HC 1a - Nut en noodzaak van theorie
24 april 2025
Hippocrates: theorie/therapie
Hippocrates kwam met de theorie dat de lichaamssappen in balans moeten zijn. Deze
lichaamssappen zijn slijm, bloed, gele gal en zwarte gal. Deze balans werd behouden
door te aderlaten (bloed afnemen) en over te geven.
Later werd gedacht dat het misgaat in de interpersoonlijke interacties en dat deze
bijdragen aan psychische ziekten. Hier werden de mensen opgevangen in de tempel,
waarbij rust en muziek belangrijk waren.
Impliciet of expliciet ligt er een theorie ten grondslag aan elke behandelvorm.
Middeleeuwen: theorie/therapie
De theorie is van belang voor het maken van een beslissing voor een behandelvorm. Er
waren drie verschillende uitgangspunten voor het verklaren van gedrag in de
middeleeuwen:
1. Bovennatuurlijke verklaring: bizar gedrag werd gezien als het werk van een duivel
of een heks. De behandeling die hierbij hoorde was exorcisme, slangenkuil of
heksenverbranding.
2. Natuurlijke verklaring: “gek zijn” werd gezien als een natuurlijk fenomeen dat
veroorzaakt wordt door stress. De behandeling die hierbij hoorde was rust,
recreatie en ontspanning.
3. De maan en de sterren: er werd gedacht dat de maan en de sterren effect hebben
op psychisch functioneren. Hier werd vooral verwezen naar de astrologie
Waarom theorie?
Wanneer je kijkt naar de geschiedenis, dan zie je dat de meeste theorieën inmiddels
achterhaald zijn en effectonderzoek laat zien welke behandeling werkt: kijken wat werkt
zonder theorie. De reden waarom we toch theorieën blijven gebruiken, is omdat we iets
willen zeggen over de waarheid: waarom wijkt dit persoon af van de rest?
Een perfecte theorie is gelijk aan de waarheid en een slechte theorie komt nauwelijks
overeen met de waarheid. Door middel van waarnemingen kan deze overlap onderzocht
worden. Bij waarnemingen is er echter sprake van biases in interpretatie:
- Availability bias: wat je in je geheugen snel tot beschikking hebt zal je sneller
plakken aan je waarnemingen, waardoor de waarneming onjuist geïnterpreteerd
wordt.
, - Confirmation bias: je zoekt naar bevestiging van je eigen theorie.
Deze biases zijn er omdat men vooral informatie zoekt om een theorie te bevestigen,
terwijl men zou moeten zoeken naar ontkrachting.
Kiezen van een behandelvorm
Wanneer er een probleem is, ga je eerst nadenken over welke theorie je gaat hanteren.
Een onderliggend oorzakelijk mechanisme verklaart het gedrag en de theorie bepaalt
uiteindelijk de behandeling. Voorbeelden van onderliggende oorzakelijke mechanismen:
- (neuro)biologie: verklaren o.b.v. fysiologische mechanismen (depressie =
serotoninetekort). Gevolgen voor therapie: medicatie.
- leertheorie: verklaren o.b.v. leergeschiedenis (angst = vermijding voorkomt
ontkrachting van angst). Gevolgen voor de behandeling: opheffing van vermijding
(exposure).
- cognitie: verklaren o.b.v. selectie en verwerking van informatie (depressie =
disfunctionele gedachten). Gevolgen voor behandeling: correctie van foutieve
gedachten: cognitieve bias, approach/avoidance.
Verschillende benaderingen binnen de klinische psychologie zijn benaderingen over het
onbewuste en impliciete processen (inzicht in onbewuste processen; psychoanalyse),
over de vrije wil en zelfactualisatie (inzicht en acceptatie; humanisme) en over de
context van de mens (interactie; gezinstherapie).
Conversiestoornissen werkt het brein (impliciet) wel, maar bewegen lukt niet (expliciet).
Theorie is praktijk
Effect studies worden gebruikt om te kijken welke behandeling werkt voor welk
probleem. Bij experimentele settings wordt iets specifieks gemanipuleerd, waardoor er
duidelijk gezien kan worden hoe een mechanisme in elkaar zit en wat wel en wat niet
werkt. Wel zijn er veel problemen gevonden in deze behandelstudies:
- Door exclusiecriteria is de steekgroep zuiver: er is geen comorbiditeit aanwezig,
wat niet overeenkomt met de werkelijkheid;
- De meeste studies hebben geen follow-up of geen follow-up op lange termijn,
waardoor effecten van de behandeling niet op lange termijn gemeten kunnen
worden;
- Wanneer een behandeling niet is gebaseerd op een theorie, dan weet je niet
waarom het werkt en je weet niet of je het anders kan toepassen, waardoor
observaties zonder theorie zinloos zijn. Dit laat ook zien dat theorie nodig is om
beslissingen te nemen.
,Na de diagnostische cyclus: start behandeling
In de intake stel je een theorie op op persoonsniveau. Wanneer je op basis van de
theorie een behandeling bent gestart, maar de patiënt niet verbetert, dan kan het zijn
dat de behandeling niet goed is uitgevoerd of dat de theorie niet klopt. Bij dit laatste
moet er weer teruggegaan worden naar het begin van de diagnostische cyclus, waarbij
een nieuwe theorie wordt opgesteld en een nieuw behandeladvies nodig is. Het is dus
belangrijk dat de theorie bijgesteld blijft worden tijdens het diagnostisch proces. Je
moet weten wat je doet en waarom je het doet.
HC 1b - Transdiagnostisch behandelen
24 april 2025
Transdiagnostiek is een andere theorie over wat er misgaat en wat er gedaan moet
worden. Er is veel kritiek op de DSM:
- Het is slechts een classificatiesysteem: er is zowel geen oorzaak/gevolg als geen
beloop/prognose opgenomen. De stoornissen worden slechts beschreven.
- Objectivering van stoornissen.
- Symptomen worden gegroepeerd als een ziektemodel.
- Het is een categorisch systeem, terwijl dit in de werkelijkheid niet het geval is.
Het gevolg van de DSM is dat je vrij makkelijk een diagnose kunt krijgen, maar er is ook
veel overlap tussen stoornissen, waardoor er een wildgroei is aan emotionele
stoornissen, wat leidt tot een toenemende prevalentie van deze stoornissen.
Wat de DSM ons ook heeft gebracht is een eenduidigheid over benaming/kenmerken
van emotionele stoornissen, wat ons helpt bij internationaal werken. Daarmee is gericht
onderzoek mogelijk en worden de communicatie en samenwerking bevorderd. De DSM
heeft ook de grondslag gelegd voor de ontwikkeling van evidence-based behandelingen.
Complexe problematiek: wat nu?
In het echt bestaan er geen categorische stoornissen: comorbiditeit is niet uitzonderlijk.
Bij comorbiditeit is het lastig om te beslissen wat als eerst behandeld moet worden,
mede doordat er geen richtlijnen zijn. Daarnaast zijn de behandelingen die wel werken
niet optimaal.
Om behandeleffectiviteit te vergroten, kunnen behandelingen beter geïmplementeerd
worden. Een andere oplossing is om transdiagnostisch te werken: je richt je dan niet op
specifieke problemen of stoornissen, maar je kijkt naar gemeenschappelijke factoren.
, Transdiagnostiek
Al bestaande diagnostiek zoals medicatie, exposure en cognitieve benaderingen zijn al
transdiagnostisch, aangezien deze benaderingen niet gekoppeld zijn aan één specifiek
probleem of stoornis.
Er kunnen drie therapeutische niveaus onderscheiden worden in de transdiagnostiek:
- Therapeutisch aangrijpingspunt: wat moet er veranderen? Bijvoorbeeld
disfunctioneel gedrag, cognitie of emotie.
- Therapeutische context: hoe wordt die verandering het beste gefaciliteerd?
Bijvoorbeeld motivatie, ratio, structuur of therapeutische relatie.
- Therapeutisch systeem: moeten andere personen betrokken worden om de
verandering te bestendigen? Bijvoorbeeld partner, huisarts of bedrijfsarts.
Exposure en leergeschiedenis zijn relevant voor heel veel stoornissen.
Het artikel: wat is de kern van de paper? Welke theorie? Wat komt eruit? Dus zoek naar
de grote lijnen, wat belangrijk is en wat betekent het.
Fear conditioning
Tijdens de acquisitiefase wordt angst aangeleerd wanneer er een US met een schok
wordt gepaard. Tijdens de extinctiefase wordt deze angst afgeleerd waarbij de CS
zonder angst wordt gepaard. Hierdoor wordt aangeleerd dat er geen gevaar is bij de
stimulus, waardoor de angst wordt uitgedoofd.
Duits et al.: opzet
Acquisitie fases: met en zonder instructie, extinctie fases: met en zonder instructie en
angst en US-verwachting werden gemeten
Hoe zit het met leren? Bij exposure gaan we er vanuit dat extinctie van angst goed
plaatsvindt en dat patiënten extinctie kunnen aanleren, terwijl dit in de werkelijkheid
niet altijd zo gaat. Wanneer exposure niet werkt, dan zou het wellicht kunnen komen
doordat er iets misgaat met leren.
Duits et al.: resultaten
Studie 1:
Angst CS+ (angstopwekkend):
- Traject 1: normale acquisitie en extinctie
- Traject 2: lage angst tijdens alle fases
- Traject 3: normale acquisitie, maar geen reductie van angst in extinctie fase
Angst CS- (niet angstopwekkend):
- Traject 1: lage angst tijdens alle fases
- Traject 2: hoge angst tijdens alle fases