Hoofdstuk 1: Conjunctuur en structuur
Conjunctuur: effectieve vraag (bestedingen)
bestedingen
(C+I+O+E-M) (=C onsumptie + Investeringen + Overheid + Ex port - iMport)
Bestedingsevenwicht: effectieve vraag (bestedingen)
productiecapaciteit (maximale productie)
Onderbesteding = b estedingen < productiecapaciteit
Gevolg: bestedingsinflatie (prijsstijging)
Overbesteding = bestedingen > productiecapaciteit
Gevolg: werkloosheid
Structuur: productiecapaciteit (maximale productie).
productie
Bezettingsgraad = productiecapaciteit x 100%
Hoofdstuk 2: Klassieken en Keynes
Keynes: (gezien vanuit de consument) ; overheid kan en moet de economie beïnvloeden.
Hoe kun je de overheid beïnvloeden (positief)?
- Overheidsbestedingen (vergroten)
- Belastingen (verlagen)
Loon = inkomen én koopkracht
Lonen stijgen in een laagconjunctuur, verloop:
{ lonen ↑ inkomen ↑ consumptie ↑ bestedingen ↑ productie ↑}
vrije markt = vraag en aanbod
Klassieken: (gezien vanuit de bedrijven) ; Adam Smith →
bepalen de prijzen én de economie (prijsmechanisme).
Loon = kosten
Lonen stijgen in een laagconjunctuur (krappe arbeidsmarkt), verloop:
{ lonen ↑ loonkosten per product ↑→ verplaatsen lage lonenlanden →minder productie in
NL}
Hoofdstuk 3: Keynes’ basismodel
Inkomensevenwicht: productie = effectieve vraag W = EV = Y
besparingen = investeringen S=I
De gedwongen voorraadvorming zorgt ervoor dat de gezinnen hun besparingen aanpassen
door de investeringen van de onderneming (gezinnen gaan meer uitgeven).
Exogene variabelen: gegeven grootheden die bepaald worden buiten het model
Autonome variabelen: zijn niet afhankelijk van andere grootheden, zoals Iea
Endogene variabelen: worden bepaald door de exogene variabelen in het model.