Tilburg University
Major Forensische Psychologie
2024-2025
Boek: Garofalo, C., & Sijtsema, J. J. (2022). Clinical forensic psychology: Introductory
perspectives on offending. Palgrave Macmillan.
Hoorcollege 1 – Introductie
› Boekhoofdstukken 2 en 19
Antisociaal gedrag is gedrag dat in strijd is met maatschappelijke normen, wetten of de
rechten van anderen. In het geval van kinderen kan het ook gaan om het overtreden van de
verwachtingen van autoriteitsfiguren, zoals ouders of leerkrachten.
Agressie is elk gedrag dat gericht is op een ander individu, met de intentie om schade toe te
brengen. De dader moet zowel de intentie hebben om schade te veroorzaken als het besef
dat het gedrag inderdaad schadelijk zal zijn, terwijl het slachtoffer gemotiveerd is om deze
schade te vermijden.
Geweld is een specifieke vorm van agressie waarbij het toebrengen van ernstige of extreme
schade het doel is.
Criminaliteit (offending) is gedrag dat wettelijk strafbaar is gesteld.
Wat valt niet onder agressie of geweld? Handelingen die onopzettelijk zijn, op wederzijdse
toestemming berusten, of uiteindelijk voordelig uitpakken voor alle betrokkenen.
Om de ontwikkeling van criminaliteit (maar ook antisociaal gedrag, agressie en geweld) te
begrijpen moeten we meerdere perspectieven nemen, waarbij persoonlijke (bijv. mentale
gezondheid, persoonlijkheid, cognitie) en omgevingsfactoren (bijv. familie, school, buurt) in
acht worden genomen.
Deel 1: Antisociaal gedrag
Antisociaal gedrag (antisocial behavior, ASB) is gedrag dat in strijd is met maatschappelijke
normen, wetten of de rechten van anderen. In het geval van kinderen kan het ook gaan om
het overtreden van de verwachtingen van autoriteitsfiguren, zoals ouders of leerkrachten.
Antisociaal gedrag is het resultaat van tientallen jaren onderzoek en wordt tegenwoordig
gezien als een kenmerk dat ontstaat door een combinatie van biologische, psychologische en
sociale invloeden. Dit idee komt voort uit het besef dat zowel erfelijke aanleg ("nature") als
opvoeding en omgeving ("nurture") een rol spelen.
In het verleden richtten wetenschappers zich vaak óf op biologische factoren óf op sociale en
psychologische factoren om antisociaal gedrag te verklaren. Daardoor werden deze
theorieën vaak als tegenstrijdig gezien, terwijl ze juist goed met elkaar te combineren zijn.
,De biopsychosociale benadering brengt de biologische, psychologische en sociale
perspectieven samen. Het helpt ons beter te begrijpen hoe uiteenlopend antisociaal gedrag
kan zijn. In verschillende studies en disciplines (bijv. psychologie, psychiatrie,
neurowetenschappen, criminologie, sociologie) wordt antisociaal gedrag namelijk
beschreven door een verscheidenheid aan verschillende handelingen, op verschillende
leeftijden, variërend van gedragsproblemen in de vroege kinderjaren tot geweldsdelicten op
volwassen leeftijd.
Over het algemeen gaat antisociaal gedrag over gedrag dat afwijkt van de normen, wetten of
rechten van anderen. Bij kinderen gaat het vaak om het niet volgen van de regels van ouders
of leraren. Hoewel er veel verschillen zijn in hoe antisociaal gedrag eruitziet, laat onderzoek
zien dat deze vormen vaak terug te voeren zijn op dezelfde dieperliggende oorzaken.
Specifieke causale paden tussen genetische, neurobiologische en omgevingsfactoren kunnen
de verschillende vormen van antisociaal gedrag, de timing van hun begin in de ontwikkeling
van een individu en hun aanhouden of afnemen in de loop van de tijd verklaren.
▪ ASB is een overkoepelende term voor een breed scala aan gedragingen
▪ ASB is een gedeelde component (“common core”) van alle antisociale gedragingen
▪ Verschillen in type gedrag, timing van opkomst van gedrag en persistentie over tijd
door genetische, neurobiologische en ontwikkelingsfactoren
Antisociaal gedrag werd oorspronkelijk dus gezien als puur biologisch of psychosociaal.
Maar, in de late 19e en vroege 20e eeuw was er een opkomst van modellen om antisociaal
gedrag te verklaren:
▪ Genetisch
▪ Evolutionair
▪ Biopsychologisch
▪ Psychosociaal
Antisociaal gedrag: Genetische modellen
Het genetische model heeft als doel de overerfbaarheid van menselijk gedrag en de variaties
die leiden tot individuele verschillen te beschrijven en te begrijpen. Het genetische model
leed onder de associatie met de eugenetische beweging en werd uiteindelijk verworpen.
Daardoor kreeg het psychosociale perspectief in de 20e eeuw meer aandacht.
▪ Gedrag is deels erfelijk, en verschillen in genen zorgen voor verschillen tussen
mensen.
▪ Uit onderzoek blijkt dat ongeveer 50% van antisociaal gedrag verklaard kan worden
door genetische invloeden.
1. Tweeling en adoptiestudies
Een veelgebruikte methode om genetische invloeden te onderzoeken is de tweelingstudie.
Het idee is dat als eeneiige tweelingen (MZ), die 100% van hun genen delen, meer op elkaar
lijken in gedrag dan twee-eiige tweelingen (DZ), die ongeveer 50% van hun genen delen, dan
speelt genetica waarschijnlijk een belangrijke rol. Omdat beide soorten tweelingen vaak
opgroeien in dezelfde omgeving, kunnen onderzoekers het effect van genen beter los zien
van de omgeving.
,Verschillende situaties:
▪ MZ tweelingen (samen opgegroeid) = 100% genen, 100% gedeelde omgeving
▪ DZ tweelingen (samen opgegroeid) = 50% genen, 100% gedeelde omgeving
▪ MZ tweelingen (apart opgegroeid) = 100% genen, 0% gedeelde omgeving
▪ Geadopteerde kinderen = 0% genen met adoptieouders, 100% gedeelde omgeving
2. Moleculaire studies (minder populair)
Naast tweeling- en adoptiestudies zijn er ook moleculair genetische onderzoeken, die op
zoek gaan naar specifieke genen of genvariaties die mogelijk verband houden met
antisociaal gedrag. Deze studies richten zich vaak op "kandidaatgenen" die betrokken zijn bij
biologische processen zoals emotie, beloning en leren (bijv. genen die serotonine of
dopamine aansturen).
Toch is het onwaarschijnlijk dat antisociaal gedrag wordt veroorzaakt door één specifiek gen.
Waarschijnlijk zijn veel verschillende genen betrokken, elk met een klein effect. Ook kan de
invloed van genen verschillen afhankelijk van:
▪ De leeftijd van een persoon
▪ De omgeving waarin iemand opgroeit
▪ Het soort antisociaal gedrag
Een recentere methode is de Genome Wide Association Study (GWAS). Hierbij wordt niet
gekeken naar een paar specifieke genen, maar naar het hele genoom, om patronen te
ontdekken tussen genen en gedrag. Deze datagedreven aanpak is veelbelovend, maar heeft
tot nu toe beperkte resultaten opgeleverd, onder andere door een tekort aan betrouwbare
herhalingen van bevindingen.
Antisociaal gedrag: Evolutionaire modellen
De evolutionaire benadering is gebaseerd op Darwin’s theorie van natuurlijke selectie (1859).
Volgens dit model zijn bepaalde eigenschappen die samenhangen met antisociaal gedrag
blijven bestaan in onze genen, omdat ze vroeger voordelen opleverden voor overleving en
voortplanting. Denk aan kenmerken zoals onbevreesdheid, impulsiviteit, sensatiezucht en
agressiviteit. Dit zijn eigenschappen die in een jager-verzamelaarsomgeving nuttig konden
zijn om hulpbronnen te verkrijgen, conflicten te winnen of partners aan te trekken.
In de moderne samenleving kunnen sommige van die eigenschappen nog steeds voordelig
zijn in bepaalde situaties, maar andere zorgen juist voor problemen. Bijvoorbeeld:
▪ Agressiviteit kan moeilijk zijn om op een goede manier te beheersen, maar is niet per
se altijd negatief.
▪ Bedrieglijkheid of valsspelen kunnen iemand helpen zich aan te passen in
onvoorspelbare omstandigheden, ook al zijn ze moreel onwenselijk.
Het doel van deze benadering is niet om antisociaal gedrag goed te praten, maar om te
begrijpen waarom mensen zich zo kunnen gedragen. Het kijkt naar gedrag als iets dat deels
voortkomt uit eigenschappen die bij onze voorouders van nut waren. Dit geldt niet alleen
voor het antisociale gedrag zelf, maar ook voor hoe goed iemand zijn impulsen kan
onderdrukken (responsinhibitie) en hoe gevoelig hij of zij is voor invloeden uit de omgeving.
, Antisociaal gedrag: Biopsychologische modellen
De biopsychologische benadering kijkt naar hoe biologische processen in het lichaam, vooral
in de hersenen, bijdragen aan antisociaal gedrag. Deze benadering ontstond eind 19e eeuw
en richt zich op systemen zoals het hormonale systeem, het zenuwstelsel, het
immuunsysteem en natuurlijk de hersenen.
Een bekend historisch voorbeeld is de casus van Phineas Gage in 1848. Na een ernstig
ongeluk waarbij zijn frontale hersenkwab beschadigd raakte, veranderde hij van een
vriendelijke en beleefde man in iemand die snel boos werd, onverantwoordelijk was en
agressief gedrag vertoonde.
Tegenwoordig weten we bijvoorbeeld dat:
▪ De P300-golf in de hersenen (een soort hersensignaal) samenhangt met
gedragsremming. Bij mensen met antisociaal gedrag, zowel kinderen als volwassenen,
is dit signaal vaak afwijkend.
▪ Met behulp van MRI-scans kunnen onderzoekers de structuur en de werking van de
hersenen bestuderen. Zo is gevonden dat mensen met antisociaal gedrag vaak een
verminderde structuur en activiteit hebben in de prefrontale cortex. Dat is het
hersengebied voor sociale controle, planning en het nemen van beslissingen.
Nieuw onderzoek laat ook zien dat de ontwikkeling van de hersenen (neuromaturatie)
gevoelig is voor invloeden uit de omgeving, zoals armoede of stress. Deze effecten kunnen al
beginnen in de vroege kindertijd en van invloed zijn op hoe de hersenen zich vormen en
functioneren, wat weer kan bijdragen aan de ontwikkeling van antisociaal gedrag.
Antisociaal gedrag: Psychosociale modellen
Terwijl wetenschappers biologische verklaringen voor antisociaal gedrag onderzochten,
ontstond ook een sterke psychosociale benadering. Deze kreeg vooral meer aandacht in de
twintigste eeuw, toen er kritiek kwam op puur biologische verklaringen. Vanaf de naoorlogse
periode (Mental Hygiene Movement) begon men meer te kijken naar hoe opvoeding,
gezinssituatie en sociale omgeving van invloed zijn op het gedrag van kinderen.
Deze benadering benadrukt dat de omgeving een grote rol speelt in hoe mensen zich
ontwikkelen, en dus ook in het ontstaan van antisociaal gedrag.
1. Sociale leermodellen
Volgens sociale leermodellen leren kinderen antisociaal gedrag door anderen te observeren
en na te doen. Ze nemen gedrag over van mensen om hen heen, zoals ouders, broers en
zussen of vrienden. Als dat gedrag vervolgens ook nog beloond wordt (bijv. door aandacht
of het krijgen van hun zin), dan wordt het versterkt.
Een bekend voorbeeld is het werk van Bandura, die liet zien hoe kinderen agressief gedrag
overnemen door te kijken naar rolmodellen. Onderzoekers zoals Patterson bouwden hierop
voort en lieten zien dat negatieve interacties binnen het gezin (zoals geschreeuw of vechten)
vaak leiden tot agressief gedrag bij kinderen, dat zich later uitbreidt naar andere situaties
zoals school of de buurt.