INLEIDING
WAT IS ETHIEK?
De normativiteit waarrond ethiek draait heeft te maken met goed of verkeerd.
Met ethiek neem je een houding aan tegenover een moreel probleem op basis van redelijke argumenten.
→ Die houding kan bedoeld zijn om:
1. Morele problemen op te lossen
2. Nieuwe morele problemen creëren
3. Een intelligente beschouwing geven over dat morele probleem zonder het op te lossen
4. Morele probleem zo benaderen dat er helemaal geen moreel probleem is
HOE DAN OOK: aan de basis van ethiek ligt een moreel probleem waartegenover je je positioneert door
gebruik te maken van een rede
Moreel probleem = confronteert je met normatieve vragen (wat moet ik doen, mag dat wel,…); is geen
praktisch probleem of kennis probleem: een moreel probleem heeft zijn eigen domein.
➢ Het zorgt voor spanning
➢ Het is dringend en valt iedereen lastig
➢ Geen wetenschap waarin consensus bereikbaar is: geen consensus bereikbaar
➢ Ethiek is niet vrijblijvend
o Het is de combinatie van geen consensus, persoonlijke betrokkenheid, dringendheid
en onafwendbaarheid die voor spanning zorgt
Eens je door het morele probleem gebeten hebt; dan zoek je een houding waarvan je vindt dat die
verdedigbaar is; anders blijft de spanning door bestaan.
= ethische houding (deze brengt dus tijdelijke rust)
Deze houding onderbouw je met redelijke argumenten; wat redelijke argumenten zijn is lastig; maar
beschrijven wat onredelijke argumenten zijn is makkelijker:
,ONDREDELIJKE ARGMENTEN: GELOOF, EMOTIES, FEITEN
1) Het geloof:
➢ Het mist overtuigingskracht voor mensen die geloven in een andere god of in geen enkele
➢ Euthyphro (van Plato): hoe kan met het goede verantwoorden?
i. Euthyphro staat op het punt eigen vader (die een slaaf dodelijk mishandelde)
aan te klagen
ii. Hij noemt de aanklacht goed en vroom (omdat in overeenstemming is met de wil
van de goden)
iii. Maar Socrates is sceptysich: vraagt zich af hoe Euthyphro weet dat de goden
niet wouden dat socrates zijn slaaf mishandelde
iv. Euthyphro veronderstelt ds dat de goden goed zijn ent egen mishandeling zijn,
MAAR hij moet bekennen dat hij dit niet met zekerheid kan bevestigen
v. Dus onzekerheid heeft tot gevolg dat goddelijke wil ook anders kan zijn: ethische
willekeur ontstaat
vi. En om ethische willekeur te vermijden moet je weer een houding aannemen:
overtuigd zijn dat de goden tegen mishandelen zijn; dat de goden
rechtvaardigheid en het grootste geluk voor iedereen willen.
➢ En het zijn die goede redenen (meeste geluk voor iedereen etc.) vind je in allerlei ethische
theorieën
➢ DUS: goddelijke wil is overbodig WANT je kan rechtstreeks verwijzen naar die goede redenen
die je in ethisch theorieën terigvindt.
2) Emoties
➢ Voornaamste beperking van emoties: ze onderbouwen onze houding niet (ze geven er enkel
uitdrukking aan) DUS wordt dialoog uitgesloten met wie een andere houding heeft
➢ Bv seks tussen broer en zus walgelijk omdat daardoor verminkte baby ontstaat.
➢ WANT zonder emoties is er geen SPANNING, en zonder spanning ga je niet op zoek naar de
juiste houding.
➢ Probeer maar eens uit te leggen waarom seks tussen broer en zus niet kan as ze met
anticonceptie, volwassen en er beide mee instemmen.
i. Naast onze emotionele afkeur is er niet echt basisch om af te keuren waarom
het niet kan
➢ Dit zijn uitzonderlijke (en marginale) problemen: bij de meeste morele problemen kan je
beroep doen op redelijke argumenten DUS hoeven emoties niet het laatste woord te hebben
3) Feiten
➢ Belangrijk voor het zoeken naar onze houding van een moreel probleem WANT deze houding
moet steunen op betrouwbare informatie
➢ Dus wrm onredelijke argumenten → omdat een moreel probleem geen praktisch of technisch
probleem is
i. Je lost morele problemen niet met feiten op en je verklaart ze niet weg
➢ Doe je dit wel: DAN bega je de NATURALISTISCHE DROGREDEN
i. Iets kan natuurlijk zijn maar toch moreel verwerpelijk of onnatuurlijk maar toch
ethisch te verdedigen
➢ HOE DAN OOK: elke ethicus is er van overtuigd dat het negeren van de kloof tussen feiten en
normen een drogreden is.
,ONZE MORELE ONTWIKKELING
Hou rekening met onderscheid moraal en ethiek: we gebruiken vaak door elkaar en is oké, maar af en toe
vraagt het onderscheid aandacht en moeten we begrippen uit elkaar houden.
1) Ethiek
➢ Omvat onze expliciete, talige en redelijke onderbouwing tegenover wat we een moreel
probleem noemen.
2) Moraal
➢ Beperkter dan ethiek; het gaat over impliciete of instinctieve, spontane gedragingen die
voorwerp worden van een ethische houding.
➢ Zowel moraal als ethiek wel betrekking op normatieve gebied waarin handelingen of
personen goed of verkeerd kunnen zijn.
i. Moraal is niet perse minder talig of niet perse met minder redenen omkleed,
maar is meer spontaan, concreet en onmiddellijk
ii. Terwijl ethiek eerder weloverwogen, beredeneerd en abstract gemotiveerd is.
➢ Moraal gaat in allerlei opzichten vooraf aan ethiek
i. Ontogenetisch: wat de ontwikkeling van mens als soort betreft
ii. Fylogentisch: ontwikkeling individuele mens van kind naar volwassene
➢ DUS vooraleer we aan ethiek doen moeten we het stellen met verschillende morele
vermogens: EERST DE MORAAL DAN DE ETHIEK
Vanwaar die nood aan ethiek dan? Waarom volstaat moraal niet?
Jean Piaget (1896-1980): moraalpsychologie werd een belangrijke tak van het gedragswetenschappelijk
onderzoek dat zich situeert op het gebied van de gedragseconomie , de ontwikkelingseconomie en de
sociale psychologie.
➢ Moraalpsychologen concluderen dat allerlei morele vermogen al vroeg te vinden zijn in de
menselijke ontwikkeling (zowel ontogenetisch als fylogenetisch); en dat je sommige morele
vermogens ook bij dieren kan terugvinden
o Neem dit wel met een korrel zout; gedragswetenschappen hadden voorlopige
decennia flink te kampen met replicatiecrisis: te snel werden conclusies getrokken
met te weinig onderzoek dat moelijk (of niet) te repliceren viel.
Dus MORELE VERMOGENS:
EMPATHIE
Mensapen hebben dit moreel vermogen ook. Sommige basisonderdelen zelfs bij andere zoogdieren.
BIJ KINDEREN: aanwezig sinds 4 jaar.
➢ Ze leven in gevoeldwereld van andere mensen en bieden gepaste hulp, of troost wanneer bv
een ander kind pijn vergaat.
Reactive crying: baby’s gaan huilen als ze een ander kind horen huilen. Dit is een emotionele besmetting
(emotional contagion) die niet enkel bij mensen voorkomt: bv chimpansees en bonobos met geeuwen.
, Hoe evolueert die emotionele besmetting tot waarachtige empathie?
➔ Martin Hoffman heeft die ontwikkeling bij het kind in fasen ingedeeld
ONTWIKKELINGSFASEN: EMOTIONELE BESMETTING → EMPATHIE
1) Globale distress (o jaar - 6maand)
➢ Baby leeft mee met gevoelens van anderen: raakt besmet met gevoelens die hij opvangt
zoals bij reactive crying.
➢ Baby voelt de gevoelens van anderen als het ware als zijn eigen emoties: maakt geen
onderscheid tussen zichzelf en de anderen of tussen zichzelf en zijn omgeving.
➢ Ervaringswereld van de baby valt samen met die van zijn omgeving
2) Egocentrische empathie (6 maand tot 1 jaar)
➢ Baby beseft dat het zich kan verzetten tegen het verdriet van anderen: eerste stapjes voor
verwijderen van het leed.
i. Verzet gaat gepaard met ontluikend onderscheid tussen zichzelf en de omgeving
➢ Empathische reactie is egocentrisch: aandacht is geheel gericht op het ongedaan maken
van het meeleven, niet op het leed dat een ander ervaart.
i. Bv een kind van 11 maand ziet een kind huilen, het wordt zelf triest maar loopt
naar haar moeder om getroost te worden
3) Quasi-egocentrische empathie (1 jaar tot 2 jaar)
➢ Besef groeit dat je iemand die verdrietig is toch niet in de steek laat.
➢ Focus ligt nog steeds bij het wegnemen van de eigen meegeleefde leed MAAR kind
onderneemt acties om de andere te helpen.
i. Op basis van middelen die hém helpen, niet zozeer het kind die verdrietig is
ii. Bv haalt zijn eigen knuffel of eigen moeder om het ander kind te troosten: dus
eigen noden en behoeften staan centraal, niet die van een ander.
4) Waarachtige empathie (2 jaar tot 4 jaar)
➢ Meevoelen gaat gepaard met reflex om een verdrietig kind te helpen met de middelen die
het verdrietig kind nodig heeft om getroost te worden.
i. Bv kind haalt moeder van verdrietig kind of knuffel van verdrietig kind
➢ Kind is dus in staat om behoeftes van andere te kennen
➢ Er is een volledige splitsing tussen de eigen persoon en de omgeving
2 ONMISBARE STAPPEN VOOR ECHTE EMPATHIE:
1) Theory of mind (tussen 3 en 4 jaar)
➢ Kinderen moeten in staat zijn om de leefwereld van anderen te begrijpen en te beseffen
dat die anders is dan de eigen gedachtewereld. (bonobo’s en chimpansees hebben dit
ook)
➢ Zie verhaal Sally en Anne met knikker
➢ Kinderen snappen het onderscheid tussen de realiteit en de gedachtegang
➢ Besef dat gedachten verschillen van gebeurtenissen en dat mensen verschillende
opvattingen kunnen hebben, ligt aan de basis van de overgang van quasi-egocentrische
empathie naar waarachtige empathie