Antwoorden___Toelichting_Tentamen_5
Vraag Antwoord Toelichting
1 C A ect is globaal en sneller dan emotie, die vaak richting en object heeft.
2 C De monitoringfase evalueert of de gekozen strategie werkt en bijgestuurd moet worden.
3 C Misexecution = juiste strategie gekozen, maar ine ectief uitgevoerd.
4 B Versterking is geen aparte fase; het hoort bij implementatie of resultaat.
5 C Temperament wordt primair genetisch beïnvloed, met secundaire omgevingsinvloeden.
6 C LPFC (laterale prefrontale cortex) is essentieel bij het initiëren van cognitieve regulatie zoals
7 B Functionalisme ziet emoties als evolutionair adaptieve responsen op omgevingsdoelen.
8 B Contrahedonisch = bewust negatieve emotie toelaten als het bijdraagt aan doel.
9 B Lage distress-tolerantie voorspelt vermijdend gedrag t.a.v. negatieve emoties.
10 A Coping richt zich op stressor zelf, ER op de emotionele respons op die stressor.
11 D Reappraisal verlaagt amygdala-activiteit doordat betekenis verandert.
12 C Positive reappraisal is minder e ectief als situatie controleerbaar is, zoals bij toets waarvoo
13 B Self-support en zelfcompassie zijn cruciaal in het ACE-model van Berking & Whitley.
14 B SMART = speci ek en meetbaar → omgaan met teleurstelling binnen tijdslimiet.
15 A Lage vermijding → meer e ectiviteit van gekozen strategieën (Vaughan-Johnston et al.).
16 C Negativiteitsbias zorgt evolutionair voor snellere respons op gevaar dan op positieve prikke
17 A Machiavellistische emoties zijn strategisch en niet-authentiek (manipulatief).
18 C Ruminatie is passief, herhalend en negatief denken zonder actieve oplossing.
19 B Load sharing = stressreductie via sociale nabijheid (bijv. hand vasthouden).
20 B Capitalization versterkt positieve emoties en relaties door delen van goed nieuws.
21 B Gebruik is minder belangrijk dan of de strategie past bij de context (Gross & Ford).
22 C Reappraisal werkt vooral bij oncontroleerbare stress, niet bij dingen die je zelf kunt verande
23 C Suppressie werd gerelateerd aan verstoord eetgedrag en hogere diabetes distress.
24 D Suppressie werd gemanipuleerd via expressiecontrole (neutraal gezicht houden).
25 C IER versterkt welzijn en relatiekwaliteit mits sensitief toegepast.
26 B Experiëntiële vermijding vermindert e ectiviteit van emotieregulatiestrategieën.
27 B Negatieve opvattingen van vaders over angst → meer ER-problemen bij kinderen.
28 B Cohesie versterkt de impact van zowel negatieve als positieve ouderreacties.
29 B Overmatige reappraisal bij maatschappelijk onrecht → minder morele betrokkenheid.
30 C Emotionele besmetting is al zichtbaar bij baby’s → evolutionair ingebed.
31 B Negatieve expressie kan het positieve e ect van positieve expressie verstoren.
32 C Slechte ER bij kinderen wanneer temperament negatief is en ouders afwijzend zijn.
33 B Combinaties van IER-strategieën blijken e ectiever dan slechts één type.
34 C Sensitieve partnerreacties compenseren negatieve e ecten bij onveilig gehechte partners.
35
Vraag Antwoord Toelichting
1 C A ect is globaal en sneller dan emotie, die vaak richting en object heeft.
2 C De monitoringfase evalueert of de gekozen strategie werkt en bijgestuurd moet worden.
3 C Misexecution = juiste strategie gekozen, maar ine ectief uitgevoerd.
4 B Versterking is geen aparte fase; het hoort bij implementatie of resultaat.
5 C Temperament wordt primair genetisch beïnvloed, met secundaire omgevingsinvloeden.
6 C LPFC (laterale prefrontale cortex) is essentieel bij het initiëren van cognitieve regulatie zoals
7 B Functionalisme ziet emoties als evolutionair adaptieve responsen op omgevingsdoelen.
8 B Contrahedonisch = bewust negatieve emotie toelaten als het bijdraagt aan doel.
9 B Lage distress-tolerantie voorspelt vermijdend gedrag t.a.v. negatieve emoties.
10 A Coping richt zich op stressor zelf, ER op de emotionele respons op die stressor.
11 D Reappraisal verlaagt amygdala-activiteit doordat betekenis verandert.
12 C Positive reappraisal is minder e ectief als situatie controleerbaar is, zoals bij toets waarvoo
13 B Self-support en zelfcompassie zijn cruciaal in het ACE-model van Berking & Whitley.
14 B SMART = speci ek en meetbaar → omgaan met teleurstelling binnen tijdslimiet.
15 A Lage vermijding → meer e ectiviteit van gekozen strategieën (Vaughan-Johnston et al.).
16 C Negativiteitsbias zorgt evolutionair voor snellere respons op gevaar dan op positieve prikke
17 A Machiavellistische emoties zijn strategisch en niet-authentiek (manipulatief).
18 C Ruminatie is passief, herhalend en negatief denken zonder actieve oplossing.
19 B Load sharing = stressreductie via sociale nabijheid (bijv. hand vasthouden).
20 B Capitalization versterkt positieve emoties en relaties door delen van goed nieuws.
21 B Gebruik is minder belangrijk dan of de strategie past bij de context (Gross & Ford).
22 C Reappraisal werkt vooral bij oncontroleerbare stress, niet bij dingen die je zelf kunt verande
23 C Suppressie werd gerelateerd aan verstoord eetgedrag en hogere diabetes distress.
24 D Suppressie werd gemanipuleerd via expressiecontrole (neutraal gezicht houden).
25 C IER versterkt welzijn en relatiekwaliteit mits sensitief toegepast.
26 B Experiëntiële vermijding vermindert e ectiviteit van emotieregulatiestrategieën.
27 B Negatieve opvattingen van vaders over angst → meer ER-problemen bij kinderen.
28 B Cohesie versterkt de impact van zowel negatieve als positieve ouderreacties.
29 B Overmatige reappraisal bij maatschappelijk onrecht → minder morele betrokkenheid.
30 C Emotionele besmetting is al zichtbaar bij baby’s → evolutionair ingebed.
31 B Negatieve expressie kan het positieve e ect van positieve expressie verstoren.
32 C Slechte ER bij kinderen wanneer temperament negatief is en ouders afwijzend zijn.
33 B Combinaties van IER-strategieën blijken e ectiever dan slechts één type.
34 C Sensitieve partnerreacties compenseren negatieve e ecten bij onveilig gehechte partners.
35