vertrouwen dat het ook echt
naar je wordt toe gestuurd)
5. Beginselenmoraal: mensen zoeken naar redelijke argumenten om te
onderbouwen waarom een handeling goed/fout is (als dit systematisch
gebeurt ethiek)
1, 2, 3 & 4 instinctieve moralen die ons gedrag bepalen 5 geven van
argumenten
Microniveau: morele vragen zijn manieren waarop mensen met elkaar om
zouden moeten gaan (menselijke relaties)
Mesoniveau: morele keuzes van organisaties – visie van een instelling
Macroniveau: manier waarop samenleving wordt ingericht – politieke keuzes
met morele dimensie
Soorten ethiek systematische reflectie op morele vragen
- Descriptieve ethiek: feitelijke moraal (hoe gedragen mensen zich en
welke argumenten horen hierbij) vb. beschrijving over beroepsgeheim)
- Normatieve/prescriptieve ethiek: hoe zouden mensen zich moeten
gedragen (niet feitelijk) (bv. beroepscode)
- Meta-ethiek: morele vraagstukken van hoger abstractieniveau (bv. zijn
mensen gelijk? Zijn waarden universeel of cultuurgebonden?)
- (Beroepsethiek): specifieke morele regels voor een bepaalde groep (bv.
beroepscodes voor psychologen)
1948: Universele Verklaring van de Rechten van de Mens bepaalde
rechten gelden voor alle wereldburgers (en zijn dus niet cultuurspecifiek)
universele waarden
- Empirisch universalisme: overal gelden dezelfde waarden (feit)
- Normatief universalisme: bepaalde centrale waarden worden overal
aanvaard (norm) – bepaalde waarden die over zouden moeten worden
aanvaard
Soms hangt moreel (on)juist af van de normen & waarden van sociale context
moreel relativisme
- Descriptief moreel relativisme: veel variatie in normen & waarden van
verschillende groepen (feit)
- Normatief moreel relativisme: morele kwesties behoren beoordeeld te
worden o.b.v. waarden & normen die in een bepaalde groep/cultuur gelden
(norm) – verschillende normen/waarden in verschillende sociale contexten
moeten worden gerespecteerd
, - Cultuurrelativisme normen en waarden van ene cultuur zijn niet beter
dan andere cultuur (kritiek op evolutionisme) – meer descriptief