Tentamen Emotie, Cognitie en Gedrag – Versie 1
Deel 1 – Theoretische concepten (1–20)
1. Wat is een belangrijk onderscheid tussen affect en emotie in de definitie van Gross &
Ford (2024)?
A. Affect is langduriger dan emotie
B. Emotie heeft geen specifiek object, affect wel
C. Affect is sneller, globaal en richtingloos
D. Emotie beïnvloedt alleen fysiologie
2. Volgens het procesmodel van Gross is de monitoringfase bedoeld om:
A. Een emotie op te roepen
B. Te bepalen welke strategie je inzet
C. Het effect van je regulatie te beoordelen
D. Te kiezen tussen pro- en contrahedonische doelen
3. Wat is de kern van misexecution in emotieregulatie?
A. Geen strategie gebruiken
B. Strategie kiezen die niet past bij doel
C. Strategie niet goed uitvoeren ondanks goede keuze
D. Gebruik maken van reappraisal terwijl suppressie beter zou zijn
4. Welk element hoort niet bij de vier fasen van het procesmodel?
A. Identificatie
B. Versterking
C. Selectie
D. Implementatie
5. Volgens het biopsychosociaal model wordt temperament beïnvloed door:
A. Culturele context
B. Hormonale schommelingen
C. Genetische aanleg
D. Motivaties en doelen
6. Welk hersengebied is cruciaal bij het initiëren van reappraisal?
A. Amygdala
B. Insula
C. LPFC
D. Ventrale striatum
7. Welke uitspraak past het best bij het functionalisme in emotietheorie?
A. Emoties ontstaan door leerervaringen
B. Emoties zijn evolutionair gevormd om doelen te bereiken
C. Emoties zijn sociaal geconstrueerde reacties
D. Emoties zijn bijproduct van cognitieve evaluaties
8. Wat is een contrahedonisch emotiedoel?
A. Het streven naar kalmte
B. Het bewust toelaten van boosheid om iets te bereiken
C. Het vermijden van verdriet om je goed te voelen
D. Een onbewust verlangen naar geluk
9. Wat is een risicofactor voor experiëntiële vermijding?
A. Hoge zelfeffectiviteit
B. Lage distress-tolerantie
, C. Vermogen tot zelfcompassie
D. Veilige hechtingsstijl
10. Wat is het verschil tussen coping en emotieregulatie?
A. Coping gaat over aanpassing aan stress; ER over emotie zelf
B. ER is onbewust, coping bewust
C. Coping gebeurt in de hersenstam, ER in de cortex
D. ER richt zich op gedrag, coping op fysiologie
11. Welke ER-strategie is volgens Ochsner et al. (2002) het meest verbonden met afname
van amygdala-activiteit?
A. Suppressie
B. Acceptatie
C. Distraction
D. Reappraisal
12. In welke situatie werkt positive reappraisal het minst goed?
A. Chronische ziekte zonder behandeling
B. Rouwproces
C. Toets waarvoor je niet geleerd hebt
D. Relatiebreuk
13. Welke uitspraak past bij het ACE-model?
A. Emoties zijn alleen te reguleren als je ze begrijpt
B. Zelfcompassie en zelftroost zijn kerncomponenten
C. De nadruk ligt op strategieën, niet op vaardigheden
D. Emoties moeten vermeden worden
14. Wat is een voorbeeld van een SMART emotiedoel?
A. “Ik wil me goed voelen”
B. “Ik wil leren omgaan met teleurstelling binnen 1 maand”
C. “Ik wil nooit meer boos worden”
D. “Ik wil mijn emoties controleren”
15. Wat voorspelt een betere ER volgens Vaughan-Johnston et al. (2020)?
A. Lage experiëntiële vermijding
B. Hoge zelfkritiek
C. Weinig strategiegebruik
D. Hoge arousaldrempel
16. Waarom is negativiteitsbias evolutionair voordelig?
A. Het stimuleert sociale cohesie
B. Het zorgt voor betere motivatie
C. Het verhoogt alertheid op gevaar
D. Het verlaagt cortisol
17. Welk gedrag past bij Machiavellistische emoties?
A. Je laat verdriet zien om hulp te krijgen, terwijl je het niet echt voelt
B. Je onderdrukt woede om vriendelijk te blijven
C. Je bent verdrietig en huilt alleen
D. Je voelt jaloezie maar deelt het niet
18. Wat is een kenmerk van ruminatie bij adolescenten?
A. Toegenomen zelfreflectie
B. Flexibel gebruik van herwaardering
C. Passief, herhalend negatief denken
D. Emotieregulatie via lichamelijke expressie
19. Wat betekent load sharing in de Social Baseline Theory?
A. Het overdragen van taken aan anderen
Deel 1 – Theoretische concepten (1–20)
1. Wat is een belangrijk onderscheid tussen affect en emotie in de definitie van Gross &
Ford (2024)?
A. Affect is langduriger dan emotie
B. Emotie heeft geen specifiek object, affect wel
C. Affect is sneller, globaal en richtingloos
D. Emotie beïnvloedt alleen fysiologie
2. Volgens het procesmodel van Gross is de monitoringfase bedoeld om:
A. Een emotie op te roepen
B. Te bepalen welke strategie je inzet
C. Het effect van je regulatie te beoordelen
D. Te kiezen tussen pro- en contrahedonische doelen
3. Wat is de kern van misexecution in emotieregulatie?
A. Geen strategie gebruiken
B. Strategie kiezen die niet past bij doel
C. Strategie niet goed uitvoeren ondanks goede keuze
D. Gebruik maken van reappraisal terwijl suppressie beter zou zijn
4. Welk element hoort niet bij de vier fasen van het procesmodel?
A. Identificatie
B. Versterking
C. Selectie
D. Implementatie
5. Volgens het biopsychosociaal model wordt temperament beïnvloed door:
A. Culturele context
B. Hormonale schommelingen
C. Genetische aanleg
D. Motivaties en doelen
6. Welk hersengebied is cruciaal bij het initiëren van reappraisal?
A. Amygdala
B. Insula
C. LPFC
D. Ventrale striatum
7. Welke uitspraak past het best bij het functionalisme in emotietheorie?
A. Emoties ontstaan door leerervaringen
B. Emoties zijn evolutionair gevormd om doelen te bereiken
C. Emoties zijn sociaal geconstrueerde reacties
D. Emoties zijn bijproduct van cognitieve evaluaties
8. Wat is een contrahedonisch emotiedoel?
A. Het streven naar kalmte
B. Het bewust toelaten van boosheid om iets te bereiken
C. Het vermijden van verdriet om je goed te voelen
D. Een onbewust verlangen naar geluk
9. Wat is een risicofactor voor experiëntiële vermijding?
A. Hoge zelfeffectiviteit
B. Lage distress-tolerantie
, C. Vermogen tot zelfcompassie
D. Veilige hechtingsstijl
10. Wat is het verschil tussen coping en emotieregulatie?
A. Coping gaat over aanpassing aan stress; ER over emotie zelf
B. ER is onbewust, coping bewust
C. Coping gebeurt in de hersenstam, ER in de cortex
D. ER richt zich op gedrag, coping op fysiologie
11. Welke ER-strategie is volgens Ochsner et al. (2002) het meest verbonden met afname
van amygdala-activiteit?
A. Suppressie
B. Acceptatie
C. Distraction
D. Reappraisal
12. In welke situatie werkt positive reappraisal het minst goed?
A. Chronische ziekte zonder behandeling
B. Rouwproces
C. Toets waarvoor je niet geleerd hebt
D. Relatiebreuk
13. Welke uitspraak past bij het ACE-model?
A. Emoties zijn alleen te reguleren als je ze begrijpt
B. Zelfcompassie en zelftroost zijn kerncomponenten
C. De nadruk ligt op strategieën, niet op vaardigheden
D. Emoties moeten vermeden worden
14. Wat is een voorbeeld van een SMART emotiedoel?
A. “Ik wil me goed voelen”
B. “Ik wil leren omgaan met teleurstelling binnen 1 maand”
C. “Ik wil nooit meer boos worden”
D. “Ik wil mijn emoties controleren”
15. Wat voorspelt een betere ER volgens Vaughan-Johnston et al. (2020)?
A. Lage experiëntiële vermijding
B. Hoge zelfkritiek
C. Weinig strategiegebruik
D. Hoge arousaldrempel
16. Waarom is negativiteitsbias evolutionair voordelig?
A. Het stimuleert sociale cohesie
B. Het zorgt voor betere motivatie
C. Het verhoogt alertheid op gevaar
D. Het verlaagt cortisol
17. Welk gedrag past bij Machiavellistische emoties?
A. Je laat verdriet zien om hulp te krijgen, terwijl je het niet echt voelt
B. Je onderdrukt woede om vriendelijk te blijven
C. Je bent verdrietig en huilt alleen
D. Je voelt jaloezie maar deelt het niet
18. Wat is een kenmerk van ruminatie bij adolescenten?
A. Toegenomen zelfreflectie
B. Flexibel gebruik van herwaardering
C. Passief, herhalend negatief denken
D. Emotieregulatie via lichamelijke expressie
19. Wat betekent load sharing in de Social Baseline Theory?
A. Het overdragen van taken aan anderen