FUNCTIES VAN DE GEZONDE NIER
DE FUNCTIES VAN DE NIER BENOEMEN
Functies
1. Regulatie van de bloeddruk
2. Excretie overtollige stoffen en vocht
3. Balanceren zuur-base evenwicht
4. Hormonale functies (EPO/1,25- Dihydroxycholecalciferol)
1 REGULATIE VAN DE BLOEDDRUK
RENINE- ANGIOTENSINE- ALDOSTERONSYSTEEM (RAAS)
RAAS
= systeem dat de reabsorptie van water en zout in de distale tubulus beïnvloed.
Wanneer het extracellulair volume afneemt zal ook het plasmavolume afnemen. Dit zorgt voor een reeks
van opvolgende reacties:
Glomerulaire filtratiesnelheid (GFR) neemt af
Natriumgehalte in tubulus daalt
Productie renine
De productie van renine zorgt ervoor dat angiotensinogeen wordt omgezet in angiotensine I.
→ angiotensine I wordt omgezet naar angiotensine II
→ door het angiotensine converting enzyme (ACE)
1
,Gevolgen angiotensine II productie
• Sterk vasoconstrictief effect
• Diameter van bloedvaten verminderd
• Bloeddrukverhoging
• Stimuleert de bijnierschors tot productie van aldosteron
Aldosteron
= heeft een bloeddruk verhogend effect + bevorderd de tubulaire natriumresorptie en dus ook van water
→ plasmavolume zal toenemen
→ bloeddrukdaling wordt tegengegaan
VOLUME- EN OSMOSE REGULATIE
Beide mechanismen zijn nauw verweven met elkaar.
→ osmoregulatie werkt met beperktere grenzen
→ ≠ factoren spelen een rol bij de water- en zouthuishouding
EXTRACELLULAIRE VLOEISTOF
Bestaat uit:
→ water met daarin
• Opgeloste zouten
• Zuren
• Andere stoffen: ureum, glucose en creatinine
TEVEEL AAN EXTRACELLULAIRE VLOEISTOF TEKORT AAN EXTRACELLULAIRE VLOEISTOF
Veroorzaakt oedeem • Verminderde huidturgor
→ bij circulerend plasmavolume = hypertensie • (orthostatische) hypotensie
INTRACELLULAIRE VLOEISTOF
De intracellulaire vloeistof bevindt zich in de cellen van alle weefsels.
Stoffen i.v.m. extracellulaire vloeistof
• Ureumgehalte =
• Kaliumgehalte
• Natriumgehalte
→ het verschil in natrium- en kaliumgehalte wordt geregeld door de natrium-kaliumpomp!
Deze pomp is zeer belangrijk. Als deze niet correct functioneert en het gehalte aan Ka en Na gestoord is,
dan heb je kans op hartritmestoornissen.
VOLUMEREGULATIE (~ NATRIUMREGULATIE)
Deze regulatie gebeurt via aldosteron en het RAAS-systeem.
• Verhoogt perifere weerstand
• Invloed op renale hemodynamica
Bij inname van zout neemt het natriumgehalte toe. Dit zorgt voor:
• Osmolariteit stijgt
• Dorstgevoel
• Overschot wordt uitgescheiden
• Antidiuretisch hormoonproductie wordt gestimuleerd
2
,2 EXCRETIE OVERTOLLIGE STOFFEN EN VOCHT
Mogelijkheden bij overbodige of schadelijke stoffen
• Uitscheiding via ultrafiltratie in de glomeruli
• Actieve afscheiding in tubuli
• Selectieve resorptie uit tubulusvloeistof
ULTRAFILTRATIE
Ultrafiltratie
= vloeistof dat ontstaat wanneer water en laagmoleculaire stoffen vanuit het bloed in de glomerulus
worden gefilterd naar de ruimte binnen het kapsel van Bowman.
→ wordt in stand gehouden door de bloeddruk
NATRIUM EN KALIUM
NATRIUM KALIUM
95% wordt gereabsorbeerd in de tubuli. Groot deel wordt in proximale tubulus en de lis
van Henle gereabsorbeerd.
ANTIDIURETISCH HORMOON (ADH)
Speelt een belangrijke rol in de reabsorptie van water in de distale tubulus en de verzamelbuis.
→ 14 van het ultrafiltraat wordt gereabsorbeerd
Functie ADH
Verhoogt de permeabiliteit voor water in de distale tubulus en de verzamelbuis.
→ bij verhoging ADH wordt dus meer water gereabsorbeerd
3 BALANSEREN ZUUR – BASE – EVENWICHT
H+ ionen = zuren die pH bepalen
→ hebben invloed op zuurtegraad
HCO3 Primaire parameter voor beoordeling van zuur – base – evenwicht uit te voeren
→ wordt bepaald door de nieren
→ door extra HCO3 vast te houden of uit te scheiden
CO2 Hoeveelheid wordt bepaald door de longen
→ door extra CO2 vast te houden of uit te scheiden
Vaak wordt er bicarbonaat ingenomen om het zuurbase evenwicht te reguleren.
→ teveel kalium zorgt voor hoger zuurgehalte
→ moet dus opgevangen worden met een base
3
, 4 HORMONALE FUNCTIES
ERYTROPOËTINE (EPO)
EPO
= een stof die het beenmerk stimuleert bij de aanmaak van rode bloedcellen.
Kenmerken
• Wordt aangemaakt in de nieren
• Tekort veroorzaakt anemie!
• Vaak voorkomende complicatie bij nierinsufficiëntie
Er zal medicatie moeten ingenomen worden om de aanmaak te optimaliseren.
1,25 – DIHYDROXYCHOLECALCIFEROL
1,25-Dihydroxycholecalciferol
= actieve vorm van vitamine D
Functies
• Wordt opgenomen via onze voeding en door invloed van ultraviolet licht in de huid
• Stof bevorderd reabsorptie van calcium uit de darmen
→ er ontstaat een tekort aan calcium in het lichaam
→ brozere botten
4