Naamvallen zijn erg belangrijk voor het correct kunnen spreken van de
Duitse taal. Er bestaan vier verschillende naamvallen. Deze zijn afhankelijk
van voorzetsels, werkwoorden en van hun functie in de zin. Belangrijk is
dat je weet welk lidwoord het desbetreffende zelfstandige naamwoord
normaal gesproken heeft (der (m), die (v), das(o), die(mv), hoe je zinnen
kunt ontleden (onderwerp, meewerkend voorwerp, lijdend voorwerp) en
dat je zelfstandige naamwoorden herkend.
Bij het toepassen van de naamvallen in een zin begin je met het kijken
naar de voorzetsels. Er is een aantal voorzetsels die al een bepaalde
naamval aangeven zonder dat je de zin hoeft te ontleden. Vervolgens kun
je kijken of het werkwoord een bepaalde naamval aangeeft. Daarna kun je
de zin ontleden en de eventuele overige naamvallen ook bepalen.
Nomatief, 1e naamval
De 1e naamval gaat over het onderwerp van de zin. Je vindt deze door te
vragen: wie of wat+ gezegde?
Voorbeeld: ‘Die Uhr zeigt fünf Uhr an.’ Wie of wat zeigt an? Die Uhr.
Uitgangen 1e naamval:
M Der Ein
V Die Eine
O Das Ein
Mv Die Keine
M=mannelijk, V= vrouwelijk, O= onzijdig, Mv= meervoud
Genitief, 2e naamval
De 2e naamval geeft een bezitsrelatie aan. Je kunt vragen: van wie of
wiens?
Voorbeeld: Das Auto des Vaters ist neu. Wiens Auto ist neu? des Vaters.
Het gaat hier om de auto van de vader. Om het bezit van de vader.
Ook wordt de 2e naamval gebruikt bij de volgende voorzetsels:
- Während
- Trotz
- Anhand
- Statt
- Aufgrund/ auf Grund
- Bezüglich
- Infolge
, Uitgangen 2e naamval:
M Des +s Eines +s
V Der Einer
O Des +s Eines +s
Mv Der Keiner
M=mannelijk, V= vrouwelijk, O= onzijdig, Mv= meervoud
‘+s’ betekent dat er een ‘s’ achter het zelfstandig naamwoord komt te
staan.
Datief, 3e naamval
De 3e naamval geeft het meewerkend voorwerp aan. Om de 3e naamval te
vinden kun je vragen: aan wie of voor wie?
Voorbeeld: Ich gebe dem Kind ein Buch. Aan wie geef je ein Buch? dem
Kind.
Ook wordt de 3e naamval gebruikt bij de volgende voorzetsels:
- Mit
- Nach
- Bei
- Seit
- Von
- Zu
- Aus
- Außer
Bij de volgende werkwoorden wordt ook de 3e naamval gebruikt:
- Ähneln
- Antworten
- Helfen
- Danken
- Dienen
- Folgen
- Glauben
- Gratulieren
- Gefallen
- Gehören
- Gelingen
- Geben
- Schaden
- Schmecken
- Zuhören