Hoofdstuk 6 basiskennis
Leren is een relatief duurzame verandering in gedrag als gevolg van
ervaring
Wanneer dier profiteert van ervaring
Niet-associatief leren: herhaalde blootstelling aan enkele stimuli of
gebeurtenis
Associatief leren: koppelen van twee gebeurtenissen die over het
algemeen direct na elkaar plaats vinden
Conditionering: een proces waarbij omgevingsstimuli en gedragsreactie
met elkaar in verband worden gebracht
Sociaal leren: het verwerven van gedragingen en voorspellende
associaties tussen stimuli of gebeurtenissen via interacties met anderen
Gewenning: afname van gedragsreactie na herhaalde blootstelling aan
een stimulus
Ontwenning: toename van reactie vanwege verandering in iets bekends
Sensibilisatie: toename van gedragsreactie na blootstelling aan een
stimulus
Vaak bij betekenisvolle stimuli zoals dreiging
Klassieke conditionering: een neutrale stimulus roept een reactie op
omdat deze reactie geassocieerd is met een stimulus die reactie
produceert
Je leert hoe een gebeurtenis een andere gebeurtenis kan
voorspellen
Ongeconditioneerde reactie (UR): niet aangeleerde reactie
Geconditioneerde reactie (CR): aangeleerde reactie
Ongeconditioneerde stimulus (US): Een prikkel die van nature een
automatische reactie oproept, zonder dat er voorafgaand leren nodig is
Geconditioneerde stimulus (CS): een prikkel die oorspronkelijk neutraal
was, maar na herhaalde associatie met een ongeconditioneerde stimulus
(US) een reactie uitlokt
Een prikkel die oorspronkelijk neutraal was, maar na herhaalde
associatie met een ongeconditioneerde stimulus (US) een reactie
uitlokt
, Acquisitie: de vorming van een associatie tussen een geconditioneerde
stimulus en een ongeconditioneerde stimulus
Extinctie: geconditioneerde reactie verzwakt wanneer geconditioneerde
stimulus wordt herhaald zonder de ongeconditioneerde stimulus
Rescorla-Wagner-model: stelt dat een dier leert te verwachten dat
sommige voorspellers beter zijn dan andere.
Positieve voorspellingsfout: onverwachte gebeurtenis of heftigere
verwachte stimulus
Negatieve voorspellingsfout: afwezigheid gebeurtenis
Stimulusgeneralisatie: treedt op wanneer stimuli die vergelijkbaar zijn
maar niet identiek aan de CS, de CR produceren
Stimulusdiscriminatie: treedt op wanneer een dier leert onderscheid te
maken tussen twee vergelijkbare stimuli als de ene consequent
geassocieerd wordt met de US en de andere niet
Tweede-orde conditionering: geconditioneerde reactie kan worden
geleerd zonder associatie geconditioneerde en ongeconditioneerde
stimulus
Operante conditionering: gedragingen representeren een manier om
iets te verkrijgen (een beloning) of iets te vermijden (een straf)
Door operante conditionering leert een dier voorspellende
associaties tussen een actie en de gevolgen ervan die de
waarschijnlijkheid bepalen dat die actie wordt herhaald
Wet van effect: de kans is groot dat elk gedrag dat leidt tot een
"bevredigende staat van zaken" zich opnieuw voordoet
Behaviorisme: een denkrichting waar omgevingseffecten op
waarneembaar gedrag centraal staat
Reinforcement: een stimulus die optreedt na een respons en de
waarschijnlijkheid vergroot dat de respons wordt herhaald
Positieve versterking: de kans dat dat gedrag wordt herhaald
Wordt verhoogd door het toedienen van een stimulus na een gedrag
Negatieve versterking: verhoogt gedrag door het verwijderen van een
onaangename stimulus
Bekrachtiging verhoogt de kans op gedrag, terwijl straf de kans verlaagd
Shaping: het versterken van gedragingen die steeds meer lijken op het
gewenste gedrag
Leren is een relatief duurzame verandering in gedrag als gevolg van
ervaring
Wanneer dier profiteert van ervaring
Niet-associatief leren: herhaalde blootstelling aan enkele stimuli of
gebeurtenis
Associatief leren: koppelen van twee gebeurtenissen die over het
algemeen direct na elkaar plaats vinden
Conditionering: een proces waarbij omgevingsstimuli en gedragsreactie
met elkaar in verband worden gebracht
Sociaal leren: het verwerven van gedragingen en voorspellende
associaties tussen stimuli of gebeurtenissen via interacties met anderen
Gewenning: afname van gedragsreactie na herhaalde blootstelling aan
een stimulus
Ontwenning: toename van reactie vanwege verandering in iets bekends
Sensibilisatie: toename van gedragsreactie na blootstelling aan een
stimulus
Vaak bij betekenisvolle stimuli zoals dreiging
Klassieke conditionering: een neutrale stimulus roept een reactie op
omdat deze reactie geassocieerd is met een stimulus die reactie
produceert
Je leert hoe een gebeurtenis een andere gebeurtenis kan
voorspellen
Ongeconditioneerde reactie (UR): niet aangeleerde reactie
Geconditioneerde reactie (CR): aangeleerde reactie
Ongeconditioneerde stimulus (US): Een prikkel die van nature een
automatische reactie oproept, zonder dat er voorafgaand leren nodig is
Geconditioneerde stimulus (CS): een prikkel die oorspronkelijk neutraal
was, maar na herhaalde associatie met een ongeconditioneerde stimulus
(US) een reactie uitlokt
Een prikkel die oorspronkelijk neutraal was, maar na herhaalde
associatie met een ongeconditioneerde stimulus (US) een reactie
uitlokt
, Acquisitie: de vorming van een associatie tussen een geconditioneerde
stimulus en een ongeconditioneerde stimulus
Extinctie: geconditioneerde reactie verzwakt wanneer geconditioneerde
stimulus wordt herhaald zonder de ongeconditioneerde stimulus
Rescorla-Wagner-model: stelt dat een dier leert te verwachten dat
sommige voorspellers beter zijn dan andere.
Positieve voorspellingsfout: onverwachte gebeurtenis of heftigere
verwachte stimulus
Negatieve voorspellingsfout: afwezigheid gebeurtenis
Stimulusgeneralisatie: treedt op wanneer stimuli die vergelijkbaar zijn
maar niet identiek aan de CS, de CR produceren
Stimulusdiscriminatie: treedt op wanneer een dier leert onderscheid te
maken tussen twee vergelijkbare stimuli als de ene consequent
geassocieerd wordt met de US en de andere niet
Tweede-orde conditionering: geconditioneerde reactie kan worden
geleerd zonder associatie geconditioneerde en ongeconditioneerde
stimulus
Operante conditionering: gedragingen representeren een manier om
iets te verkrijgen (een beloning) of iets te vermijden (een straf)
Door operante conditionering leert een dier voorspellende
associaties tussen een actie en de gevolgen ervan die de
waarschijnlijkheid bepalen dat die actie wordt herhaald
Wet van effect: de kans is groot dat elk gedrag dat leidt tot een
"bevredigende staat van zaken" zich opnieuw voordoet
Behaviorisme: een denkrichting waar omgevingseffecten op
waarneembaar gedrag centraal staat
Reinforcement: een stimulus die optreedt na een respons en de
waarschijnlijkheid vergroot dat de respons wordt herhaald
Positieve versterking: de kans dat dat gedrag wordt herhaald
Wordt verhoogd door het toedienen van een stimulus na een gedrag
Negatieve versterking: verhoogt gedrag door het verwijderen van een
onaangename stimulus
Bekrachtiging verhoogt de kans op gedrag, terwijl straf de kans verlaagd
Shaping: het versterken van gedragingen die steeds meer lijken op het
gewenste gedrag