DBMM Wijne Trommelen
,H1.Woningbouw en bouwwetgeving
Volkswoningbouw
1.Hofjeswoningen: rechthoekige tuin waaromheen kleine huize staan.
2.Etagewoningen: benedenwoning met eigen voordeur aan straat. Naast voordeur een deur die toegang geeft tot een gang naar het
achterhuis. In de gang bevind zich een trap naar een hoger gelegen woonlagen (twee of drie). Op de begane grond en op elke
verdieping woonden dus twee gezinnen. (tekening heeft woonkamer, bedstee en alkoof)
3.Portiekwoningen: dubbele panden, waarbij de begane grond woningen een eigen voordeur bezaten en de etagewoningen naast
elkaar uitkwamen op een, ter hoogt van de eerste verdieping gelegen, buitenportaal.
hofjeswoning etagewoning portiekwoning
Woningtypen
Eengezinswoningen
Duplexwoningen: achter voordeur portaal waar zich twee toegangsdeuren bevinden, een toegang tot beneden ander tot bovenwoning
(noodoplossing).
Suitewoningen: voor-en achterkamer gescheiden door één of twee schuifdeuren.
Doorzontype: doorkijk voor tot achter.
z- type: keuken diagonaal t.o.v. het entreeportaal.
Drive- in woning: garage begane grond, woonkamer 1e verdieping.
Hoogbouw
Galerijwoningen: ingebouwde trappenhuizen kan met de galerij bereiken. Elke voordeur komt op de galerij uit.
Maisonnettes: slaapverdieping en woonverdieping op verschillende etages.
Portiekflat: iedere woning rechtstreeks vanuit het trappenhuis of lift bereikbaar.
Corridorwoning: galerijen ontbreken.
Torenflat: woningen gegroepeerd rond een centraal trappenhuis. Galerijen overbodig.
Galerijwoning Portiekflat Corridorwoningen Torenflat
Overige woonvormen
Penthouse
Kasbahbouw: Arabische citadel
in Hengelo heel complex gebouwd.
Patiowoning: binnentuin.
Splitlevelwoningen: vloeren, die tegenover elkaar liggen, een halve verdiepingshoogte t.o.v. elkaar verspringen.
Halalwoning: extra kast schoenen, wateraansluiting rituele reinigen en schuifdeuren om afzonderlijke ruime mannen en vrouwen te
maken.
Dominica: elektronische communicatie tussen allerlei elektrische toepassingen in woningen en woonomgeving ten behoeven van
bewoners en dienstverleners.
1
,Keurmerken en wetten (extra tussendoor)
DUBO: duurzaam bouwen: zodanig bouwen en gebruikmaken van gebouwen en de gebouwen en de gebouwde omgeving dat de
schade voor het milieu in alle fasen, van planontwikkeling tot en met de sloop, zo veel mogelijk beperkt blijft.
Bevorderen van een zo energiearm mogelijk gebruik steeds meer aandacht.
Passiefhuis: woning met optimale isolatie en geen lucht verlies door kieren en gaten. Hierdoor mogelijk dat ruimtes hoofdzakelijk
worden verwarmd door zogenaamde passieve energie en centrale verwarming onnodig.
Nul woningen: energie neutrale woning. Met normaal leefpatroon en een hoog comfort epr jaar evenveel energie opwekt als hij
verbruikt door: uitstekende isolatie, warmteterugwinning, energiezuinige apparatuur, thermische collectoren, bodemwarmte,
windenergie etc.
Levensloopbestendige woning: woning zodanig ingedeeld en uitgevoerd dan men hier tot op hogere leeftijd kan wonen zonder
grote verbouwing.
Cradle to cradle: alles (dus niet alleen producten en bouwmaterialen) voor hergebruik beschikbaar zijn. Gaat om veilig en gezond
oneindig hergebruik van producten in het algemeen.
NEN: Nederlandse normen. Norm is een document, uitgegeven door een deskundig en onafhankelijk instituut, met omschrijving aan
welke eisen een bouwmateriaal, bouwdeel of constructie moet voldoen.
KOMO: is een kwaliteitsverklaring
Bouwbesluit: bevat alle technische voorschriften voor het bouwen. Verdeeld in 7 groepen: veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid,
energiezuinigheid en milieu, installaties, gebruik gebouwen, open erven en terreinen, bouw-en sloopwerkzaamheden.
Bouwverordening: vastgelegd wat de rechten en plichten zijn van een eigenaar van een gebouw, bijvoorbeeld over het gebruik.
WABO= Wet algemene bepalingen omgevingsrecht: regelt dat er slechts één samengevoegde vergunning nodig is, voor onder meer
bouwen, ruimte, natuurbescherming, monumenten en milieu.
Bor= Besluit omgevingsrecht: een Algemene Maatregels van Bestuur. Hierin is omschreven voor welke activiteiten een vergunning
nodig is en welk bevoegd gezag over de omgevingsvergunning beslist. Hoofdregel: burgemeester en wethouders van de gemeente
waar het project zal worden verricht, bevoegd zijn over een omgevingsvergunning te beslissen.
Mor= Ministeriele regeling omgevingsrecht= hierin worden Indienstvereisten van de aanvraag uitgewerkt. Deze eisen vormen de
basis voor het digitale aanvraagformulier dat wordt opgenomen in het Omgevingsformulier online.
Bbk: Besluit bodemkwaliteit: kwaliteitseisen waaraan bouwstoffen, grond en baggerspecie dienen te voldoen wanneer deze op of in
de bodem of in het oppervlaktewater worden toegepast
De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen wordt in elk geval getoetst aan de volgende geldende
overheidsvoorschriften:
• Het Bouwbesluit
• De bouwverordening (grotendeels vervallen)
• Bestemmingsplan en ander op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) gebaseerde overheidsvoorschriften.
• Algemene regels van Rijk of provincie (AMvB)
• Redelijke eisen van welstand.
2
, 2.Ruimtelijke Ordening; Bouwproces
Ruimtelijke ordening
Bestemmingsplan= op gemeentelijk niveau. Voor iedereen rechtstreeks bindend. Plan geeft in principe aan voor ieder stuk grond
binnen het plangebied waarvoor het gebruikt mag worden. Bevat daarnaast regels voor het bouwen, zoals wat er gebouwd mag
worden en welke afmetingen maximaal toelaatbaar zijn.
Rooilijnen= denkbeeldige lijnen die bij het bouwen niet mogen worden overschreden. Raamwerk met paaltjes (piketpaaltjes)
Kadaster
▪ Ter registratie en administratie van de rechtstoestand van alle onroerende goederen zoals eigendomsrecht,
erfdienstbaarheden, recht van opstal, erfpachtrecht en hypotheken.
▪ Openbaar register
Het bouwproces
1. Initiatieffase: opdrachtgever stelt plan van eisen op waar het bouwwerk moet voldoen + verrichten van haalbaarheid studies.
2. Ontwerpfase: ontwerper vertaalt het programma van eisen in een bouwkundig ontwerp. Rekening houdend met financiële
kaders + aanvraag omgevingsvergunning voorbereid.
3. Prijsvormingsfase: gezocht naar een aannemer en onderhandelingen gevoerd over kostprijs voor realisering.
4. Uitvoeringsfase: aannemer realiseert het bouwwerk
Einde bouwproces
5. Exploitatiefase of gebruiksfase
6. Sloop
Bij het bouwwerk betrokken personen en instanties
Opdrachtgever/ principaal
▪ Gene die bevoegd is om een bepaald project op te dragen.
▪ Bestaan verschillende opdrachtgevers: particuliere opdrachtgever, overheid, semioverheid, de spoorwegen, een
projectontwikkelaar, woningbouwvereniging of beleggingsmaatschappij.
▪ Taken: opstellen programma van eisen, beslissen over bouwplannen en- constructies en financiering van het werk.
Architect
▪ Deskundig op technisch en technisch gebied.
▪ Zet programma van eisen om in een bouwkundig ontwerp.
▪ Taken: maken ontwerp en overige tekeningen, bestek, opstellen definitieve kostenbegroting, aanbesteding houden (zoeken
aannemer), toezicht houden op uitvoering (directievoering), keuring aangevoerde bouwmaterialen.
Opzichter: toezicht houden op uitvoering namens architect
Adviseur: specialisten op het gebied van bijvoorbeeld: draagconstructies en fundering, technische installaties etc.
Aannemer: voert het ontwerp van de architect uit.
Uitvoerder: vertegenwoordigd de aannemer (aannemer niet altijd aanwezig).
Onderaannemer: bijvoorbeeld voor het heien van palen. Voor uitbesteden van werk heeft de aannemer schriftelijke toestemming
nodig van de directie.
Let op: aannemer blijft verantwoordelijk voor het werk van de onderaannemer.
Bouwmethoden
❖ Traditionele bouw, de stapelbouw
❖ Prefab- en systeembouw
▪ Gietbouw
▪ Montagebouw
▪ skeletbouw
❖ Skeletbouw
▪ Houtskeletbouw
▪ Betonskeletbouw
▪ Staalskeletbouw
❖ In serie volgens een bepaalde bouwmethode op de bouwplaats vervaardigde gebouwen (bijvoorbeeld gietbouw)
Uitgangspunt voor de opbouw van een gebouw is altijd de fundering.
Paalfundering: funderingsbalk is de ondergrond voor vloeren en muren.
Fundering op staal: funderingsmetselwerk of een betonplaat de ondergrond.
Casco= de draagconstructie: bestaat uit de onderdelen die de krachten van alle soorten belastingen naar de fundering brengen. Het
zorgt voor stabiliteit. Bestaat uit: vloeren, wanden, dak en vaak gevelelementen.
Begane grondvloeren zijn opgebouwd uit steenachtige producten: niet vochtgevoelig, voorzien thermische isolatielaag en is
luchtdicht.
Steenachtige verdiepingsvloeren: goed bestand tegen brand en meestal geluidsisolerend.
3