T cell-mediated immunity
Activation of naive T cells by antigen
Dendritic cells carry antigens from sites of infection to secondary lymphoid tissues
Myeloïde dendritische cellen vangen de antigenen
op de plaats van infectie en brengen ze dan naar
secundair lymfeweefsel waar ze de antigenen laten
zien aan naive T-cellen.
Infectie van de huid of ander perifeer weefsel ® T-
cellen in de draining lymfeknopen worden actief
Infectie van het bloed ® T-cellen in de milt worden
actief
Infectie in mucusweefsels ® T-cellen mucosal
secundair lymfeweefsel worden actief
De dendritische cel verplaatst zich van de plek van
infectie naar de lymfeknoop, dit gaat samen met
veranderingen in de oppervlakte moleculen, functie
en morphology van de denritische cel.
Immature dendritic cells Dendritische cellen in de huid, kunnen goed antigenen
vangen, opnemen en verwerken
Mature/activated dendritic cells Dendritische cellen in de lymfeknopen, kunnen niet meer wat
de immature cells kunnen, de dendrieten worden heel breed
waardoor ze betere interacties kunnen hebben met T-cellen
in de cortex van de lymfeknoop
Dendritische cellen focussen op het activeren van naive T-cellen, macrofagen verwijderen
pathogenen en hun afbraakproducten uit het afferent lymfe dat van de infectieplek afkomt. Deze
lymfe zuivering door macrofagen is heel belangrijk, voorkomt zo de verdere verspreiding van een
infectie in het lymfe richting het bloed. Macrofagen ruimen ook de lymfocyten op die apoptose
hebben ondergaan.
Dendritic cells are adept and versatile at processing pathogen antigens
Dendritische cellen hebben verschillende soorten receptoren om pathogeen peptiden te presenteren
aan T-cellen die ze gaan activeren. Op verschillende manieren worden pathogene peptiden
opgenomen door dendritische cellen.
MHC I presentatie ® virale infectie dendritische cel, cross-presentatie van exogene virale antigenen
en doorgave van virale antigenen aan nabijgelegen dendritische cel
MHC II presentatie ® receptor-mediated endocytose van bacteriën en macropinocytose van
bacteriën en virussen
Macropinocytose Grote hoeveelheden extracellulaire vloeistof wordt
opgenomen om pathogenen te vangen die niet herkend
worden door een receptor op de dendritische cel
, Geïnfecteerde dendritische cellen kunnen zich naar de lymfeknopen bewegen en eenmaal daar te
ziek zijn om T-cellen te activeren. Dan komt het virus vrij en infecteert nieuwe dendritische cellen en
deze kunnen dan T-cellen activeren.
Dendritische cellen dragen alle Toll-like receptoren behalve TLR9, hierdoor zijn ze gevoelig voor alle
soorten pathogenen. Activatie van de dendritische cellen zorgt ervoor dat ze beter antigenen
opnemen, verwerken en ze presenteren op MHC. Ook krijgt de dendritische cel CCR7 op zijn cel dat
bindt aan CCL21 chemokine en dit zorgt ervoor dat de geactiveerde dendritische cel naar een
lymfeknoop gaat en geen andere pathogenen meer kan opnemen. Ook neemt het aantal
MHC:peptide complexen op de dendritische cel toe.
Naive T cells first encounter antigen presented by dendritic cells in secondary lymphoid
tissues
Naïeve T-cellen komen de lymfeknoop binnen vanuit nutriëntrijk bloed en binden
aan endotheelcellen van HEV om zo de lymfe cortex in te komen. Hier komen de T-
cellen dendritische cellen tegen die antigen peptiden op hun MHC hebben. Als een
T-cel bindt aan het MHC:peptide complex wordt de T-cel geselecteerd voor activatie
en blijft hij in de lymfeknoop bij de dendritische cel.
Een T-cel kan ook via het afferent lymfe in de lymfeknoop komen. De T-cel gaat dan
van de lymfeknoop in via afferent lymfe en verlaat de lymfeknoop via het efferent
lymfe als hij geen antigen tegenkomt. Dit herhaalt zich totdat de T-cel zijn antigen
tegenkomt.